Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201707766/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:4905, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toe te kennen kinderopvangtoeslag voor het jaar 2014 definitief berekend en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707766/1/A2.

Datum uitspraak: 2 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 september 2017 in zaak nr. 16/5794 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toe te kennen kinderopvangtoeslag voor het jaar 2014 definitief berekend en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 12 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toe te kennen kinderopvangtoeslag voor het jaar 2013 definitief berekend en vastgesteld op € 2.079,00.

Bij besluiten van 3 oktober 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] tegen die besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluiten van 4 november 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toe te kennen kinderopvangtoeslag opnieuw berekend en vastgesteld op € 9.734,00 voor het jaar 2013 en € 3.187,00 voor het jaar 2014.

Bij uitspraak van 22 september 2017 heeft de rechtbank de door [appellante] tegen de besluiten van 3 oktober 2016, zoals gewijzigd met de besluiten van 4 november 2016, ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. B. Arabaci, advocaat te Arnhem, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellante] heeft de opvang van haar kind in de jaren 2013 en 2014 geregeld via gastouderbureaus. Van januari tot en met oktober 2013 heeft zij gebruik gemaakt van [gastouderbureau A] en vanaf november 2013 van [gastouderbureau B]. Voor de opvang heeft [appellante] kinderopvangtoeslag aangevraagd als bedoeld in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wko).

    Besluitvorming

    2013

2.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] naar aanleiding van haar aanvraag bij besluit van 28 december 2012 voor het jaar 2013 een voorschot kinderopvangtoeslag van € 11.941,00 toegekend. Bij het besluit van 12 februari 2016 is de definitieve kinderopvangtoeslag voor het jaar 2013 vastgesteld op € 2.079,00 voor de opvang via [gastouderbureau B] in de maanden november en december 2013.

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan zijn standpunt dat [appellante] voor de maanden januari tot en met oktober 2013 geen recht heeft op kinderopvangtoeslag ten grondslag gelegd dat de kosten van de opvang voor die maanden niet zijn te bepalen. De door [gastouderbureau A] opgestelde jaaropgaven zijn niet bruikbaar, aangezien daarop de maanden november en december 2013 zijn vermeld, terwijl [appellante] die maanden geen gebruik meer maakte van dat gastouderbureau. Ook is op de jaaropgaven de maand juli 2013 vermeld, terwijl [appellante] heeft verklaard die maand wegens vakantie geen gebruik te hebben gemaakt van opvang. De kosten kunnen evenmin op basis van de maandelijkse facturen worden bepaald, aangezien [appellante] slechts de factuur van januari heeft overgelegd. Nu niet is aangetoond wat de totale kosten van de opvang voor de maanden januari tot en met oktober 2013 zijn geweest, is evenmin aangetoond dat [appellante] die kosten volledig heeft voldaan. Daarom bestaat geen recht op kinderopvangtoeslag voor die maanden, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

    2014

3.    Bij besluit van 27 december 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] voor het jaar 2014 een voorschot kinderopvangtoeslag van € 12.129,00 toegekend. Bij brief van 6 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag stopgezet. Bij het besluit van 7 januari 2016 is de definitieve kinderopvangtoeslag voor het jaar 2014 vastgesteld op nihil.

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan zijn standpunt dat [appellante] voor het jaar 2014 geen recht heeft op kinderopvangtoeslag ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij de kosten van de opvang volledig heeft voldaan. Het bedrag dat zij aantoonbaar heeft betaald, is lager dan het bedrag dat op de door [gastouderbureau B] opgestelde jaaropgaven is vermeld. Voor zover [appellante] wordt gevolgd in haar stelling dat deze jaaropgaven onjuist zijn, omdat zij - anders dan daarop is vermeld - alleen in de maanden januari tot en met juni 2014 gebruikt heeft gemaakt van opvang, stelt de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt dat het bedrag dat [appellante] aantoonbaar heeft betaald lager is dan het bedrag van de door haar overgelegde facturen voor die maanden. Aangezien zij de kosten derhalve niet volledig heeft voldaan, bestaat ook voor die maanden geen recht op kinderopvangtoeslag, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

    Oordeel van de rechtbank

    Omvang van het geding

4.    De rechtbank heeft overwogen dat de omvang van het geding zich, gelet op de besluiten van 4 november 2016, beperkt tot de perioden 12 september 2013 tot en met 31 oktober 2013 en de maanden april tot en met juni 2014.

    2013

5.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de kosten voor de maanden januari tot en met oktober 2013 niet kunnen worden bepaald. Zowel de overgelegde jaaropgaven en factuur als de overeenkomst tussen [appellante] en [gastouderbureau A] zijn daarvoor niet bruikbaar. Daaruit volgt dat [appellante] niet heeft aangetoond de volledige kosten te hebben voldaan, zodat voor de in het geding zijnde periode van 12 september 2013 tot en met 31 oktober 2013 geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat, aldus de rechtbank.

    2014

6.    De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] niet heeft aangetoond de kosten zoals die blijken uit de jaaropgave volledig te hebben voldaan. Voor zover aanleiding bestaat haar te volgen in haar standpunt dat zij slechts hoeft aan te tonen de kosten voor de maanden januari tot en met juni 2014 te hebben voldaan, omdat zij in juli geen gebruik heeft gemaakt van opvang wegens vakantie en vanaf augustus niet omdat de toeslag was stopgezet, heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] evenmin heeft aangetoond de volledige kosten voor die maanden te hebben voldaan. Daarom bestaat voor de in geding zijnde periode van april tot en met juni 2014 geen recht op kinderopvangtoeslag, aldus de rechtbank.

    Beoordeling van het hoger beroep

7.    [appellante] betoogt dat zij de kosten voor kinderopvang via [gastouderbureau A] via bankoverschrijvingen heeft voldaan en de kosten voor kinderopvang via [gastouderbureau B] via bankoverschrijvingen en een contante betaling van € 1.000,00.

7.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. Er bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag indien de betrokkene niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald.

7.2.    De gemachtigde van de Belastingdienst/Toeslagen heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de besluiten van 4 november 2016 zijns inziens op een vergissing berusten, maar niet zullen worden herzien. Ook in hoger beroep beperkt de omvang van het geding zich derhalve tot de perioden genoemd onder 4. De Belastingdienst/Toeslagen handhaaft evenwel zijn standpunt over de kosten zoals vermeld onder 2 en 3, te weten dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij alle kosten van de opvang voor de maanden januari tot en met oktober 2013 en januari tot en met juni 2014 heeft voldaan. Gelet daarop heeft zij geen recht op kinderopvangtoeslag voor de nog in geding zijnde perioden, aldus de dienst.

    2013

7.3.    [appellante] heeft twee jaaropgaven van [gastouderbureau A] overgelegd. De eerste jaaropgave ziet op de periode januari tot en met september 2013 en de tweede op de periode oktober tot en met december 2013. Als de bedragen van de jaaropgaven worden gedeeld door het aantal maanden waarop deze zien, komt dat neer op een bedrag van € 1.189,10 per maand. [appellante] heeft daarnaast een factuur van de maand januari 2013 overgelegd met eveneens een bedrag van € 1.189,10. Dat bedrag komt voorts overeen met de kosten, inclusief bemiddelingskosten, die zijn afgesproken met [appellante]. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan uit de door [appellante] overgelegde stukken derhalve worden opgemaakt dat de kosten voor opvang per maand € 1.189,10 bedroegen.

    Uit de door [appellante] overgelegde bankafschriften blijkt dat zij de maanden januari tot en met april 2013 elke maand een bedrag van € 1.189,10 heeft overgemaakt naar [gastouderbureau A]. De maanden mei, juni en augustus tot en met oktober 2013 heeft zij maandelijks een bedrag van € 1.186,10 overgemaakt naar [gastouderbureau A]. Ter zitting heeft zij verklaard dat dit een typefout van haar kant is geweest. De gemachtigde van de Belastingdienst/Toeslagen heeft verklaard dit als een afrondingsverschil te zien.

7.4.    De gemachtigde van de Belastingdienst/Toeslagen heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat [appellante] wordt tegengeworpen dat zij de maand juli 2013 geen bedrag heeft overgemaakt, terwijl zij volgens de jaaropgave die maand wel opvang heeft genoten, en dat in juni 2013 een bedrag van € 585,48 door [gastouderbureau A] op haar rekening is gestort.

    [appellante] heeft reeds in bezwaar gesteld in juli 2013 geen opvang te hebben genoten wegens vakantie. Zij heeft in juni 2013 getracht deze wijziging door te geven aan de Belastingdienst/Toeslagen, maar het digitale systeem kende op dat moment die mogelijkheid nog niet en telefonisch lukte het haar evenmin. [gastouderbureau A] heeft [appellante] toen voorgehouden de maand juli 2013 niet op de jaaropgave te vermelden. Dat [gastouderbureau A] dat toch heeft gedaan, heeft zij eerst later ontdekt. Zij heeft nimmer aanspraak willen maken op kinderopvangtoeslag voor de maand juli 2013. Het bedrag van € 585,40 heeft volgens [appellante] betrekking op het jaar 2012. Zij heeft dat jaar bij wijze van voorschot een ouderbijdrage betaald aan [gastouderbureau A], die later door de gemeente Arnhem is overgemaakt aan [gastouderbureau A]. [gastouderbureau A] heeft dat bedrag toen teruggestort.

7.5.    De uiteenzetting van [appellante], zoals hiervoor weergegeven, is niet ongeloofwaardig. Zij heeft weliswaar niet meteen bij het overleggen van de jaaropgave over 2013 gesteld dat daarbij ten onrechte de maand juli 2013 is betrokken, maar heeft dat in bezwaar direct gemeld en zich de gehele procedure op het standpunt gesteld dat zij voor de maand juli 2013 geen aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag. Gelet hierop hoeft [appellante] niet aan te tonen dat zij kosten heeft gemaakt voor opvang in de maand juli 2013. Haar verklaring over het bedrag van € 585,40 is eveneens geloofwaardig, zodat de Afdeling het niet nodig acht haar in de gelegenheid te stellen stukken over te leggen van de gemeente Arnhem die zij over deze kwestie in bezit heeft.

    Zoals is overwogen onder 7.3 staat vast dat [appellante] alle kosten van de opvang in de maanden januari tot en met juni 2013 en augustus tot en met oktober 2013 aantoonbaar heeft betaald. Dit leidt tot de conclusie dat [appellante] voor de kinderopvang in 2013 via [gastouderbureau A] recht heeft op kinderopvangtoeslag. Het besluit van 3 oktober 2016 dat ziet op het jaar 2013, zoals gewijzigd bij besluit van 4 november 2016, is daarom onjuist voor zover [appellante] daarbij voor de periode 12 september 2013 tot en met 31 oktober 2013 geen toeslag is toegekend.

    Het betoog slaagt in zoverre.

    2014

7.6.    [appellante] heeft twee jaaropgaven van [gastouderbureau B] overgelegd. De eerste jaaropgave ziet op de periode januari tot en met maart 2014 en de tweede op de periode april tot en met december 2014. [appellante] stelt in juli geen opvang te hebben genoten wegens vakantie en vanaf augustus helemaal niet meer, omdat de Belastingdienst/Toeslagen de toeslag per augustus heeft stopgezet.

    Uit de overgelegde facturen blijkt dat [appellante] voor de maanden januari tot en met juni 2014 een bedrag van € 7.410,60, namelijk € 1.235,10 per maand, moet hebben voldaan.

    Uit de door haar overgelegde bankafschriften blijken, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, de volgende betalingen: in januari 2014 € 1.869,10, in februari en maart 2014 € 1.235,10 en in april en mei 2014 € 1.235,00. In totaal is dat € 6.809,30, derhalve € 601,30 lager dan het bedrag van € 7.410,60. [appellante] heeft weliswaar gesteld € 1.000,00 contant rechtstreeks aan de gastouder te hebben betaald, maar die betaling is niet met nadere stukken gestaafd en, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, bovendien in strijd met de zogenoemde kassiersfunctie geregeld in artikel 1.49, derde lid, aanhef en onder b, van de Wko, inhoudende dat het gastouderbureau de betalingen aan de gastouder dient te voldoen.

    Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat [appellante] niet heeft aangetoond de kosten van kinderopvang in 2014 via [gastouderbureau B] volledig te hebben voldaan, en zij daarom geen recht heeft op kinderopvangtoeslag.

    Het betoog faalt in zoverre.

    Eindoordeel

8.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2016 dat ziet op het jaar 2013, zoals gewijzigd bij besluit van 4 november 2016, ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep in zoverre alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor vernietiging in aanmerking, voor zover [appellante] daarbij geen kinderopvangtoeslag is toegekend voor de periode 12 september 2013 tot en met 31 oktober 2013. De Belastingdienst/Toeslagen dient in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

    De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor het overige.

9.    De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 september 2017 in zaak nr. 16/5794 voor zover daarbij het beroep van [appellante] tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 3 oktober 2016 dat ziet op het jaar 2013, zoals gewijzigd bij besluit van 4 november 2016, kenmerken BOB O en 108.34.618.T.SC.16.3, ongegrond is verklaard;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV.    vernietigt het onder II vermelde besluit voor zover [appellante] daarbij geen kinderopvangtoeslag is toegekend voor de periode 12 september 2013 tot en met 31 oktober 2013;

V.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 296,00 (zegge: tweehonderdzesennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Hagen    w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018

611.