Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1395

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
201703744/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:2765, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen Kroonluchteratelier De Rode Hoeve, gevestigd op het perceel aan de Bongard 3 (lees: 3a) te Wijnandsrade (hierna: het perceel), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703744/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wijnandsrade, gemeente Nuth,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 maart 2017 in zaak nr. 16/2300 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nuth.

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen Kroonluchteratelier De Rode Hoeve, gevestigd op het perceel aan de Bongard 3 (lees: 3a) te Wijnandsrade (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de motivering van het besluit van 1 december 2015 gewijzigd c.q. aangevuld.

Bij uitspraak van 17 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak samen met de zaak met nummer 201703383/1/A1 gevoegd ter zitting behandeld op 13 maart 2018, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.M.M. Peeters, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Op het perceel staat een oude boerderijhoeve. Een gedeelte van dit gebouw wordt verhuurd als woning. Het andere gedeelte wordt gebruikt door Kroonluchteratelier De Rode Hoeve. Dit gedeelte van het gebouw zal hierna aangeduid worden als het kroonluchteratelier. In het kroonluchteratelier worden, met name, kroonluchters gerepareerd, tentoongesteld en verkocht. De eigenaar van het gebouw heeft een omgevingsvergunning gevraagd om gebruik van het kroonluchteratelier voor detailhandel te legaliseren.      

    [appellant] woont naast het perceel. Hij heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen Kroonluchteratelier De Rode Hoeve, omdat volgens hem illegaal een kar met reclame geplaatst is, detailhandel plaatsvindt, in het kroonluchteratelier wordt gewoond en in afwijking van de omgevingsvergunning is gebouwd. Het hoger beroep spitst zich toe op de plaatsing van de kar en vermeend gebruik van het kroonluchteratelier voor wonen.

Wonen

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college handhavend moet optreden, omdat het kroonluchteratelier in strijd met het bestemmingsplan door de exploitant van Kroonluchteratelier De Rode Hoeve – [naam exploitant] - als woning wordt gebruikt. Volgens hem verbiedt het bestemmingsplan dat op het perceel in meer dan één hoofdgebouw wordt gewoond. Hij voert aan dat het gebouw bestaat uit twee hoofdgebouwen, namelijk de woning en het kroonluchteratelier, omdat aan beide delen van het gebouw op grond van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen (hierna: de Wet Bag) een apart huisnummer is toegekend. [appellant] voert verder aan dat ondanks de omstandigheid dat in het kroonluchteratelier geen keuken is, dit gedeelte van het gebouw als woning wordt gebruikt, omdat ook zonder keuken in het kroonluchteratelier maaltijden kunnen worden bereid. Verder voert hij aan dat voor beantwoording van de vraag of het kroonluchteratelier als woning wordt gebruikt, niet relevant is of [exploitant] op een ander adres zijn hoofdverblijf heeft of hoe vaak er in het kroonluchteratelier wordt overnacht. Ook indien wel van belang is hoe vaak [exploitant] in het kroonluchteratelier overnacht, is volgens hem sprake van gebruik van het kroonluchteratelier voor wonen, omdat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, [exploitant] hier structureel overnacht.

2.1.    Op het perceel is het bestemmingsplan "Buitengebied Nuth" van toepassing. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Wonen", met als functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing’.

2.2.    Het perceel heeft als bestemming "Wonen" en mag dus gebruikt worden voor woondoeleinden. In het bestemmingsplan is geen regel opgenomen die ertoe strekt dat op het perceel slechts mag worden gewoond in één woning. De omstandigheid dat de planregels de bouw van twee woningen op het perceel verbieden, kan daar niet aan afdoen, omdat die regel ziet op bouwen en niet op gebruik, zoals hier aan de orde. Gelet hierop is evenmin relevant of het gebouw bestaat uit twee hoofdgebouwen.

    Gelet op het voorgaande kan in het midden worden gelaten of het kroonluchteratelier als woning is ingericht. Nu het gebruik van het kroonluchteratelier voor wonen niet in strijd is met het bestemmingsplan, heeft de rechtbank reeds daarom terecht geconcludeerd dat het college in zoverre terecht niet tot handhavend optreden is overgegaan.  

    Het betoog faalt.

Plaatsing kar

3.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat Kroonluchteratelier De Rode Hoeve handelt in strijd met artikel 2.10, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Nuth 2016 (hierna: de APV) en de Beleidsregels ten aanzien van het plaatsen van tijdelijke publiciteitsborden, in welke vorm dan ook, op of aan de openbare wegen (hierna: de beleidsregels), doordat het aan de openbare weg een kar met reclame heeft geplaatst. [appellant] voert aan dat het verbod uit de APV op de kar van toepassing is, omdat de verbindingsweg tussen de Bongard en het pad langs de voorgevel van het gebouw, waar de kar wordt geplaatst, volgens hem een openbare weg is. Verder voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beleidsregels niet op de kar van toepassing zijn. De kar staat volgens [appellant] niet structureel aan de weg maar slechts tijdelijk, omdat deze het merendeel van de week niet aan de weg geplaatst wordt.

3.1.     Artikel 2.10, eerste lid, van de APV luidt:

"Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als:

    a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

3.2.    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beleidsregels niet op de kar van toepassing zijn. De beleidsregels zien op het plaatsen van tijdelijke reclameborden. De omstandigheid dat de kar niet permanent buiten staat, betekent niet dat de reclame daarom tijdelijk is. De kar wordt immers structureel buiten geplaatst als het kroonluchteratelier open is. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd  bestaat ook voorts geen aanleiding voor het oordeel dat met het plaatsen van de kar sprake is van een verboden gebruik als bedoeld onder a en b van het eerste lid van artikel 2.10 van de APV.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college vanwege de aanwezigheid van de kar handhavend moet optreden.

    Het betoog faalt.

Verbeuring dwangsommen

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college dwangsommen heeft verbeurd, omdat het het besluit van 1 december 2015 niet binnen de wettelijk gestelde termijn heeft genomen. Het college heeft deze termijn weliswaar verdaagd, maar volgens [appellant] bestond daar geen aanleiding toe. Hij voert aan dat het niet nodig was om het besluit af te stemmen op de beslissing omtrent vergunningverlening voor de exploitatie van het kroonluchteratelier, omdat volgens hem pas na het verlengen van de termijn is verzocht om ook detailhandel te vergunnen.

4.1.    Artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:

" 1 Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

2 De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan."

    Artikel 4:14 luidt:

"1 Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

[…]

3 Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn binnen welke de beschikking wel tegemoet kan worden gezien."

    Artikel 4:17 luidt:

"1 Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

[…]

3 De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen."

4.2.    Het handhavingsverzoek dateert van 17 augustus 2015. Het college diende vervolgens binnen acht weken op dit verzoek te beslissen. Het college heeft op 8 oktober 2015 de beslistermijn met acht weken verdaagd. Op 13 oktober 2015 heeft [appellant] het college in gebreke gesteld. Het college heeft op 1 december 2015 op het handhavingsverzoek beslist.

4.3.    Vast staat dat het college binnen acht weken na het handhavingsverzoek de termijn heeft verdaagd en vervolgens het besluit binnen de bij brief van 8 oktober 2015 nieuw gestelde termijn van acht weken heeft genomen. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het college geen dwangsommen heeft verbeurd. Anders dan [appellant] betoogt, volgt uit artikel 4:14 in samenhang met 4:17 van de Awb niet dat een bestuursorgaan dwangsommen verbeurt indien het verdagen van een termijn niet deugdelijk wordt gemotiveerd.

    Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

414-811.