Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1413

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201709314/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/211
JV 2018/138 met annotatie van mr. A. Wijffelman en mr. J.A. Nijland
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709314/1/V1.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 30 oktober 2017 in zaak nr. 17/11149 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 3 mei 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 oktober 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Bongaarts, advocaat te Maastricht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    Met de mvv-aanvraag beoogt de vreemdeling gezinshereniging in het kader van nareis met haar partner (hierna: de referent) die in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel. De staatssecretaris heeft die aanvraag afgewezen omdat de referent niet als echtgenoot, bedoeld in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), kan worden aangemerkt nu de vreemdeling minderjarig is en het tussen beiden in het buitenland gesloten huwelijk in Nederland niet wordt erkend.

3.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat uit de Richtsnoeren voor de toepassing van de Gezinsherenigingsrichtlijn, (COM (2014)210), van de Europese Commissie van 3 april 2014 (hierna: de Richtsnoeren) volgt dat de staatssecretaris gehouden was om op grond van de individuele situatie van de vreemdeling te onderzoeken of in haar geval sprake was van een gedwongen huwelijk. Volgens de rechtbank heeft het arrest van het Hof van Justitie van 17 juli 2014, Noorzia t. Oostenrijk, ECLI:EU:C:2014:2092, waarop de staatssecretaris heeft gewezen, betrekking op een andere rechtsvraag en is dit niet van belang in deze procedure. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd omdat de staatssecretaris in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft nagelaten voormeld onderzoek te verrichten.

4.    In de enige grief betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte tot dat oordeel is gekomen. Volgens de staatssecretaris bepaalt de Richtlijn niet wat onder een rechtsgeldig huwelijk wordt verstaan, moet een huwelijk naar Nederlands internationaal privaatrecht rechtsgeldig zijn en daarom voldoen aan de in artikel 10:32 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) voor erkenning gestelde eis dat de echtgenoten op het tijdstip van de huwelijkssluiting de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, tenzij deze op het moment dat om erkenning van het huwelijk wordt gevraagd alsnog die leeftijd hebben bereikt. De staatssecretaris voert voorts aan dat de rechtbank het arrest Noorzia te beperkt heeft opgevat en dat daaruit wel kan worden afgeleid dat een lidstaat een algemene minimumleeftijd kan eisen.

5.    De Gezinsherenigingsrichtlijn bevat geen omschrijving van het begrip huwelijk. In artikel 9 van het EU Handvest is bepaald dat het recht om te huwen en het recht om een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens nationale wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen. De staatssecretaris heeft zich gelet hierop terecht op het standpunt gesteld dat voor de uitleg van het begrip huwelijk aangesloten moet worden bij de in artikel 10:32 van het BW opgenomen vereisten voor een naar Nederlands internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk. Voor erkenning daarvan is derhalve vereist dat beide partners bij het aangaan van het huwelijk de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt of die leeftijd hebben bereikt bij het verzoek om erkenning van dat huwelijk. Die minimumleeftijd is ook opgenomen in paragraaf B7/3.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en geldt ook voor de toepassing van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Niet valt in te zien dat een algemene minimumleeftijd van 18 jaar voor het aangaan van een huwelijk, de essentie van het in artikel 9 van het EU Handvest neergelegde recht om te huwen aantast.

    Het Hof heeft in het arrest Noorzia geoordeeld dat het stellen van een algemene minimumleeftijd voor echtgenoten van 21 jaar voor het indienen van een aanvraag om gezinshereniging niet in strijd is met artikel 4, vijfde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Weliswaar ging het in dat arrest niet om een algemene minimumleeftijd voor de erkenning van een huwelijk, maar dat neemt niet weg dat ook een algemene minimumleeftijd voor echtgenoten van 21 jaar voor het indienen van een aanvraag om gezinshereniging in de weg staat aan gezinshereniging vóór het bereiken van die leeftijd en dat uit dit arrest duidelijk blijkt dat een onderzoek naar feiten en omstandigheden in het individuele geval die zouden nopen tot een afwijking van een algemene minimumleeftijd, niet is vereist. Uit het arrest kan dan ook niet worden afgeleid dat artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn in dit verband aan het stellen van een algemene minimumleeftijdseis in de weg staat. Daaruit volgt dat ook indien van een huwelijk tussen de vreemdeling en referent zou worden uitgegaan, een algemene minimumleeftijd van 18 jaar niet in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn. Nu het Hof een duidelijke uitleg heeft gegeven aan artikel 4, vijfde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, leiden de van eerdere datum daterende Richtsnoeren niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

6.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 3 mei 2017 alsnog ongegrond verklaren.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 30 oktober 2017 in zaak nr. 17/11149;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Willems

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

412. BIJLAGE

EU Handvest

Artikel 9

Recht te huwen en recht een gezin te stichten

Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens de nationale wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen.

Gezinsherenigingsrichtlijn (PB2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71)

Artikel 4

[…]

5.    Met het oog op een betere integratie en teneinde gedwongen huwelijken te voorkomen, kunnen de lidstaten eisen dat de gezinshereniger en zijn echtgenote een minimumleeftijd hebben, en ten hoogste de leeftijd van 21 jaar hebben alvorens de echtgenote zich bij hem kan voegen.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 29

[…]

2.    Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

a.     de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling.

[…]

Burgerlijk Wetboek

Artikel 10:32

Ongeacht artikel 31 van dit Boek wordt aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde en in ieder geval indien een der echtgenoten op het tijdstip van de sluiting van dat huwelijk:

[…]

c. niet de leeftijd van achttien jaar had bereikt, tenzij de echtgenoten op het moment dat erkenning van het huwelijk gevraagd wordt beiden de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

[…]

Vreemdelingencirculaire 2000

C2/4.1

[…] Bij de beoordeling van de leeftijd waarop de IND huwelijkspartners en geregistreerde partners toelaat is paragraaf B7/3.1.2 van toepassing.[…].

B7/3.1.2

[…] In afwijking van artikel 3.14, aanhef en onder a, Vb en artikel 3.15, eerste lid, Vb verleent de IND met toepassing van artikel 3.13, tweede lid, Vb de verblijfsvergunning als aan alle aan volgende voorwaarden wordt voldaan:

- de vreemdeling en de referent hebben de leeftijd van achttien jaar bereikt;

- er is sprake van een naar internationaal privaatrecht geldig huwelijk of geregistreerd partnerschap;

- het huwelijk of geregistreerd partnerschap bestond al in het buitenland, voordat de referent rechtmatig verblijf in Nederland had.

[…].