Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1445

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201704779/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:3968, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2015 heeft het college aan het bijgebouw, behorende bij het pand [locatie 1] te Velden, het adres [locatie 2] te Velden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704779/1/A3.

Datum uitspraak: 2 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Velden, gemeente Venlo,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 mei 2017 in zaak nr. 16/715 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2015 heeft het college aan het bijgebouw, behorende bij het pand [locatie 1] te Velden, het adres [locatie 2] te Velden toegekend.

Bij besluit van 4 februari 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 mei 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.M.H. Dellaert, advocaat te Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken, zijn verschenen.

Overwegingen

Besluitvorming college

1.    Het college heeft naar aanleiding van het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het met het bestemmingsplan strijdig gebruik van het bijgebouw, behorende bij de woning aan [locatie 1] te Velden, bij besluit van 30 maart 2015 het bijgebouw het adres [locatie 2] te Velden toegekend. Het bijgebouw wordt door [appellant] gebruikt als bed & breakfast. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat op grond van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen (hierna: Wet bag) aan ieder verblijfsobject een adres en huisnummer moet worden toegekend.

    Het college heeft in het besluit op bezwaar van 4 februari 2016 het primaire besluit gehandhaafd. Het heeft daarbij overwogen dat het bijgebouw is gelegen aan de Schandeloseweg te Velden en dat daarom voor dat adres dient te worden gekozen. Dat in het verleden aan de woning van [appellant], hoewel met de in-/toegang gelegen aan de Schandeloseweg, een adres aan Schandelo is toegekend, maakt volgens het college niet dat voor het bijgebouw eveneens moet worden gekozen voor een adres aan Schandelo. Gelet op de reeds jaren bestaande situatie en gezien de omstandigheid dat de woning aan [locatie 1] onderdeel is van een groter pand kan voor het hoofdgebouw het bestaande adres gehandhaafd blijven, aldus het college.

De aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het adres [locatie 2] het meest recht doet aan de plaatsing van het object in de omgeving, de bereikbaarheid, zichtbaarheid en vindbaarheid van het object en de eenduidigheid in de nummeraanduiding.

Hogerberoepsgronden

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dat oordeel is gekomen, omdat de bereikbaarheid en vindbaarheid van het verblijfsobject niet zijn gediend met het adres [locatie 2]. Hij wijst erop dat navigatiesystemen bij invoering van het nieuwe adres verwijzen naar een locatie aan de rand van Velden. Dit klemt temeer nu de meeste bezoekers van zijn bed & breakfast met de auto komen. Bovendien kunnen hulpdiensten dit adres niet vinden. [appellant] voert voorts aan dat het voorheen gebruikte officieuze adres [locatie 1]-II meer recht doet aan de plaatsing van het object in de omgeving en dat dit de eenduidigheid ten goede komt. In dat verband wijst hij erop dat de woning en het bijgebouw op één perceel liggen en dat beide verblijfsobjecten hun toegangsdeur aan de Schandeloseweg hebben. De door het college gemaakte belangenafweging is dan ook onevenwichtig, aldus [appellant].

Juridisch kader

4.    Artikel 1, aanhef en onder l en q, van de Wet bag luidt:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

l. nummeraanduiding: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig toegekende aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats of een ligplaats.

[…]

q. verblijfsobject: kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik, die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is."

    Artikel 6, eerste lid, luidt:

"De gemeenteraad […] kent nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen."

    Artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet luidt:

"De raad kan aan het college […] bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet."

    Artikel 1, aanhef en onder d en g, van de Verordening adressen Venlo 2011 luidt: "In deze verordening (en de daarop berustende bepalingen) wordt verstaan onder:

[…]

d. Adres: door het college aan een verblijfsobject, een standplaats of een ligplaats toegekende benaming, bestaande uit een combinatie van de naam van een openbare ruimte, een nummeraanduiding en de naam van een woonplaats.

[…]

q. Verblijfsobject: de kleinste binnen één of meerdere panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, die onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is."

    Artikel 3, tweede lid, luidt: "Het college kent per woonplaats namen toe aan delen van de openbare ruimte en zo nodig aan gemeentelijke gebouwen en bouwwerken."

Beoordeling hogerberoepsgronden

5.    Tussen partijen is niet in geschil dat het bijgebouw dient te worden aangemerkt als verblijfsobject als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder q, van de Wet bag. Dit betekent dat het college aan het bijgebouw een adres dient toe te kennen.

5.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door het college voorgestane naamgeving en nummeraanduiding het meest recht doen aan de plaatsing van het object in de omgeving, de bereikbaarheid, zichtbaarheid en vindbaarheid van het object en de eenduidigheid in de nummeraanduiding. Het college heeft voor het bepalen van de adressering van het bijgebouw in redelijkheid tot uitgangspunt kunnen nemen dat de weg waarnaar de voordeur is gericht in beginsel bepalend is. De stelling van [appellant] dat het uit oogpunt van eenduidigheid wenselijk is dat het hoofdgebouw en het bijgebouw hetzelfde adres hebben en dat het bijgebouw derhalve het adres [locatie 1]-II moet krijgen, leidt niet tot een ander oordeel, omdat het adres van het hoofdgebouw een historische situatie betreft die niet meer recht doet aan de actuele situatie. Dat navigatiesystemen bij invoering van het nieuwe adres van het verblijfsobject naar een andere locatie verwijzen, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu dit probleem slechts van tijdelijke aard is. Daarbij komt dat [appellant] op de website van zijn bed & breakfast een routebeschrijving heeft opgenomen, zodat gasten in staat moeten worden geacht het adres te vinden. Wat betreft de bereikbaarheid voor de hulpdiensten heeft het college ter zitting van de Afdeling onweersproken gesteld dat hulpdiensten bij wijzigingen van adressen direct door de gemeente worden ingelicht.

    Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de door het college gemaakte belangenafweging onevenwichtig is.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Soffner

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018

818.