Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1416

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201706640/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:7148, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706640/1/V1.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 21 juli 2017 in zaak nr. NL17.584 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

Bij uitspraak van 21 juli 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.L.J.M. Wilhelmus, advocaat te Sittard, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling, geboren in 1996, is afkomstig uit Noord-Mali. In 2005 is hij met zijn moeder vertrokken naar Libië, waar zijn vader werkte. Hij heeft daar vijf jaar met zijn ouders gewoond. Na de dood van zijn vader is de vreemdeling alleen naar Europa vertrokken. In 2013 heeft hij in Nederland om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verzocht. Die aanvraag is afgewezen, waarbij hem ambtshalve met ingang van 22 januari 2013 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'alleenstaande minderjarige veemdeling' is verleend, geldig tot 9 oktober 2014, op welke dag hij meerderjarig werd. Tegen de weigering om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen heeft de vreemdeling beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft de aanvraag eerder afgewezen bij besluiten van 26 november 2013 onderscheidenlijk 10 december 2015. Deze besluiten zijn vernietigd. Bij het besluit van 12 januari 2017 heeft de staatssecretaris de aanvraag voor de derde maal afgewezen.

2.    De rechtbank heeft het besluit van 12 januari 2017 vernietigd omdat de staatssecretaris zijn standpunt dat van de vreemdeling in redelijkheid kan worden verwacht dat hij zich vestigt in Zuid-Mali, niet heeft gebaseerd op actuele informatie. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten omdat de door de staatssecretaris verschafte informatie onvoldoende is om te stellen dat de vreemdeling in Zuid-Mali een naar plaatselijke maatstaven normaal leven kan leiden. De enkele omstandigheid dat wordt voorzien in primaire levensbehoeften voor terugkeerders acht de rechtbank in het geval van de vreemdeling onvoldoende.

3.    Onderdeel C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 luidt:

"Binnenlands beschermingsalternatief

Bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling bescherming in Nederland nodig heeft tegen dreigende vervolging of daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw, beoordeelt de IND of de vreemdeling in het land van herkomst een beschermingsalternatief heeft om zich in een ander gebied in het land van herkomst aan deze dreiging te onttrekken.

(…)

De IND neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d VV voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a.    het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw óf toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c VV;

b.     de vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; en

c.     van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.

(…)

Ad c.

De bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen.

    De vreemdeling moet zich in het gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie.

    Dat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling is voor de IND onvoldoende reden om geen vlucht- of vestigingsalternatief tegen te werpen.

    De IND beoordeelt aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen of een vlucht- of vestigingsalternatief in de individuele zaak van de vreemdeling aanwezig is.

(…)"

4.    De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de rechtsgevolgen van het besluit van 12 januari 2017 in stand te laten. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank de door hem ter zitting en in het verweerschrift van 6 juli 2017 verschafte informatie te beperkt heeft opgevat.

4.1.    De staatssecretaris heeft in het door hem bij de rechtbank ingediende verweerschrift onder meer gewezen op het 'Country Report on Human Rights Practices for 2016' betreffende Mali van het U.S. Department of State. Daarin is vermeld dat het aantal binnenlandse ontheemden per 31 juli 2016 wordt geschat op 39.182, een afname met 37 procent ten opzichte van het voorgaande jaar. De regering van Mali werkt samen met de UNHCR en andere humanitaire organisaties bij het verlenen van humanitaire hulp aan ontheemden, vluchtelingen, asielzoekers en "other persons of concern". Binnenlandse ontheemden wonen in het algemeen bij familie, vrienden of in gehuurde accommodaties. De meeste ontheemden verblijven in stedelijke gebieden en hebben toegang tot voedsel, water en andere vormen van ondersteuning. Voor het verkrijgen van humanitaire ondersteuning is het bezit van identificerende documenten geen vereiste, aldus het rapport.

4.2.    De staatssecretaris heeft zich op grond van deze informatie niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in Zuid-Mali een naar plaatselijke omstandigheden normaal leven zal kunnen leiden. De vreemdeling heeft een verklaring overgelegd van het hoofd van UNHCR in Nederland van 22 januari 2018, inhoudend dat de 'UNHCR Position on returns to Mali, Update I' uit 2014 nog steeds van toepassing is. In laatstgenoemde publicatie wordt gesteld dat Zuid-Mali geen redelijk vestigingsalternatief is voor personen afkomstig uit Noord-Mali omdat velen in een ontheemdensituatie zullen belanden. Omdat de verklaring van 22 januari 2018 niet vermeldt op welke feiten en omstandigheden deze is gestoeld, kan daaraan in dezen geen doorslaggevende betekenis toekomen.

    Dat de vreemdeling zich niet staande zou kunnen houden omdat hij Mali op negenjarige leeftijd heeft verlaten, heeft de staatssecretaris niet ten onrechte niet aannemelijk geacht, nu de vreemdeling inmiddels volwassen is en een in Zuid-Mali gangbare taal spreekt. Dat de vreemdeling wegens psychische problemen zich niet staande zou kunnen houden, volgt niet noodzakelijkerwijs uit de door de vreemdeling overgelegde verklaring van een GZ-psycholoog van 28 juli 2017, terwijl de door de vreemdeling overgelegde brief van de stichting Nidos, die belast was met de voogdij over de vreemdeling, dateert van 19 september 2014 en niet is toegelicht waarom de inhoud daarvan nog actueel zou zijn.

    Uit het voorgaande volgt dat de grief slaagt.

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 12 januari 2017 in stand worden gelaten en voorts voor zover zij de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal worden bepaald dat de rechtsgevolgen van voormeld besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand blijven.

6.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 21 juli 2017 in zaak nr. NL17.584, voor zover de rechtbank daarbij:

- niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 januari 2017 in stand blijven;

- de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. De Groot

voorzitter    griffier    Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

210.