Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1442

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201700933/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:404, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2015 heeft de AP een verzoek van [appellant] om de korpschef van politie bestuurlijke boetes op te leggen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/242
AB 2018/260 met annotatie van T. Mulder
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700933/1/A3.

m uitspraak: 2 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 januari 2017 in zaak nr. 15/4669 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Autoriteit Persoonsgegevens (voorheen: het College bescherming persoonsgegevens; hierna: de AP).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2015 heeft de AP een verzoek van [appellant] om de korpschef van politie bestuurlijke boetes op te leggen afgewezen.

Bij besluit van 4 september 2015 heeft de AP het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 januari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 september 2015 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De AP heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2017, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en de AP, vertegenwoordigd door mr. M. Liedorp en mr. V.N. Mantel, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] was vanaf 1994 werkzaam bij de politie. Bij besluit van 6 maart 2013 heeft de korpschef hem met onmiddellijke ingang ontslag aangezegd wegens toerekenbaar ernstig plichtsverzuim. De rechtbank heeft het door [appellant] tegen het disciplinair ontslag ingediende beroep bij uitspraak van 26 januari 2015, ECLI:RBMNE:2015:613, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 maart 2017, ECLI:CRVB:2017:1233, heeft de Centrale Raad van Beroep die uitspraak van de rechtbank bevestigd. Ook heeft het plichtsverzuim geleid tot een vonnis van de strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland en, in hoger beroep, tot een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het gerechtshof heeft [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden. Dat arrest heeft gezag van gewijsde gekregen.

2.    Bij brief van 21 december 2011 heeft een officier van Justitie de plaatsvervangend korpsbeheerder van de politieregio Utrecht verzocht het Bureau veiligheid en integriteit van de politieregio Utrecht (hierna: BVI)  onderzoek te laten instellen naar mogelijk ernstig plichtsverzuim van [appellant]. Op 30 juli 2012 heeft het BVI een exemplaar van het door hem in het kader van dit strafrechtelijk onderzoek opgebouwd en opgesteld strafrechtelijk onderzoeksrapport naar het arrondissementsparket, waar de officier van justitie werkzaam is, verstuurd. Het onderzoeksrapport is ook bij BVI blijven berusten. Het BVI heeft bij het disciplinair onderzoek de gegevens uit het onderzoeksrapport betrokken. Na afronding van het disciplinair onderzoek heeft het BVI de korpsbeheerder het disciplinair rapport en een exemplaar van het onderzoeksrapport doen toekomen.    

3.    De korpsbeheerder van de politieregio Utrecht (thans: de korpschef) is op 1 juni 2012 begonnen met het disciplinair onderzoek naar de gedragingen van [appellant] en heeft dat onderzoek op 4 september 2012 afgerond. [appellant] heeft de AP op 6 maart 2015 verzocht boetes op te leggen aan de korpschef. Volgens [appellant] heeft de korpschef ten tijde van het disciplinair onderzoek wettelijke voorschriften overtreden.

Het verzoek van [appellant]

4.    [appellant] heeft de AP verzocht boetes op te leggen aan de korpschef wegens overtreding van de zogenoemde protocolplicht die is opgenomen in artikel 32, eerste lid, onder f en g, van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) en wegens overtreding van artikel 4, tweede en derde lid, van de Wpg.

Het besluit op bezwaar van 4 september 2015

5.    De AP heeft in overtreding van artikel 32, eerste lid, onder f, van de Wpg geen aanleiding gezien de korpschef een boete op te leggen, maar heeft met toepassing van paragraaf 3 van de Beleidsregels CBP handhaving protocolplicht Wet politiegegevens gekozen voor het voeren van een zogenoemd normoverdragend gesprek.

    De AP stelt zich met betrekking tot overtreding van artikel 32, eerste lid, onder g, van de Wpg op het standpunt dat [appellant] onvoldoende concreet heeft gemaakt waaruit de overtreding zou bestaan.

    De AP stelt zich met betrekking tot de gestelde overtredingen op grond van artikel 4, tweede en derde lid, van de Wpg op het standpunt dat die niet beboetbaar zijn gesteld in (artikel 35 van) de Wpg.

De aangevallen uitspraak

6.    De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 1 augustus 2016 overwogen dat de AP in het besluit van 4 september 2015 weliswaar een overtreding van artikel 32, eerste lid, onder f, van de Wpg heeft aangenomen, maar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij heeft afgezien van het opleggen van een boete. De rechtbank heeft aanleiding gezien de AP in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de AP in haar nadere motivering van 1 september 2016 heeft toegelicht waarom zij de overtreding van artikel 32, eerste lid, onder f, van de Wpg niet heeft beboet, maar heeft gekozen voor een normoverdragend gesprek. De AP heeft in haar reactie voldoende duidelijk uiteengezet welke feiten een rol speelden en hoe zij deze feiten heeft gewogen en heeft daarmee voldaan aan de tussenuitspraak, aldus de rechtbank.

    De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de AP terecht geen aanwijzing voor overtreding van artikel 32, eerste lid, onder g, van de Wpg aanwezig heeft geacht.

    Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de AP zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit artikel 35, derde lid, van de Wpg blijkt dat zij alleen bij overtreding van artikel 32 van de Wpg een boete kan opleggen.    

7.    [appellant] kan zich vinden in de gegrondverklaring van zijn beroep en de vernietiging van het besluit van 4 september 2015. Hij heeft hoger beroep ingesteld omdat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Ook richt zijn hoger beroep zich tegen de proceskostenveroordeling die de rechtbank heeft uitgesproken.

Hoger beroep

8.    De Centrale Raad van Beroep heeft in de onder 2. genoemde uitspraak over het door [appellant] ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank inzake zijn disciplinair ontslag het volgende overwogen: "Appellant heeft de gronden van zijn hoger beroep zeer uitvoerig uiteengezet. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 5 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:435, heeft overwogen, vloeit uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet voort dat de Raad in zijn uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. De Raad zal zich in het hiernavolgende dan ook beperken tot de kern van de door appellant naar voren gebrachte gronden."

    Ook in deze zaak heeft [appellant] de gronden van zijn hoger beroep zeer uitvoerig uiteengezet. De Afdeling ziet geen aanleiding daarmee op een andere manier om te gaan dan de Centrale Raad van Beroep. Ook de Afdeling zal zich in het hierna volgende daarom beperken tot de kern van de door [appellant] naar voren gebrachte gronden.

Artikel 27 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp)

9.    [appellant] voert aan dat de korpschef bij aanvang van het disciplinair onderzoek de AP op grond van artikel 27 van de Wbp had moeten melden dat hij persoonsgegevens van [appellant] verwerkte ten behoeve van dat onderzoek. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef met het doen van een zogenoemde generieke melding heeft voldaan aan artikel 27 van de Wbp.

9.1.    Artikel 27 van de Wbp luidt:

"1 Een geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, die voor de verwezenlijking van een doeleinde of van verscheidene samenhangende doeleinden bestemd is, wordt gemeld.

2 Een niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, die voor de verwezenlijking van een doeleinde of van verscheidene samenhangende doeleinden bestemd is, wordt gemeld indien deze is onderworpen aan een voorafgaand onderzoek.

3 De verantwoordelijke meldt de verwerking alvorens daarmee te beginnen bij het College of bij de functionaris."

9.2.    Zoals blijkt uit de dossierstukken heeft de korpsbeheerder eenmalig bij de AP gemeld dat hij persoonsgegevens verwerkt en zal gaan verwerken ten behoeve van interne disciplinaire onderzoeken. Deze melding is opgenomen in het openbare meldingenregister onder nummer [...].

9.3.    Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 27 van de Wbp (Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 133) staat het de verantwoordelijke in beginsel vrij niet elke verwerkingshandeling afzonderlijk te melden. Ook een "geheel van verwerkingen" mag worden aangemeld. Voor melding van "een geheel van verwerkingen" bestaat volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 27 van de Wbp aanleiding indien de betreffende verwerkingen voor de verwezenlijking van "een en hetzelfde doel" zijn bestemd.

9.4.    De verwerkingen van persoonsgegevens ten behoeve van interne disciplinaire onderzoeken zijn bestemd voor "een en hetzelfde doel": het volgens de regels van, onder andere, het Besluit algemene rechtspositie politie verrichten van disciplinaire onderzoeken. Het was daarom mogelijk dit "geheel van verwerkingen" te melden. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat met het doen van de generieke melding is voldaan aan artikel 27 van de Wbp. De korpschef hoefde bij aanvang van het disciplinair onderzoek de AP op grond van artikel 27 van de Wbp dus niet apart te melden dat hij persoonsgegevens van [appellant] zou gaan verwerken ten behoeve van dat onderzoek.  

9.5.    Het betoog faalt.

Artikel 32, eerste lid, onder f, van de Wpg

10.    [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld  dat de AP in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen boete op te leggen aan de korpschef wegens overtreding van de protocolplicht die is opgenomen in artikel 32, eerste lid, onder f, van de Wpg. [appellant] stelt dat de protocolplicht is overtreden omdat de korpschef heeft nagelaten op de in artikel 6:4 van het Besluit politiegegevens aangegeven wijze schriftelijk vast te leggen dat hem betreffende politiegegevens zijn verstrekt ten behoeve van het disciplinair onderzoek. Volgens [appellant] heeft de AP in redelijkheid niet kunnen volstaan met het voeren van het normoverdragend gesprek, maar had zij de korpschef een boete moeten opleggen.

10.1.    Artikel 32, eerste lid, onder f, in verbinding met artikel 1, aanhef en onder f, ten 1°, van de Wpg luidt:

"De korpschef draagt zorg voor de schriftelijke vastlegging van de verstrekking van politiegegevens op grond van paragraaf 3 […]."

    Artikel 16, eerste lid, onder d, ten 2° van de Wpg, dat is opgenomen in paragraaf 3, in verbinding met artikel 1, aanhef en onder f, ten 1°, van de Wpg luidt:

"De korpschef verstrekt politiegegevens aan de korpschef, het College van procureurs-generaal […] voor zover zij deze behoeven in verband met disciplinaire bestraffing vanwege niet nakoming van verplichtingen of plichtsverzuim, als geregeld bij of krachtens artikel 47 van de

Politiewet 2012."

10.2.    Artikel 6:4, vierde lid, van het Besluit politiegegevens luidt:

"Indien politiegegevens op grond van paragraaf 3 van de wet worden verstrekt, worden van die verstrekking de volgende gegevens vastgelegd:

a. de identiteit van de verzoeker;

b. de datum van de verstrekking;

c. een omschrijving van de verstrekte gegevens;

d. het doel van de verstrekking."

10.3.    Artikel 35, derde lid, eerste volzin, in verbinding met artikel 1, aanhef en onder f, ten 1°, van de Wpg luidt:

"Indien de korpschef handelt in strijd met hetgeen is bepaald bij of krachtens artikel 32, kan het College hem een bestuurlijke boete opleggen."

10.4.    Niet in geschil is dat de korpschef niet heeft voldaan aan de protocolplicht die is opgenomen in artikel 32, eerste lid, onder f, van de Wpg. In deze overtreding van de protocolplicht heeft de AP geen aanleiding gezien de korpschef een boete op te leggen. Zij heeft gekozen voor het voeren van een normoverdragend gesprek, met toepassing van paragraaf 3 van de Beleidsregels CBP handhaving protocolplicht Wet politiegegevens. Dat gesprek heeft op 29 oktober 2015 plaatsgevonden. Vervolgens heeft de korpschef zijn werkwijze aangepast. De politie heeft in het jaar 2016 een nieuw systeem - Visionwaves - in gebruik genomen voor interne onderzoeken naar politiefunctionarissen. Dit systeem voorziet, anders dan het oude systeem, in een automatische vastlegging van handelingen. Daardoor kan een overtreding van de protocolplicht volgens de AP niet langer plaatsvinden.

10.5.    De Afdeling stelt vast dat de AP, gelet op de tekst van artikel 35, derde lid, van de Wpg, aan de korpschef een boete kan, en niet: moet, opleggen indien de korpschef de protocolplicht van artikel 32 heeft overtreden. Dit betekent dat de AP ter zake beleidsruimte toekomt. Ter invulling van deze ruimte heeft de AP de Beleidsregels CBP handhaving protocolplicht Wet politiegegevens vastgesteld.

10.6.    De Beleidsregels CBP handhaving protocolplicht Wet politiegegevens luiden:

"De […] Wpg […] bevat regels inzake de verwerking van politiegegevens. De verantwoordelijke, belast met de feitelijke zorg voor de verwerking van deze gegevens, is in dit kader verplicht bepaalde aspecten van verwerkingen schriftelijk vast te leggen: de protocolplicht (artikel 32 Wpg). Deze protocolplicht is verder uitgewerkt in artikel 6:4 Besluit politiegegevens (Bpg).

Indien de verantwoordelijke in strijd handelt met één van de hieronder genoemde verplichtingen op grond van artikel 32, eerste lid, Wpg is het CBP bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete (artikel 35, derde lid, Wpg en artikel 66 Wbp). Dit betreft het schriftelijk vastleggen van: […].

Het College is daarnaast bevoegd tot toepassing van bestuursdwang bij overtreding van bovengenoemde verplichtingen op grond van artikel 35, tweede lid Wpg en artikel 65 Wbp.

[…].

Een last onder dwangsom strekt ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel herhaling van de overtreding te voorkomen. Gelet hierop legt het CBP in beginsel een last onder dwangsom op in gevallen waarin herstel van normschending mogelijk is. Het CBP deelt mede dat hij voornemens is een last onder dwangsom op te leggen, alvorens hij overgaat tot oplegging van deze last onder dwangsom, tenzij de ernst van de overtreding of de spoedeisendheid van de situatie zich daartegen verzet. Na het opleggen van de last onder dwangsom voert het CBP controles uit met betrekking tot herstel van de overtreding. Indien na afloop van de beschikking tot oplegging van de last onder dwangsom de overtreding nog steeds niet ongedaan is gemaakt, dan kan een nieuwe beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom worden opgelegd met hogere dwangsombedragen of een bestuurlijke boete indien artikel 32 Wpg wordt overtreden."

10.7.    Zoals blijkt uit de hiervoor geciteerde passages staat in de Beleidsregels CBP handhaving protocolplicht Wet politiegegevens dat de AP bij overtreding van de protocolplicht bevoegd is een last onder dwangsom op te leggen en bevoegd is een boete op te leggen. Ook blijkt daaruit dat de AP bij overtreding van de protocolplicht eerst een dwangsom oplegt en pas indien dat middel niet leidt tot normconform handelen, overgaat tot het opleggen van een boete. Ook staat in de Beleidsregels dat de AP bij overtreding van de protocolplicht "in beginsel" een last onder dwangsom oplegt; dus: niet noodzakelijkerwijs in alle gevallen. Binnen dit beleid past de vaste gedragslijn van de AP die inhoudt dat zij in gevallen als het onderhavige het opleggen van een boete als een zogenoemd ultimum remedium beschouwt. Ook past in dit beleid dat de AP, net als toezichthoudende instanties uit andere landen soms, zoals in gevallen zoals dit, zogenoemde informele handhavingsinstrumenten hanteert ter voorkoming van overtredingen.

10.8.    Het onder 10.6. en 10.7. omschreven beleid is niet in strijd met de wet of anderszins onrechtmatig. De AP heeft niet in strijd met dat beleid gehandeld. Dit handelen heeft geen gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot met het beleid te dienen doelen. De AP heeft in redelijkheid gewicht kunnen toekennen aan het gegeven dat deze overtreding van de protocolplicht de eerste van de korpschef is waarmee zij werd geconfronteerd en dat geen aanwijzing bestaat dat de korpschef daarbij opzettelijk heeft gehandeld. Ook heeft de AP in redelijkheid gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat ten tijde van het verzoek al geruime tijd was verstreken sinds de overtreding en kort na het verzoek het normoverdragend gesprek heeft plaatsgevonden dat er toe heeft geleid dat de korpschef een nieuw systeem is gaan gebruiken voor interne onderzoeken naar politiefunctionarissen dat in een automatische vastlegging van handelingen voorziet, waardoor een overtreding van de protocolplicht niet meer kan plaatsvinden. In de enkele stelling van [appellant] dat nog steeds op grote schaal overtredingen van de protocolplicht plaatsvinden bestaat onvoldoende aanleiding hetgeen de AP over Visionwaves heeft verklaard in twijfel te trekken.

10.9.     Op grond van hetgeen onder 10.4. tot en met 10.8. is overwogen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de AP in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opleggen van een boete op grond van de overtreding van de protocolplicht, die is opgenomen in artikel 32, eerste lid, onder f, van de Wpg.

10.10.    Het betoog faalt.

Artikel 32, eerste lid, onder g, van de Wpg

11.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de AP kon afzien van het opleggen van een boete aan de korpschef wegens overtreding van artikel 32, eerste lid, onder g, van de Wpg.

11.1.    Artikel 32, eerste lid, onder g, in verbinding met artikel 1, aanhef en onder f, ten 1˚, van de Wpg luidt:

"De korpschef draagt zorg voor de schriftelijke vastlegging van verwerkingen ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat zij door onbevoegden of anderszins onrechtmatig zijn verricht."

11.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de voorbeelden die [appellant] heeft genoemd niet zijn aan te merken als verwerkingen van politiegegevens die door onbevoegden of anderszins onrechtmatig zijn verricht. Daartoe wordt het volgende overwogen.

    [appellant] heeft allereerst als voorbeeld genoemd dat het hem betreffende strafrechtelijk onderzoeksrapport is verstrekt ten behoeve van het disciplinair onderzoek, terwijl dat geen politiegegeven is. Ook heeft hij als voorbeeld genoemd dat de persoon die het strafrechtelijk onderzoeksrapport heeft verstrekt ten behoeve van het disciplinair onderzoek daartoe niet bevoegd was. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn onder 2. genoemde uitspraak van 30 maart 2017, in navolging van de rechtbank, geoordeeld dat het strafrechtelijk onderzoeksrapport dat werd gebruikt ten behoeve van het disciplinair onderzoek als politiegegeven in de zin van de Wet politiegegevens moet worden beschouwd en dat de korpschef die politiegegevens aan het disciplinair ontslag van [appellant] ten grondslag mocht leggen. De Afdeling ziet geen aanleiding hierover in deze zaak tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat in zoverre sprake is van overtreding van artikel 32, eerste lid, onder g, van de Wpg.

    [appellant] heeft ook als voorbeeld genoemd dat de AP op grond van artikel 35, vierde lid, van de Wpg ten onrechte niet voorafgaand aan de verstrekking van hem betreffende politiegegevens is gehoord.

Artikel 35, vierde lid, van de Wpg luidt:

"Het College bescherming persoonsgegevens wordt gehoord over de voorgenomen verwerking van politiegegevens, die in een nieuw bestand zullen worden opgenomen, wanneer deze verwerking de gegevens betreft, bedoeld in artikel 5, of wanneer de aard van de verwerking, in het bijzonder met gebruikmaking van nieuwe technologieën, mechanismen of procedures, specifieke risico’s met zich meebrengt voor de fundamentele rechten van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer."     

De verplichting tot het horen van de AP is dus slechts aan de orde indien politiegegevens in een nieuw bestand worden opgenomen. Gelet op artikel 1, aanhef en onder p, van de Wpg, dat het begrip "bestand" definieert als: "elk gestructureerd geheel van politiegegevens […] dat […] betrekking heeft op verschillende personen" heeft zich met de verstrekking van het strafrechtelijk onderzoeksdossier ten behoeve van het disciplinair onderzoek geen verwerking als bedoeld in artikel 35, vierde lid, voorgedaan. Het strafrechtelijk onderzoeksdossier is niet aan te merken als een gestructureerd geheel van politiegegevens dat betrekking heeft op verschillende personen. De korpschef was reeds daarom niet gehouden de AP voorafgaande aan de verstrekking van het strafrechtelijk onderzoeksdossier op grond van artikel 35 van de Wpg te horen. Ook in zoverre heeft dus geen overtreding van artikel 32, eerste lid, onder g, van de Wpg plaatsgevonden.

11.3.    Gelet op hetgeen is overwogen onder 11.2. heeft de rechtbank terecht overwogen dat de AP kon afzien van het opleggen van een boete aan de korpschef op grond van artikel 32, eerste lid, onder g, van de Wpg, nu niet aannemelijk is geworden dat die bepaling is overtreden.

11.4.    Het betoog faalt.

Artikel 4, tweede en derde lid, van de Wpg

12.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de AP kon afzien van het opleggen van een boete voor overtredingen met betrekking tot verwerkingen van politiegegevens die niet op grond van artikel 35, derde lid, van de Wpg beboet kunnen worden.

12.1.    Het artikel van de Wpg dat bepaalt voor welke overtredingen met betrekking tot verwerkingen van politiegegevens boetes kunnen worden opgelegd is artikel 35, derde lid, van de Wpg. Het artikel luidt:

"Indien de verantwoordelijke handelt in strijd met hetgeen is bepaald bij of krachtens artikel 32, kan het College hem een boete opleggen."

12.2.    Artikel 5:2 van de Awb, eerst lid, aanhef en onder c, luidt: "In deze wet wordt verstaan onder: bestraffende sanctie: een bestuurlijke sanctie voor zover deze beoogt de overtreder leed toe te voegen."

    Artikel 5:4 van de Awb luidt:

"1.    De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend.

2.    Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven."

    Artikel 5:40, eerste lid, van de Awb luidt:

"Onder bestuurlijke boete wordt verstaan: de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom."

12.3.    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de AP terecht geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van [appellant] om boetes op te leggen op grond van schending van artikel 4, tweede en derde lid, van de Wpg, reeds omdat artikel 35, derde lid, van de Wpg artikel 4, tweede en derde lid, van de Wpg niet noemt. Zij heeft, gelet op de onder 12.2. opgenomen bepalingen uit de Awb, terecht overwogen dat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete slechts bestaat voor zover zij bij of krachtens de Wpg is verleend. Daarvan is geen sprake bij schendingen van artikel 4, tweede en derde lid, van de Wpg.

12.4.    Anders dan [appellant] betoogt was de AP ook niet gehouden een boete wegens schendingen van artikel 4, tweede en derde lid, van de Wpg op te leggen - nog daargelaten of de korpschef die bepalingen jegens [appellant] heeft geschonden - op grond van artikel 24 van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995 L 281, hierna: de Privacyrichtlijn). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1852, is de Privacyrichtlijn niet van toepassing op de verwerking van politiegegevens.

12.5.    Reeds omdat het voor een uitspraak in deze zaak in zoverre derhalve niet noodzakelijk is een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen (zie het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit; ECLI:EU:C:1982:335, punt 10), wordt het verzoek daartoe afgewezen. Ook de rechtbank behoefde op dit punt derhalve geen prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie.

12.6.    Uit het arrest van het EHRM van 10 september 2011, Ullens de Schooten en Rezabek tegen België, nrs. 3989/07 en 3853/07, punten 59 en 60 (www.echr.coe.int) kan worden afgeleid dat de rechter, ook als deze niet verplicht is een prejudiciële vraag te stellen, de weigering om een zodanige vraag te stellen moet motiveren aan de hand van de toepasselijke normen op grond waarvan van het stellen van een prejudiciële vraag kan worden afgezien. De rechtbank heeft dat niet gedaan, zodat de daartoe strekkende klacht terecht is voorgedragen. Deze klacht leidt evenwel niet tot het daarmee beoogde doel, gelet op hetgeen onder 12.5. is overwogen.

12.7.    Het betoog faalt.

Bestuurlijke lus

13.    [appellant] betoogt dat de rechtbank in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid de AP in staat te stellen een gebrek in het besluit van 4 september 2015 te herstellen. [appellant] heeft dit betoog zeer uitvoerig en grotendeels in algemene zin beargumenteerd. Ter zitting heeft hij desgevraagd te kennen gegeven dat zijn betoog er in de kern op neerkomt dat er geen sprake is geweest van processuele gelijkheid, omdat de rechtbank de AP wel en hem niet in staat heeft gesteld een hernieuwde motivering te geven. Hij acht dit in strijd met artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

13.1.    Artikel 8:51a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb luidt:

"De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen."

Deze bepaling ziet op de zogenoemde bestuurlijke lus. Zoals ook blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling verschaft de bestuurlijke lus het bestuursorgaan geen bevoegdheden en kan de toepassing daarvan niet leiden tot een besluit dat het bestuursorgaan zonder de bestuurlijke lus niet had kunnen nemen. De bestuurlijke lus verschaft het bestuursorgaan niet meer bevoegdheden dan het zou hebben na vernietiging van zijn besluit. Het moment van uitoefenen van die bevoegdheden wordt slechts verplaatst. De enige "bescherming" die verdwijnt is de schijn dat een vernietiging op formele gronden leidt tot een besluit dat tegemoet komt aan de verlangens van de eisende partij (Kamerstukken II 2007/2008, 31 352, nr. 4, blz. 2). Anders dan de Vlaamse bestuurlijke lus die aan de orde was in de door [appellant] genoemde uitspraak van het Grondwettelijk Hof van België van 8 mei 2014 (ECLI:NL:XX:2014:503), ligt aan de in artikel 8:51a van de Awb opgenomen regeling betreffende de bestuurlijke lus niet de aanname ten grondslag dat het nieuw te nemen besluit niet vernietigd kan worden.

13.2.    Artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie luidt:

"Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen."

    Artikel 51 van het Handvest luidt:

"1. De bepalingen van dit handvest zijn gericht tot de instellingen en organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.

2. Dit handvest schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Gemeenschap en voor de Unie en wijzigt de in de verdragen neergelegde bevoegdheden en taken niet."

13.3.    [appellant] heeft de AP verzocht de korpschef boetes op te leggen wegens overtreding van bepalingen uit de Wpg. In artikel 35, derde lid, van de Wpg staat voor welke overtredingen een boete kan worden opgelegd.

Artikel 24 van het Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken luidt: "De lidstaten nemen passende maatregelen om de volledige toepassing van de bepalingen van dit kaderbesluit te garanderen , en stellen in het bijzonder doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties vast, die worden opgelegd in geval van inbreuk op de krachtens dit kaderbesluit vastgestelde voorschriften."

Voor zover in artikel 35 van de Wpg uitvoering is gegeven aan artikel 24 van het Kaderbesluit (Kamerstukken II 2010/2011, 32 554, nr.3) en voor zover als gevolg daarvan het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht, en het Handvest krachtens artikel 51, eerste lid, daarvan in dit geval van toepassing is, wordt het volgende overwogen.

13.4.    Er bestaat geen aanleiding te oordelen dat de rechters van de rechtbank, zoals [appellant] aanvoert, in strijd met artikel 47 van het Handvest niet integer hebben gehandeld dan wel niet onpartijdig zijn geweest. Ook dit betoog heeft [appellant] zeer uitvoerig beargumenteerd. In de kern komt dit betoog er op neer dat [appellant] zich niet kan verenigen met de motivering van de aangevallen uitspraak. Dat de rechtbank een uitspraak heeft gedaan die [appellant] onwelgevallig is, betekent niet dat de rechters niet integer hebben gehandeld dan wel niet onpartijdig zijn geweest. Reeds omdat het voor een uitspraak in deze zaak op dit punt derhalve niet noodzakelijk is een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen, wordt het verzoek daartoe afgewezen. Het betoog faalt.

13.5.    Er bestaat evenmin aanleiding te oordelen dat de rechtbank [appellant] in strijd met artikel 47 van het Handvest geen doeltreffende voorziening in rechte heeft geboden. De omstandigheid dat de rechtbank gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid de bestuurlijke lus toe te passen betekent niet dat sprake is geweest van processuele ongelijkheid, zoals [appellant] betoogt. Het oordeel van de rechtbank in haar uitspraak dat [appellant] bepaalde aspecten onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt vloeit voort uit het feit dat hij heeft nagelaten een begin van bewijs te leveren van die aspecten. De omstandigheid dat de rechtbank deze algemeen geldende bestuursrechtelijke bewijsregel heeft toegepast maakt niet dat [appellant] om die reden geen eerlijke behandeling van zijn zaak heeft gekregen. [appellant] heeft een beroepschrift en andere stukken bij de rechtbank kunnen indienen, waarin hij zijn visie op het besluit van 4 september 2015 heeft kunnen geven. Op 11 maart 2016 heeft een openbare zitting plaatsgevonden waarbij een inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden en [appellant] is, overeenkomstig artikel 8:57, tweede lid, van de Awb, in staat gesteld zijn zienswijze te geven over de wijze waarop de AP het gebrek had hersteld. Aan hem is daarom een redelijke mogelijkheid geboden zijn zaak onder zodanige omstandigheden voor te dragen dat hij ten opzichte van de AP niet wezenlijk is benadeeld. Dit is overeenkomstig de eisen die het Hof van Justitie heeft geformuleerd in het door [appellant] genoemde arrest van 17 juli 2014. In dat arrest, Sanchez Morcillo en Abril Garda, ECLI:EU:C:2014:2099, heeft het Hof geoordeeld (onder punt 49) dat blijkens zijn vaste jurisprudentie het beginsel van processuele gelijkheid van partijen, dat een uitvloeisel is van het recht op een eerlijk proces, inhoudt dat elke partij een redelijke mogelijkheid moet worden geboden om haar zaak onder zodanige omstandigheden voor te dragen dat zij ten opzichte van de tegenpartij niet wezenlijk wordt benadeeld.

    Er bestaat gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, geen aanleiding tot het stellen van de door [appellant] gesuggereerde prejudiciële vraag, aangezien de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof.

13.6.    Gelet op hetgeen onder 13.1. tot en met 13.5. is overwogen bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet in redelijkheid van haar bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken de bestuurlijke lus toe te passen.

13.7.    Het betoog faalt.

Onafhankelijke toezichthouder

14.    [appellant] betoogt onder verwijzing naar artikel 28 van de Privacyrichtlijn en de twee onder 14.4. en 14.5. genoemde arresten van het Hof van Justitie dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de AP geen onafhankelijke toezichthouder is.

14.1.    Artikel 28, eerste lid, van de Privacyrichtlijn luidt:

"Elke Lid-Staat bepaalt dat een of meer autoriteiten worden belast met het toezicht op de toepassing op zijn grondgebied van de ter uitvoering van deze richtlijn door de Lid-Staten vastgestelde bepalingen. Deze autoriteiten vervullen de hun opgedragen taken in volledige onafhankelijkheid. […]."

14.2.    Artikel 51 van de Wbp luidt:

"1 Er is een College bescherming persoonsgegevens dat tot taak heeft toe te zien op de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig het bij en krachtens de wet bepaalde. Tevens houdt het College toezicht op de verwerking van persoonsgegevens in Nederland, wanneer de verwerking plaatsvindt overeenkomstig het recht van een ander land van de Europese Unie.

2. Het College wordt om advies gevraagd over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur die geheel of voor een belangrijk deel betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens.

3 De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op het College, behoudens de in deze wet genoemde uitzonderingen.

4 Het College wordt in het maatschappelijk verkeer aangeduid als: Autoriteit persoonsgegevens."

14.3.    Artikel 28, eerste lid, is geïmplementeerd in artikel 51, eerste lid, van de Wbp. Deze implementatie is naar het oordeel van de Afdeling op volledige en juiste wijze geschied. Op grond van het beginsel van Unietrouw, als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bestaat de plicht om dit artikel in overeenstemming met de Privacyrichtlijn uit te leggen en rekening te houden met het doel van de Privacyrichtlijn.

14.4.     Het Hof van Justitie heeft in het arrest van 9 maart 2010, Commissie/Duitsland, ECLI:EU:C:2013:670, als volgt overwogen:

"30    Gelet op al het voorgaande dient artikel 28, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 95/46 aldus te worden uitgelegd dat de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de verwerking van persoonsgegevens […] een onafhankelijkheid moeten genieten die hen in staat stelt om hun taken zonder beïnvloeding van buitenaf te vervullen. Deze onafhankelijkheid sluit niet enkel elke beïnvloeding door de organen waarop toezicht wordt uitgeoefend, uit, maar ook elk bevel of elke andere beïnvloeding van buitenaf, zij het rechtstreeks of indirect, die de vervulling door deze autoriteiten van hun taak, een juist evenwicht tussen de bescherming van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het vrije verkeer van persoonsgegevens te vinden, in het gedrang zou kunnen brengen."

14.5.     Het Hof heeft in het arrest van 16 oktober 2012, Commissie/Oostenrijk, ECLI:EU:C:2012:631, als volgt overwogen:

"41    Het Hof heeft in genoemd arrest Commissie/Duitsland (punt 30) reeds geoordeeld dat de woorden „in volledige onafhankelijkheid" in artikel 28, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 95/46 in die zin moesten worden uitgelegd dat de autoriteiten die toezicht houden op de verwerking van persoonsgegevens, een onafhankelijkheid moeten genieten die hen in staat stelt om hun taken zonder beïnvloeding van buitenaf te vervullen. Het Hof heeft in datzelfde arrest gepreciseerd dat die autoriteiten vrij moeten zijn van elke - rechtstreekse of indirecte - beïnvloeding van buitenaf die hun beslissingen zou kunnen sturen (zie in die zin arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punten 19, 25, 30 en 50)."

14.6.    De AP is een zelfstandig bestuursorgaan. De wettelijke bepalingen die van belang zijn voor de onafhankelijkheid van de AP luiden als volgt:

Wbp

Artikel 52

1. […]

2 Het College vervult zijn taken in onafhankelijkheid.

Artikel 53

1 Het College bestaat uit een voorzitter en ten hoogste twee andere leden. […]

2 De voorzitter moet voldoen aan de bij of krachtens artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren gestelde vereisten voor benoembaarheid tot rechter in een rechtbank.

3 De voorzitter, de andere leden en de buitengewone leden worden bij koninklijk besluit, benoemd voor een tijdvak van vijf jaar. De leden kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een tijdvak van vijf jaar. Op eigen verzoek worden zij door Onze Minister ontslagen. Artikel 12 van de Kaderwet is niet van toepassing.

4 […]

Artikel 54

De artikelen 46c, 46d, tweede lid, 46f, 46g, 46i, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste en derde lid, 46m, 46n, 46o en 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a. de disciplinaire maatregel als bedoeld in artikel 46c, eerste lid, ten aanzien van de leden van het College door de voorzitter van het College wordt opgelegd;

b. het in artikel 46c, eerste lid, onderdeel b, genoemde verbod zich in een onderhoud of een gesprek in te laten met partijen of haar advocaten of gemachtigden of een bijzondere inlichting of schriftelijk stuk van hen aan te nemen niet op de leden van het College van toepassing is.

Artikel 12, tweede lid, van de Kaderwet is niet van toepassing.

Artikel 56

1 Het College heeft een secretariaat, waarvan de ambtenaren door Onze Minister, op voordracht van de voorzitter, worden benoemd, geschorst en ontslagen.

2 De voorzitter geeft leiding aan de werkzaamheden van het College en van het secretariaat.

3 Het College stelt een bestuursreglement vast. Dit bevat in ieder geval regels over het financiële beheer en de administratieve organisatie, alsmede over werkwijzen en procedures met het oog op een goede en zorgvuldige uitoefening van de verschillende taken. Daarbij wordt voorzien in waarborgen tegen vermenging van de toezichthoudende, adviserende en sanctionerende taak van het College. Tevens kan het een nadere regeling geven van de Raad van advies, als bedoeld in artikel 53, vierde lid.

Artikel 59a

1 De artikelen 21 en 22 van de Kaderwet zijn niet van toepassing op het College.

2  Artikel 23 van de Kaderwet vindt slechts toepassing ten aanzien van het door het College gevoerde financiële beheer en de administratieve organisatie.

Kaderwet zelfstandige bestuursorganen

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

a. zelfstandig bestuursorgaan: een bestuursorgaan van de centrale overheid dat bij de wet, krachtens de wet bij algemene maatregel van bestuur of krachtens de wet bij ministeriële regeling met openbaar gezag is bekleed, en dat niet hiërarchisch ondergeschikt is aan een minister;

[…]

Artikel 9

Een lid van een zelfstandig bestuursorgaan kan niet tevens zijn een aan Onze Minister ondergeschikte ambtenaar.

Artikel 12

1 Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van een zelfstandig bestuursorgaan.

2 Schorsing en ontslag vindt slechts plaats wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie dan wel wegens andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen. Ontslag vindt voorts plaats op eigen verzoek.

Artikel 16

Het personeel dat werkzaam is ten behoeve van een zelfstandig bestuursorgaan staat onder het gezag van het zelfstandig bestuursorgaan en legt over werkzaamheden uitsluitend daaraan verantwoording af.

Artikel 20

1 Een zelfstandig bestuursorgaan verstrekt desgevraagd aan Onze Minister alle voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

2 Een zelfstandig bestuursorgaan geeft bij het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen waar nodig aan welke gegevens een vertrouwelijk karakter dragen. Dit vertrouwelijke karakter kan voortvloeien uit de aard van de gegevens, dan wel uit het feit dat natuurlijke of rechtspersonen deze aan het zelfstandig bestuursorgaan hebben verstrekt onder het beding dat zij als vertrouwelijk zullen gelden.

Artikel 21

1 Onze Minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de taakuitoefening door een zelfstandig bestuursorgaan.

2 […]

Artikel 22

1 Onze Minister kan een besluit van een zelfstandig bestuursorgaan vernietigen.

2 […]

Artikel 23

1 Indien naar het oordeel van Onze Minister een zelfstandig bestuursorgaan zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen.

2 De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat het zelfstandig bestuursorgaan in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.

3 Onze Minister stelt beide kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.

14.7.    Uit deze bepalingen van de Wbp en de Kaderwet blijkt naar het oordeel van de Afdeling dat de AP voldoet aan de door het Hof geformuleerde onafhankelijkheidseisen, zoals die hiervoor onder 14.4. en 14.5. zijn uiteengezet. Naar het oordeel van de Afdeling wordt met deze wettelijke bepalingen gegarandeerd dat de AP een onafhankelijkheid geniet die haar in staat stelt haar taak zonder beïnvloeding van buitenaf te vervullen. De AP is aldus vrij van elke - rechtstreekse of indirecte - beïnvloeding van buitenaf die haar beslissingen zou kunnen sturen. Daarbij is van belang dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Kaderwet blijkt dat de inlichtingenplicht die is opgenomen in artikel 20 van die wet alleen ziet op de beheersmatige taak van de AP (Kamerstukken II 2012/13, 33 554, nr.6, blz. 6). Verder is daarbij van belang dat uit de Wbp noch de Kaderwet volgt dat de minister noch enig ander bestuursorgaan de AP aanwijzingen mag geven over het al dan niet nemen van handhavingsbesluiten of het voeren van handhavingsbeleid.

14.8.     Er bestaat gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, geen aanleiding tot het stellen van de door [appellant] gesuggereerde prejudiciële vragen, aangezien deze kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof.

14.9.    Gelet op hetgeen is overwogen onder 14.7. ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de AP geen onafhankelijke toezichthouder is.

14.10.    Het betoog faalt.

Proceskostenveroordeling

15.    [appellant] betoogt dat de proceskostenveroordeling die de rechtbank heeft uitgesproken onjuist is. Hij voert daartoe aan dat aanleiding bestond de AP te veroordelen in de werkelijk gemaakte kosten. Indien al van een forfaitair bedrag uitgegaan zou moeten worden, dan had dat gebaseerd moeten worden op drie proceshandelingen en een waarde per punt op grond van het in het jaar 2016 geldende bedrag van € 496,00.

15.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2606, kan de vergoeding van de kosten in de beroepsprocedure slechts met toepassing van artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) plaatsvinden. In artikel 1 van het Bpb is een limitatieve opsomming gegeven van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Het bedrag van de kosten wordt forfaitair vastgesteld op grond van artikel 2 van het Bpb en de bijlage bij het Bpb. Indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, kan op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb van dit forfaitaire stelsel worden afgeweken. Blijkens de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763) moet het daarbij gaan om uitzonderlijke gevallen, waarin strikte toepassing van dit forfaitaire stelsel onrechtvaardig uitpakt, bijvoorbeeld een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding te oordelen dat zich hier een dergelijk uitzonderlijk geval voordoet. Niet is gebleken dat de AP [appellant] onnodig op uitzonderlijk hoge kosten heeft gejaagd, zodat geen grond bestaat om de kosten van rechtsbijstand vast te stellen op een hoger bedrag dan het forfaitaire tarief.

15.2.    Wat betreft de stelling dat sprake was van drie proceshandelingen, namelijk: het indienen van een beroepschrift, het indienen van een schriftelijke zienswijze na de bestuurlijke lus en het verschijnen op de zitting, overweegt de Afdeling het volgende.

    Uit de bijlage bij het Bpb blijkt dat voor het indienen van een beroepschrift 1 punt diende te worden toekend en voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus 0,5 punt. Ter zitting is [appellant] noch zijn gemachtigde verschenen. Dit betekent dat de rechtbank terecht 1,5 punt heeft vergoed. De waarde per punt is per 1 januari 2017 € 495,00, op grond van het overgangsrecht dat is opgenomen in de Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 2 december 2016, nr. 2021822, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken, Stcrt. 13 december 2016, nr. 67519. Op grond van dat overgangsrecht geldt de nieuwe waarde per punt van € 495,00 indien de bestuursrechter na 31 december 2016 zelf een kostenvergoeding vaststelt, ook voor zover de kostenvergoeding betrekking heeft op een eerdere fase van de procedure. Dit betekent dat de rechtbank de proceskostenvergoeding terecht heeft vastgesteld op € 742,50.

15.3.    Er bestaat gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, geen aanleiding tot het stellen van de door [appellant] gesuggereerde prejudiciële vraag aangezien beantwoording van de opgeworpen vraag niet noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil.

15.4.    Het betoog faalt.

Artikel 5:45, eerste en derde lid, van de Awb

16.    [appellant] betoogt dat artikel 5:45, eerste en derde lid, van de Awb in strijd is met het Unierecht en verzoekt de Afdeling daarom prejudiciële vragen te stellen.

16.1.    Artikel 5:45 van de Awb luidt:

"1 Indien artikel 5:53 van toepassing is, vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.

2 In de overige gevallen vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete drie jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.

3 Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist."

16.2.    Beantwoording van de onder 16 opgenomen rechtsvraag is alleen relevant indien een boete zou zijn of had moeten worden opgelegd. Gelet op hetgeen is overwogen onder 10.9., 11.3., 12.3 en 12.4 is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de AP in redelijkheid heeft kunnen afzien van het aan de korpschef opleggen van de door [appellant] gewenste boetes. Reeds omdat het voor een uitspraak in deze zaak op dit punt derhalve niet noodzakelijk is prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen wordt het verzoek daartoe afgewezen.

16.3.    Het betoog faalt.

Conclusie

17.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

18.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Neuwahl

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018

280.