Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1401

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201703061/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:2786, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703061/1/V3.

Datum uitspraak: 24 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 april 2017 in zaak nr. 17/5283 in het geding tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 5 april 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Wijnmalen, advocaat te Dordrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling heeft op 13 januari 2017 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Tijdens het aanmeldgehoor heeft zij verklaard dat zij op 27 december 2015 Duitsland is ingereisd, maar dat zij daar toen nog geen asielaanvraag heeft ingediend. Verder heeft zij verklaard dat zij op 10 februari 2016 vanuit Duitsland naar Oostenrijk is gereisd en dat zij daar haar eerste verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Ter onderbouwing van die verklaring heeft zij een Oostenrijkse verblijfskaart, gedateerd op 11 februari 2016, overgelegd. Dit asielverzoek is niet door de Oostenrijkse autoriteiten geregistreerd in Eurodac. Uit Eurodac blijkt dat de vreemdeling op 26 juli 2016 in Duitsland wel om internationale bescherming heeft verzocht. Gelet hierop heeft de staatssecretaris de Duitse autoriteiten op 13 februari 2017 verzocht de vreemdeling terug te nemen krachtens artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening (PB 2013 L 180). Op 14 februari 2017 hebben de Duitse autoriteiten met dat verzoek ingestemd. In deze zaak is de vraag aan de orde of de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling terecht niet in behandeling heeft genomen, omdat hij Duitsland verantwoordelijk acht voor de behandeling van de asielaanvraag.

2.    In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, gelet op artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming het eerst is ingediend, verantwoordelijk is voor de behandeling van dat verzoek en dat hij daarom in dit geval eerst bij de Oostenrijkse autoriteiten had moeten informeren naar de asielaanvraag van de vreemdeling alvorens een terugnameverzoek bij de Duitse autoriteiten in te dienen. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank heeft miskend dat in dit geval de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek is overgegaan van Oostenrijk op Duitsland, omdat Duitsland de in artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening genoemde claimtermijn ongebruikt heeft laten verstrijken. Dit blijkt volgens de staatssecretaris ook uit de door de vreemdeling overgelegde Duitse verblijfskaart van 12 december 2016, die de Duitse autoriteiten na het verstrijken van voornoemde claimtermijn aan haar hebben verstrekt. Daarbij komt dat hij in het aan de Duitse autoriteiten gerichte terugnameverzoek melding heeft gemaakt van de eerdere asielprocedure in Oostenrijk en de Oostenrijkse verblijfskaart en de Duitse autoriteiten op 14 februari 2017 niettemin hebben ingestemd met de terugname van de vreemdeling, aldus de staatssecretaris.

2.1.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank ten onrechte niet bij haar oordeel betrokken dat de staatssecretaris de Duitse autoriteiten in het terugnameverzoek van 13 februari 2017 volledig heeft geïnformeerd over de door de vreemdeling doorlopen asielprocedure in Oostenrijk en dat de staatssecretaris bij dit terugnameverzoek tevens een afschrift heeft overgelegd van de door de vreemdeling overgelegde Oostenrijkse verblijfskaart. Gelet hierop en nu de Duitse autoriteiten door middel van het claimakkoord van 14 februari 2017 expliciet hebben erkend dat zij krachtens artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het asielverzoek van de vreemdeling, heeft de staatssecretaris - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - geen navraag hoeven doen bij de Oostenrijkse autoriteiten. De vraag, of Duitsland de in artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening genoemde claimtermijn ongebruikt heeft laten verstrijken, kan gezien het vorenstaande in het midden blijven.

    De grief slaagt.

3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 7 maart 2017 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4.    De vreemdeling heeft in beroep - samengevat weergegeven - betoogd dat er in Duitsland aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en van de opvangvoorzieningen zijn. Volgens de vreemdeling ligt het op de weg van de Nederlandse autoriteiten om een onderzoek in te stellen naar de opvangvoorzieningen in Duitsland.

4.1.    Het is aan de vreemdeling om met stukken te staven dat er in Duitsland aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en van de opvangvoorzieningen zijn. Dit heeft zij niet gedaan. De enkele stelling van de vreemdeling dat zij niet in staat en in de gelegenheid is om door middel van documenten voornoemde tekortkomingen aan te tonen, betekent - anders dan zij betoogt - niet dat de op haar rustende bewijslast onredelijk is. Daarbij komt dat de vreemdeling evenmin heeft gestaafd waarom niet van haar kan worden gevergd dat zij bij de Duitse autoriteiten klaagt over de opvangvoorzieningen en over de wijze waarop zij behandeld wordt of dat de Duitse autoriteiten haar niet kunnen of willen helpen. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 7 maart 2017 terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Duitsland aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen zijn die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat zij een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. De staatssecretaris heeft dan ook terecht geen nader onderzoek naar de opvangvoorzieningen in Duitsland gedaan. Hij heeft zodoende evenzeer terecht het asielverzoek niet aan zich getrokken.

    De beroepsgrond faalt.

5.    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 april 2017 in zaak nr. 17/5283;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Nienhuis

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2018

466-644.