Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1440

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201705542/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2017 heeft het college zijn beslissing om op 3 april 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/491
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705542/1/A1.

Datum uitspraak: 2 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2017 heeft het college zijn beslissing om op 3 april 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 6 juni 2017 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.M.C. van der Helm, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een plastic tas die op 3 april 2017 op de Van Ostadestraat ter hoogte van nummer 2 is aangetroffen naast de daar aanwezige ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC). Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de plastic tas in strijd met de Afvalstoffenverordening ter inzameling heeft aangeboden, omdat in de plastic tas een adresdrager is aangetroffen met daarop de naam- en adresgegevens van [appellant].

2.    [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Daartoe voert hij aan dat hij het in de plastic tas aangetroffen poststuk niet heeft ontvangen. Hij vermoedt dat het poststuk, het vakblad APK Keurmeester, onjuist is bezorgd, omdat het poststuk ongeopend is aangetroffen en hij dit vakblad naar eigen zeggen altijd leest en bewaart. Verder voert hij aan dat het onlogisch is dat hij de plastic tas op ruime afstand van zijn woning zou aanbieden, terwijl het huisvuil op zijn adres wekelijks huis-aan-huis wordt ingezameld.

2.1.    Artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

    Artikel 5:25, eerste lid, luidt: "De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."

    Artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening luidt: "Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt."

    Artikel 9, eerste lid, luidt: "Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid, een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot."

2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:302, zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie een aangetroffen afvalstof kan worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

2.3.    Vaststaat dat op 3 april 2017 naast een ORAC op de Van Ostadestraat ter hoogte van nummer 2 een plastic tas is aangetroffen met daarin een adresdrager met de naam- en adresgegevens van [appellant]. De plastic tas kan derhalve tot hem worden herleid, zodat het college ervan mocht uitgaan dat hij de overtreder is, tenzij [appellant] aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die de plastic tas in strijd met de Afvalstoffenverordening heeft aangeboden.

    Niet in geschil is dat de loopafstand van de woning van [appellant] tot de locatie waar de plastic tas is aangetroffen ongeveer 900 m bedraagt. Evenmin is in geschil dat huishoudelijke afvalstoffen op het adres van [appellant] wekelijks huis-aan-huis worden ingezameld. Het aangetroffen poststuk betreft een vakblad. Gebleken is dat [appellant] dit vakblad leest en bewaart. Gelet op deze omstandigheden en in aanmerking genomen dat het poststuk ongeopend is aangetroffen, is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk dat [appellant] de plastic tas waarin het poststuk is aangetroffen bij de ORAC op de Van Ostadestraat heeft neergezet. Het college heeft hem dan ook ten onrechte als overtreder aangemerkt en ten onrechte een gedeelte van de kosten van de toepassing van de spoedeisende bestuursdwang op hem verhaald.    

    Het betoog slaagt.

3.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 6 juni 2017 dient te worden vernietigd. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 5 april 2017 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

    Het voorgaande betekent dat [appellant] de kosten voor het opruimen van de plastic tas niet hoeft te betalen.

4.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 6 juni 2017, kenmerk B.4.17.1072.001 / BZW0000006458;

III.    herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 5 april 2017, kenmerk 01465W2A17;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 46,00 (zegge: zesenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018

457-855.