Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1396

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
201703383/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:2764, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2016 heeft het college aan [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor de realisatie en exploitatie van een kroonluchteratelier aan de Bongard 3 (lees: 3a) te Wijnandsrade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703383/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wijnandsrade, gemeente Nuth,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 maart 2017 in zaak nr. 16/968 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nuth.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2016 heeft het college aan [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor de realisatie en exploitatie van een kroonluchteratelier aan de Bongard 3 (lees: 3a) te Wijnandsrade.

Bij uitspraak van 17 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak samen met de zaak met nummer 201703744/1/A1 ter zitting behandeld op 13 maart 2018, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.M.M. Peeters, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op het perceel, kadastraal bekend als Wijnandsrade, sectie R, nummer 171, aan de Bongard, staat een oude boerderijhoeve.

[vergunninghoudster] is eigenaar van dit gebouw. De helft van het gebouw verhuurt zij als woning. De andere helft van het gebouw verhuurt zij aan [exploitant]. [exploitant] exploiteert in dit gedeelte van het gebouw Kroonluchteratelier de Rode Hoeve. De activiteiten zien met name op het repareren, tentoonstellen en verkopen van kroonluchters.

    [vergunninghoudster] heeft, voor zover hier van belang, omgevingsvergunning gevraagd om een gedeelte van het gebouw in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Nuth" te mogen gebruiken. Het college heeft deze omgevingsvergunning bij besluit van 16 februari 2016 verleend. De rechtbank heeft dit besluit in stand gelaten.

    [appellant] woont op het naastgelegen perceel aan de [locatie]. Hij is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning.

Ter inzage leggen

2.    Wat betreft het betoog van [appellant] dat de ontwerpomgevingsvergunning niet ter inzage heeft gelegen, overweegt de Afdeling als volgt. De rechtbank heeft overwogen dat de kennisgeving van de ontwerpvergunning voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt. Het ontwerpbesluit met de bijbehorende nieuwe ruimtelijke onderbouwing zijn ter inzage gelegd en ook aan [appellant] en zijn gemachtigde bekendgemaakt. Op grond van de kennisgeving en de bij het ontwerpbesluit behorende stukken kon, zo heeft de rechtbank overwogen, voor eenieder duidelijk zijn wat de reikwijdte van de ontwerpvergunning was. [appellant] heeft geen argumenten aangevoerd waarom de uitspraak van de rechtbank in zoverre onjuist is. Het betoog faalt reeds daarom.

Wettelijk kader

3.    Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]."

    Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat."

3.1.    Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Wonen", met als functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing’.’

    Artikel 18.1 van de planregels luidt:

"18.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

    a.    wonen;

    b.    aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven;

    c.    bed & breakfast;

    d.    hobbymatig agrarisch gebruik;

    e.    tevens behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’;

    f.    tevens vrijkomende agrarische bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing’;

    g.    (onverharde) paden, kavelpaden, wegen en parkeervoorzieningen;

    h.    groenvoorzieningen, tuinen en erfbeplantingen;

    i.    water en waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede duurzaam bodem- en waterbeheer, tevens wateropvang/-buffering en infiltratie;

    j.    extensief recreatief medegebruik."

Huis-aan-huis verbonden bedrijf

4.    Voor zover [appellant] betoogt dat de omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de activiteiten niet kunnen worden geschaard onder ‘huis-aan-huis verbonden bedrijf’, aangezien aan het gedeelte van het gebouw waarin Kroonluchteratelier de Rode Hoeve is gevestigd, op grond van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen een apart huisnummer is toegekend, overweegt de Afdeling dat de verleende omgevingsvergunning niet ziet op een huis-aan-huis verbonden bedrijf maar op detailhandel. Bij verlening van de omgevingsvergunning is door het college onderkend dat gebruik voor detailhandel in strijd is met het bestemmingsplan en het college heeft daarom een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan verleend.

    Het betoog faalt.

Omgevingsverordening Limburg 2014

5.    Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 2.4.3 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is verleend, wordt overwogen dat dit artikel pas met ingang van 21 december 2016 in werking is getreden, zodat toetsing aan dit artikel niet aan de orde is.

    Het betoog faalt.

Goede ruimtelijke ordening

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit geen goede ruimtelijke onderbouwing bevat en in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. [appellant] voert aan dat vestiging van detailhandel in het buitengebied in strijd is met de Strategische Visie Nuth 2025, vastgesteld door de raad van de gemeente Nuth op 20 oktober 2015. Uit deze visie volgt volgens hem dat leegstand van bestaande winkelpanden moet worden bestreden, terwijl hier geen sprake is van een bestaand winkelpand. Detailhandel bewerkstelligt bovendien geen synergie tussen cultuurhistorie en toerisme in de regio, aldus [appellant]. Hij voert verder aan dat het college de gevraagde omgevingsvergunning niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen, omdat de gevraagde activiteiten leiden tot te veel hinder, onder meer omdat er ook buitenactiviteiten plaatsvinden, terwijl de aanvraag en de ruimtelijke onderbouwing hier niet op zien. Voorts voert [appellant] aan dat niet aannemelijk is gemaakt dat voor de instandhouding van het gebouw noodzakelijk is om een gedeelte van het gebouw te gebruiken voor detailhandel. Hij wijst er ten slotte op dat het college niet heeft onderzocht of er ook alternatieve vormen van gebruik van het gebouw mogelijk zijn.

6.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de beoogde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Er is volgens het college geen sprake van strijd met de Strategische Visie Nuth 2015. Verder merkt het college op dat uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat de beoogde detailhandel een beperkte omvang kent, omdat het gaat om een afgebakend assortiment (primair kroonluchters en aanverwante verlichting en verder (Franse) spiegels en overige brocante) voor een kleine markt. Het kroonluchteratelier kent bovendien beperkte openingstijden. Het is alleen publiekelijk toegankelijk op zaterdag, zondag en op feestdagen. Doordeweeks kunnen klanten alleen langskomen op afspraak. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt voorts dat in het verleden geprobeerd is om het gebouw als één geheel te verkopen, maar dat hier geen interesse voor bestond, omdat het gebouw te groot is om als één woning gebruikt te worden. Het is daarom wenselijk om een deel van het gebouw voor een andere functie te gebruiken, aldus het college.

6.2.    Blijkens de inleiding van de Strategische Visie Nuth 2025 fungeert deze voor het college als kader voor de beoordeling van initiatieven uit de samenleving waarbij sprake is van flexibiliteit om in te kunnen spelen op onvoorziene maatschappelijke ontwikkelingen. Uit de visie volgt niet dat alleen leegstand in winkelpanden moet worden bestreden, maar dat in het algemeen gezocht wordt naar een manier om leegstand in gebouwen zoveel mogelijk te voorkomen. De Afdeling overweegt dat de vestiging van detailhandel in het gebouw leegstand van het betreffende gedeelte van het gebouw voorkomt. Voor zover [appellant] aanvoert dat detailhandel geen synergie bewerkstelligt tussen cultuurhistorie en toerisme in de regio, wordt overwogen dat, daargelaten of van bedoelde synergie sprake zal zijn, niet uit de visie volgt dat alleen van het bestemmingsplan mag worden afgeweken indien dat tot een dergelijke synergie leidt.

    Het betoog faalt in zoverre.

6.3.    Uit de stukken volgt dat er buiten het gebouw alleen maar verkeersbewegingen en parkeeractiviteiten plaatsvinden. Gelet op het exclusieve assortiment en de beperkte openingstijden van het kroonluchteratelier, heeft het college aannemelijk mogen achten dat het kroonluchteratelier niet een dusdanige hoeveelheid klanten krijgt, dat de beoogde activiteiten zodanige hinder veroorzaken, dat de gevraagde omgevingsvergunning om die reden had moeten worden geweigerd. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat het college in aanmerking heeft mogen nemen dat verlening van de omgevingsvergunning een positieve invloed zal hebben op de instandhouding van het beeldbepalende gebouw, omdat, gelet op de omvang daarvan en het daardoor benodigde onderhoud, aannemelijk is dat exploitatie van het gebouw niet rendabel is als het gebouw niet voor meer dan één doeleinde kan worden gebruikt. De persoonlijke financiële situatie van de eigenaar van het gebouw maakt dat, anders dan [appellant] betoogt, niet anders.

    Het betoog faalt in zoverre.

6.4.    Wat betreft het betoog van [appellant] dat het college niet heeft onderzocht of het gebouw ook voor andere functies gebruikt kan worden dan detailhandel, wordt overwogen dat het college hier niet toe gehouden was. Het college dient te beslissen op het project zoals aangevraagd. Bij de beoordeling van deze aanvraag wordt bekeken of dit project aanvaardbaar is. De vraag of er op de desbetreffende locatie ook andere, wellicht minder belastende, activiteiten kunnen worden uitgevoerd, is daarbij niet van belang.

    Het betoog faalt ook in zoverre.

Behandeling gronden door rechtbank

7.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbankuitspraak moet worden vernietigd, omdat de rechtbank niet op al zijn beroepsgronden is ingegaan. De uitspraak is daarom in strijd met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen, aldus [appellant].

7.1.    [appellant] merkt terecht op dat de rechtbank niet expliciet op al zijn beroepsgronden is ingegaan. Dit leidt er echter niet toe dat de aangevallen uitspraak om die reden moet worden vernietigd, nu, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het college in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

Conclusie en proceskosten

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

414-811.