Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1453

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201707291/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:9453, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2016 heeft het CBR een onderzoek naar de rijvaardigheid aan [appellante] opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707291/1/A2.

Datum uitspraak: 2 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 augustus 2017 in zaak nr. 17/2102 in het geding tussen:

[appellante]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2016 heeft het CBR een onderzoek naar de rijvaardigheid aan [appellante] opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.

Bij besluit van 6 april 2017 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. drs. M.M. Kleijbeuker, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding en besluitvorming

1. Op 27 november 2016 is [appellante] betrokken geweest bij een eenzijdig ongeval, waarbij zij met haar auto in de berm terecht is gekomen, in de slip is geraakt en vervolgens met haar auto aan de andere kant van de weg in een sloot/greppel is beland. Hierop heeft de politie Eenheid Noord-Holland op 29 november 2016 aan het CBR een mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994), van het vermoeden dat [appellante] niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van de categorie van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Naar aanleiding hiervan heeft het CBR bij het besluit van 14 december 2016 aan [appellante] een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs tot de uitslag van het onderzoek geschorst. Het CBR heeft aan dit besluit, gehandhaafd bij het besluit van 6 april 2017, ten grondslag gelegd dat het vermoeden bestaat dat [appellante] niet (langer) over de vereiste rijvaardigheid beschikt, omdat [appellante] haar motorrijtuig bij het ongeval op 27 november 2016 niet onder controle kon houden. Het CBR is daarom gehouden een onderzoek naar de rijvaardigheid op te leggen en het rijbewijs van [appellante] te schorsen, aldus het CBR.

Wettelijk kader

2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Aangevallen uitspraak

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op basis van de mededeling als bedoeld in artikel 130 van de Wvw 1994 en de in het daarbij gevoegde proces-verbaal van bevindingen van 29 november 2016 neergelegde feiten en omstandigheden het vermoeden gerechtvaardigd is dat [appellante] niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid om een motorrijtuig te besturen. Het CBR heeft haar daarom terecht een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het onduidelijk en onverklaarbaar is gebleven waarom (alleen) [appellante] met haar motorrijtuig in de berm terecht is gekomen, terwijl er op de betreffende dag vele andere bestuurders van de weg gebruik maakten die niet van de weg zijn geraakt. De vraag of de gebeurtenis al dan niet aan [appellante] te wijten is, is voor het vaststellen van een vermoeden niet relevant. Dat zij tot op heden niet bij (andere) ongevallen betrokken is geraakt, brengt niet met zich mee dat ten onrechte een rijvaardigheidsonderzoek is opgelegd. Het rijvaardigheidsonderzoek is erop gericht de verkeersveiligheid te bevorderen en ongevallen in de toekomst te voorkomen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4. [ appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het CBR zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat op basis van de mededeling en de in het proces-verbaal neergelegde feiten en omstandigheden het vermoeden gerechtvaardigd is dat [appellante] niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid om een motorrijtuig te besturen. Hiertoe voert zij aan dat het CBR onvoldoende acht heeft geslagen op de door haar aangevoerde feiten en omstandigheden, dat de oorzaak van het ongeluk mogelijk ligt in een combinatie van het besmeurde wegdek en een technisch defect aan de auto, bestaand uit een lekke voor- en achterband. Dat uit de mededeling van de korpschef van 29 november 2016 volgt dat de verbalisant aan de rijgeschiktheid van [appellante] twijfelt, vanwege haar hoge leeftijd, is onvoldoende om het vermoeden te rechtvaardigen en had tot nader onderzoek moeten leiden. Het CBR had daarom niet tot het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid en het schorsen van het rijbewijs kunnen besluiten, aldus [appellante].

4.1.

In het bij de mededeling gevoegde proces-verbaal van bevindingen van 29 november 2016 is opgenomen dat [appellante] in een flauwe bocht met haar voertuig naast de weg is geraakt en aan de overzijde van de rijbaan in de sloot is beland. Daarbij heeft de verbalisant vermeld dat hij, gezien de hoge leeftijd van [appellante] twijfelt aan haar rijgeschiktheid. Uit het bij de mededeling gevoegde mutatierapport van 29 november 2016 volgt voorts dat getuigen hebben aangegeven dat zij zagen dat [appellante] met haar voertuig in de richting van Slootdorp reed, dat het voertuig aan de rechterzijde in de berm kwam, dat het voertuig bij het uitsturen in de slip raakte en het voertuig achteruit in de sloot belandde.

4.2.

De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2434), overwogen dat voor het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid slechts dient te worden vastgesteld of een vermoeden bestaat dat niet meer over de vereiste rijvaardigheid wordt beschikt. Juist het opgelegde rijvaardigheidsonderzoek dient ertoe tot een conclusie te komen over de rijvaardigheid.

4.3.

Het CBR heeft uit de mededeling en het proces-verbaal kunnen afleiden dat [appellante] bij het ongeval op 27 november 2016 haar voertuig niet onder controle had, nu hieruit volgt dat [appellante] in een flauwe bocht met de zijkant van de auto in de berm is geraakt en vervolgens bij het uitsturen in de slip is geraakt en in een sloot is beland. Ter zitting heeft het CBR toegelicht dat het enkele feit dat [appellante] van de weg in de berm is geraakt al voldoende is om het vermoeden op te baseren dat zij niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid om een motorrijtuig te besturen. Dit standpunt komt de Afdeling niet onredelijk voor. Met hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ter verklaring van het ongeluk op 27 november 2016 heeft zij dat vermoeden niet ontkracht. Daargelaten dat niet kan worden vastgesteld dat er voorafgaand aan het ongeluk reeds modder op de weg lag, waardoor [appellante] in de berm zou zijn geraakt, kan de mogelijke aanwezigheid van modder op de weg niet tot het oordeel leiden dat bij het CBR geen vermoeden kan bestaan dat [appellante] niet over de vereiste rijvaardigheid beschikt. Het CBR heeft in dit verband gewezen op de bij e-mail van 24 juli 2017 gegeven nadere toelichting van de verbalisant, waaruit volgt dat er wat prut op de weg lag, maar dat dit niet verkeersgevaarlijk was. Daarnaast heeft het CBR bij het ontstaan van het vermoeden betrokken dat andere bestuurders, waaronder getuigen, die onder dezelfde omstandigheden op dezelfde weg hebben gereden niet van de weg zijn geraakt en niet de controle over hun auto zijn verloren. [appellante] heeft evenmin met de door haar overgelegde verklaring van ASN Autoschade Alkmaar dat haar auto twee lekke banden had aannemelijk gemaakt dat het ongeval hierdoor is veroorzaakt. Zoals het CBR terecht heeft opgemerkt zijn de lekke banden pas na het ongeval geconstateerd. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd kan geen verklaring worden gevonden waarom reeds voor het ongeval twee lekke banden zouden zijn ontstaan. Eerder is aannemelijk dat de lekke banden het gevolg zijn van het ongeval.

Voor zover [appellante] betoogt dat aan het vermoeden enkel haar hoge leeftijd ten grondslag is gelegd, treft dit betoog geen doel. Zoals hiervoor reeds is weergegeven en door het CBR ter zitting is verduidelijkt heeft het CBR alleen de feiten en omstandigheden van het voorval op 27 november 2016 bij de besluitvorming betrokken en heeft het CBR het enkele feit dat [appellante] geen controle had over haar auto waardoor zij van de weg is geraakt, ongeacht de leeftijd van [appellante], reeds voldoende geacht voor het vermoeden dat [appellante] niet over de vereiste rijvaardigheid beschikte.

Nu er bij het CBR een gerechtvaardigd vermoeden bestond dat [appellante] niet over de vereiste rijvaardigheid beschikte, heeft het CBR terecht aan [appellante] een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.

4.4.

Het betoog faalt.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Sevenster w.g. Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018

343-856.

BIJLAGE

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

[…]

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

[...]

c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:

a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;

[…].

3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.

[…]

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 2

1. Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

[…]

Artikel 23

[…]

Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:

a. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder A, onderdelen I, Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig, of II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer;

[…]

Bijlage 1

Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:

A. Rijvaardigheid en rijgedrag

I. Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig

[…]

I.2. Beheersing van het motorrijtuig

[…]

3. Overige feiten of omstandigheden waaruit een gebrek in de vaardigheid in de beheersing van het motorrijtuig blijkt:

a. het motorrijtuig niet onder controle houden;

[…]