Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1437

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201706361/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:1919, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 3 maart 2015 (hierna: de brief van 3 maart 2015) heeft de staatssecretaris [de vreemdeling] meegedeeld dat hij wordt voorgedragen voor naturalisatie bij de Koning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/207
JV 2018/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706361/1/V6.

Datum uitspraak: 2 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2017 en haar uitspraak van 11 juli 2017, beide in zaak nr. 15/5066, in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij brief van 3 maart 2015 (hierna: de brief van 3 maart 2015) heeft de staatssecretaris [de vreemdeling] meegedeeld dat hij wordt voorgedragen voor naturalisatie bij de Koning.

Bij besluit van 2 juli 2015 (hierna: het besluit van 2 juli 2015) heeft de staatssecretaris het daartegen door [de vreemdeling] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij tussenuitspraak van 15 maart 2017 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld het in die uitspraak geconstateerde gebrek te herstellen.

Bij brief van 31 maart 2017 heeft de staatssecretaris op deze tussenuitspraak gereageerd.

Bij uitspraak van 11 juli 2017 heeft de rechtbank het door [de vreemdeling] tegen het besluit van 2 juli 2015 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak en [de vreemdeling] een schadevergoeding van € 500,00 toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen voormelde uitspraken heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

[de vreemdeling] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2018, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Klis, en [de vreemdeling], vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Nadat de staatssecretaris [de vreemdeling] in de brief van 3 maart 2015 heeft meegedeeld dat hij wordt voorgedragen voor naturalisatie bij de Koning, is bij koninklijk besluit van 16 april 2015 aan [de vreemdeling] het Nederlanderschap verleend. [de vreemdeling] heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 3 maart 2015, omdat hij vindt dat de leges die hij moest betalen bij de indiening van het naturalisatieverzoek onevenredig hoog zijn. Bij het besluit van 2 juli 2015 heeft de staatssecretaris dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 3 maart 2015 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), maar een informatieve brief, waartegen geen bezwaar openstaat. Als [de vreemdeling] het niet eens was met het betalen van leges, had hij dat volgens de staatssecretaris kenbaar moeten maken op het moment van indiening van zijn naturalisatieverzoek. Toen heeft hij immers een formulier ondertekend waarop hij kon aankruisen of hij bezwaar had tegen het betalen van leges. Dat heeft [de vreemdeling] niet gedaan.

Overwegingen van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft overwogen dat het in de rede ligt dat de indiener van een naturalisatieverzoek bezwaar maakt tegen legesheffing nadat duidelijk is geworden dat de staatssecretaris daar niet van afziet. Volgens de rechtbank ontstaat deze duidelijkheid op het moment dat de staatssecretaris het besluitvormingsproces over het naturalisatieverzoek afrondt, in dit geval met de schriftelijke mededeling aan [de vreemdeling] dat hij wordt voorgedragen voor naturalisatie bij de Koning. De brief van 3 maart 2015 is daarom een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, in elk geval voor zover daarin besloten ligt dat de staatssecretaris niet afziet van legesheffing. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6949 (hierna: de uitspraak van 2 september 2011). Bij tussenuitspraak van 15 maart 2017 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld het aldus geconstateerde gebrek in het besluit van 2 juli 2015 te herstellen. Nadat de staatssecretaris de rechtbank te kennen heeft gegeven niet bereid te zijn inhoudelijk te beslissen op het bezwaar tegen de brief van 3 maart 2015, heeft de rechtbank bij uitspraak van 11 juli 2017 het besluit van 2 juli 2015 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

    [de vreemdeling] heeft hangende zijn beroep bij de rechtbank een verzoek ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 juli 2017 vastgesteld dat zij in deze zaak een tussenuitspraak heeft gedaan vóór het einde van de redelijke termijn van twee jaar en dat zij na toepassing van de bestuurlijke lus met voldoende voortvarendheid een einduitspraak heeft gedaan. Gelet hierop heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:246 (hierna: de uitspraak van 1 februari 2017), overwogen dat de overschrijding van de redelijke termijn aan de staatssecretaris moet worden toegerekend en een schadevergoeding toegekend van € 500,00.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

3.    De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er in naturalisatiezaken een wettelijke mogelijkheid is om op te komen tegen legesheffing. [de vreemdeling] heeft van die mogelijkheid, neergelegd in artikel 13 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) en nader uitgewerkt in lagere regelgeving, geen gebruik gemaakt. Gelet hierop en nu de brief van 3 maart 2015 informatief van aard is en geen beslissing bevat over legesheffing, heeft de rechtbank niet onderkend dat hij het daartegen gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris ten onrechte steun gevonden voor haar oordeel in de uitspraak van 2 september 2011. Die uitspraak heeft betrekking op een vreemdelingenzaak. Het vreemdelingenrecht kent geen wettelijke regeling over het aanwenden van rechtsmiddelen tegen legesheffing, terwijl dat bij het naturalisatierecht wel het geval is.

3.1.    Artikel 13, eerste lid, van de RWN luidt: 'Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het recht dat verschuldigd is voor het afleggen en de behandeling van de verklaring van optie en van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap, de gevallen en de mate waarin daarvan ontheffing kan worden verleend en de wijze waarop het moet worden voldaan.'

    Artikel 34, tweede lid, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: het BvvN) luidt: 'Alvorens het naturalisatieverzoek in behandeling genomen wordt, onderzoekt de burgemeester de betalingsverplichting van de verzoeker overeenkomstig het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002. Tenzij de verzoeker voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt, betaalt hij bij de indiening van zijn verzoek het volgens het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 verschuldigde naturalisatiegeld.'

3.2.    De brief van 3 maart 2015 bevat de mededeling dat [de vreemdeling] wordt voorgedragen voor naturalisatie bij de Koning. Met die mededeling is niet op het naturalisatieverzoek van [de vreemdeling] beslist. Die beslissing moest immers nog volgen. Dat volgt ook uit de mededeling in de brief van 3 maart 2015 dat [de vreemdeling] binnen twaalf weken een beslissing op zijn naturalisatieverzoek kan verwachten. Mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen bevat deze brief ook geen beslissing over het al dan niet afzien van legesheffing. Dit betekent dat de brief van 3 maart 2015 niet op enig rechtsgevolg is gericht.  De staatssecretaris betoogt dus terecht dat deze brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar open stond.

    De staatssecretaris betoogt terecht dat [de vreemdeling] zijn bezwaren tegen de legesheffing eerder, bij de indiening van zijn naturalisatieverzoek naar voren had moeten brengen. Uit het formulier 'Verklaring 'Ingelicht over betaling van naturalisatiegelden' tevens inverzuimstelling' blijkt ook dat hij op dat moment in de gelegenheid is gesteld een verzoek om ontheffing van betaling van leges in te dienen. Deze handelwijze is in overeenstemming met de in 3.1 weergegeven bepalingen in de RWN en het BvvN. In deze regelgeving is aldus een afzonderlijke regeling opgenomen met betrekking tot het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de heffing en hoogte van leges. Zie in dezelfde zin de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY3731, waarin is overwogen dat de betaling van leges geen nadelig gevolg is van het besluit op bezwaar betreffende de afwijzing van het naturalisatieverzoek, maar voortvloeit uit de wet. De staatssecretaris wijst er terecht op dat het naturalisatierecht in dit opzicht verschilt van het vreemdelingenrecht, waarin de manier waarop een vreemdeling bezwaar kan maken tegen legesheffing niet wettelijk is geregeld. [de vreemdeling] heeft in reactie hierop verwezen naar artikel 3.34a, sub j, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Die bepaling bevat echter geen algemene regeling over ontheffing van leges. Dat de Afdeling in de uitspraak van 2 september 2011 heeft geoordeeld dat het voldoen van leges een voorwaarde is voor het in behandeling nemen van de door de desbetreffende vreemdeling ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning en als zodanig deel uitmaakt van het besluit op die aanvraag, is gelet op het voorgaande niet van betekenis voor de voorliggende zaak.

    De slotsom is dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris het bezwaar tegen de brief van 3 maart 2015 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

    Het betoog slaagt.

4.    De staatssecretaris betoogt verder dat de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte aan hem heeft toegerekend. Hij voert daartoe aan dat de uitspraak van 1 februari 2017 ziet op een zaak waarin de redelijke termijn was overschreden nadat de Afdeling de bestuurlijke lus had toegepast wegens een aantal gebreken in het desbetreffende besluit. In dat geval is de overschrijding van de redelijke termijn aan het bestuursorgaan toe te rekenen. Volgens de staatssecretaris ligt in dit geval echter geen gebrekkig besluit voor, gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd over de aard van de brief van 3 maart 2015. Verder is de rechtbank ten onrechte niet ingegaan op de vraag of de procedure in dit geval tot zodanige spanning en frustratie heeft geleid, dat aanleiding bestaat een schadevergoeding toe te kennen. De staatssecretaris wijst er hierbij op dat [de vreemdeling] op het moment van indienen van zijn naturalisatieverzoek heeft berust in het betalen van leges en hij tijdig duidelijkheid heeft gekregen over de vraag of hij voor naturalisatie in aanmerking kwam.

4.1.    [de vreemdeling] heeft na indiening van zijn naturalisatieverzoek op 17 september 2014 binnen afzienbare tijd, dat wil zeggen bij brief van 3 maart 2015, vernomen dat hij zou worden voorgedragen voor naturalisatie bij de Koning. Kort daarna, op 16 april 2015, is hij genaturaliseerd. Op dat moment is definitief een einde gekomen aan de onzekerheid over de vraag of [de vreemdeling] Nederlander zou worden. Hij heeft vervolgens uitsluitend over de verschuldigdheid van leges in onzekerheid verkeerd. Daar komt bij dat [de vreemdeling] aanvankelijk heeft berust in het betalen daarvan. Er zijn dus geen aanwijzingen dat hij de leges niet kon betalen. Gelet hierop heeft de rechtbank niet onderkend dat er in dit geval geen aanleiding is voor een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4607. Reeds hierom slaagt het betoog van de staatssecretaris. Hetgeen hij heeft aangevoerd over de toerekening van de overschrijding van de redelijke termijn, behoeft geen bespreking.

In het incidenteel hoger beroep van [de vreemdeling]

5.    [de vreemdeling] betoogt dat de rechtbank een hogere proceskostenveroordeling had moeten vaststellen dan zij heeft gedaan. Reeds omdat uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd met inbegrip van de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling en de Afdeling geen aanleiding zal zien de staatssecretaris te veroordelen in de in eerste aanleg door [de vreemdeling] gemaakte proceskosten, faalt dit betoog.

Conclusie

6.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van [de vreemdeling] is ongegrond. De aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd. Hetgeen de staatssecretaris voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidend beroep alsnog ongegrond verklaren.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gegrond;

II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van [de vreemdeling] ongegrond;

III.    vernietigt de tussenuitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2017 en haar uitspraak van 11 juli 2017, beide in zaak nr. 15/5066;

IV.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Oei

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018

670.