Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1402

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201703493/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:4240, Onduidelijk
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 april 2017 in zaak nr. 17/6788.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/213
NJB 2018/1154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703493/1/V1.

Datum uitspraak: 24 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek van:

[de vreemdeling],

verzoeker,

om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep.

Procesverloop

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 april 2017 in zaak nr. 17/6788.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft partijen verzocht om een nadere schriftelijke uiteenzetting te geven over de betekenis van een arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) voor het hoger beroep in deze zaak.

De vreemdeling heeft een nadere schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De staatssecretaris heeft het hoger beroep ingetrokken.

De vreemdeling heeft de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.

De staatssecretaris heeft verweer gevoerd tegen het verzoek om proceskostenveroordeling.

Bij brief van 7 maart 2018 heeft de vreemdeling gerepliceerd.

Bij brief van 22 maart 2018 heeft de staatssecretaris gedupliceerd.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 8:118, eerste lid, van de Awb kan, in geval van intrekking van het hoger beroep door een bestuursorgaan het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld.

2.    De staatssecretaris heeft het hoger beroep ingetrokken, nadat de vreemdeling kosten had gemaakt voor het geven van een schriftelijke uiteenzetting en vervolgens voor het geven van een nadere schriftelijke uiteenzetting, op verzoek van de Afdeling, over de betekenis van een arrest van het Hof voor het hoger beroep in deze zaak. De kosten voor het geven van de schriftelijke uiteenzetting komen voor vergoeding in aanmerking. Ook de kosten voor het geven van de nadere schriftelijke uiteenzetting komen, hoewel het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) met de daarbij behorende Bijlage niet voorziet in de vergoeding van die kosten, voor vergoeding in aanmerking, omdat de nadere schriftelijke uiteenzetting is gegeven op het verzoek van de Afdeling. Anders dan de vreemdeling betoogt, moet voor het geven van de nadere schriftelijke uiteenzetting niet een heel, maar een half punt worden toegekend (zie punt 3 van Bijlage A1 van het Besluit).

    Niet voor vergoeding in aanmerking komen het verzoek om proceskostenveroordeling en de repliek. Het Besluit met de daarbij behorende Bijlage voorziet namelijk niet in de vergoeding van de kosten gemaakt in het kader van een verzoek om proceskostenveroordeling. Voorts bestaat er geen aanleiding waarom die kosten in dit geval desondanks voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    De Afdeling ziet aanleiding het verzoek op na te melden wijze toe te wijzen. Hetgeen de staatssecretaris als verweer heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.

4.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 751,50 (zegge: zevenhonderdeenenvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Es

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2018

826.