Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1390

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
201701329/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:7203, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 november 2014 heeft het college EazzyPark onder het opleggen van een dwangsom van € 15.000,00 per week met een maximum van € 90.000,00, gelast om binnen één maand na de verzenddatum van deze beschikking  de strijdigheid met het bestemmingsplan te beëindigen door het exploiteren van een parkeerlocatie op Ekkersrijt 3131 te Son en Breugel te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701329/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel,

2.    EazzyPark B.V., gevestigd te Son en Breugel,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 december 2016 in zaken nrs. 16/623, 16/1896 en 16/1935 in het geding tussen:

EazzyPark

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2014 heeft het college EazzyPark onder het opleggen van een dwangsom van € 15.000,00 per week met een maximum van € 90.000,00, gelast om binnen één maand na de verzenddatum van deze beschikking  de strijdigheid met het bestemmingsplan te beëindigen door het exploiteren van een parkeerlocatie op Ekkersrijt 3131 te Son en Breugel te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 15 september 2015 heeft het college EazzyPark B.V. onder het opleggen van een dwangsom van € 15.000,00 per week met een maximum van € 90.000,00 gelast om binnen één maand na de verzenddatum van deze beschikking de strijdigheid met het bestemmingsplan te hebben beëindigd door het exploiteren van een parkeerlocatie op Ekkersrijt 3102 te Son en Breugel te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 24 november 2015 heeft het college, naar aanleiding van de bij besluit van 18 november 2014 opgelegde last onder dwangsom (die betrekking heeft op perceel Ekkersrijt 3131), besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom ter hoogte van € 75.000,00.

Bij besluit van 22 december 2015 heeft het college, naar aanleiding van de bij besluit van 15 september 2015 opgelegde last onder dwangsom (die betrekking heeft op perceel Ekkersrijt 3102), besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom ter hoogte van € 15.000,00.

Bij besluit van 14 januari 2016 heeft het college het door EazzyPark tegen het besluit van 15 september 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 16 april 2016 heeft het college het door EazzyPark tegen het besluit van 24 november 2015 (dat betrekking heeft op perceel Ekkersrijt 3131) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 19 april 2016 heeft het college het door EazzyPark tegen het besluit van 22 december 2015 (dat betrekking heeft op perceel Ekkersrijt 3102) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 december 2016 heeft de rechtbank het door EazzyPark tegen het besluit van 14 januari 2016 ingestelde beroep ongegrond en de tegen de besluiten van 16 april 2016 en 19 april 2016 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en het college opgedragen om binnen twee maanden na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de bezwaren tegen de invorderingsbeschikkingen met betrekking tot de percelen Ekkersrijt, met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep en EazzyPark incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college en EazzyPark hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en EazzyPark hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2018, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A. Schreijenberg, advocaat te Middelburg en ing. J. Koopman, werkzaam bij de gemeente, en EazzyPark, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    EazzyPark parkeert auto’s van haar klanten op een bewaakte parkeerplaats. Wanneer de klanten terugkomen naar Eindhoven Airport worden de auto’s voor de aankomsthal van het vliegveld weer aan hen overgedragen.

2.    Partijen zijn uitsluitend verdeeld over het antwoord op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de besluiten op bezwaar van 16 april 2016 en 19 april 2016 niet in stand kunnen blijven.

Het incidentele hoger beroep van EazzyPark

3.    De rechtbank heeft overwogen dat zij geen beletsel ziet om de door het college in de beroepsfase overgelegde foto’s toe te laten als bewijsmiddel. Volgens de rechtbank bevatten de foto’s geen nieuwe informatie. Het college heeft gesteld dat deze foto’s zijn genomen tijdens de controles waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. In het proces-verbaal van 23 oktober 2015 staat eveneens dat er foto’s zijn gemaakt. Volgens de rechtbank betreft het daarmee bewijs dat ten tijde van het besluit van 19 april 2016 al beschikbaar was op basis waarvan een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden kan plaatsvinden.

4.    EazzyPark betoogt dat de rechtbank ten onrechte voormelde foto’s heeft toegelaten als bewijsmiddel. EazzyPark voert daartoe aan dat het college niet heeft aangetoond dat de bij brief van 22 juni 2016 in het geding gebrachte foto’s, de foto’s zijn waarover in het proces-verbaal van 21 december 2015 wordt gerept. Volgens EazzyPark is de omstandigheid dat de foto’s al beschikbaar waren ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar van 19 april 2016 onvoldoende om de foto’s alsnog als bewijs te kunnen toelaten, nu die foto’s bij het nemen van het besluit op bezwaar geen rol van betekenis hebben gespeeld.

4.1.    Ambtenaren van de gemeente hebben op 18 september 2017 de administratie van EazzyPark ingezien. Het resultaat van dit onderzoek is neergelegd in een door het college overgelegd (ongedateerd) verslag.

In dit onderzoek is aan de hand van een aantal kentekens dat te zien is op voormelde foto’s, steekproefsgewijs in de administratie van EazzyPark nagegaan of de eigenaren van deze auto’s betaald hebben voor het parkeren van hun auto op 23 oktober 2015, zijnde de dag dat een ambtenaar van het college ter plaatse is geweest om het gebruik van het perceel Ekkersrijt 3102 te controleren en waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het proces-verbaal van 21 december 2015. Blijkens het verslag blijkt dat het geval te zijn. Naar het oordeel van de Afdeling is hiermee aannemelijk gemaakt dat de bij brief van 22 juni 2016 in het geding gebrachte foto’s, de foto’s zijn waarover in het proces-verbaal van 21 december 2015 wordt gesproken. Aangezien dat proces-verbaal ten grondslag is gelegd aan het besluit op bezwaar van 19 april 2016 en in dat proces-verbaal wordt verwezen naar voormelde foto’s, heeft het college eveneens aannemelijk gemaakt dat die foto’s ten grondslag zijn gelegd aan het besluit op bezwaar van 19 april 2016.

    Het betoog faalt.

Het hoger beroep van het college

5.     De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de processen-verbaal niet valt af te leiden dat ter plaatse tegen betaling aan EazzyPark auto’s staan geparkeerd. De enkele aanwezigheid van auto’s op een terrein dat wordt gehuurd door een parkeerbedrijf als dat van EazzyPark heeft de rechtbank onvoldoende geacht voor het oordeel dat beide terreinen door EazzyPark worden geëxploiteerd als parkeerterrein. Ook de bijkomende omstandigheid dat op perceel Ekkersrijt 3102 een viertal auto’s enkele dagen op dezelfde plek stond geparkeerd, levert volgens de rechtbank onvoldoende bewijs op dat EazzyPark een parkeerterrein ter beschikking stelt tegen betaling. Uit het proces-verbaal van 27 oktober 2015 met betrekking tot perceel Ekkersrijt 3131 blijkt niet dat dezelfde auto’s daar gedurende langere tijd of ’s nachts stonden geparkeerd. Ook uit bijkomende omstandigheden, namelijk dat EazzyPark geen verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van de auto’s op het terrein en de hoofdactiviteit van EazzyPark, al dan niet bezien in samenhang met de bevindingen uit de processen-verbaal, heeft de rechtbank niet afgeleid dat sprake is van exploitatie van een parkeerbedrijf.

6.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat EazzyPark op de percelen Ekkersrijt 3102 en 3131 na het verstrijken van de begunstigingstermijn bedrijfsmatig auto’s heeft geparkeerd.

6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1179, dient aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een geschrift zijn vastgelegd, dient een inzichtelijke beschrijving te worden gegeven van hetgeen is vastgesteld of waargenomen. Een schriftelijke rapportage dient voorts in beginsel te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening. Aan het ontbreken van een ondertekening en een dagtekening kan worden voorbijgegaan, indien op andere wijze kan worden vastgesteld dat de opsteller van de rapportage degene is die de daarin vermelde feiten en omstandigheden heeft vastgesteld of waargenomen en wanneer die vaststelling of waarneming heeft plaatsgevonden.

6.2.    Het ligt op de weg van het college om aannemelijk te maken dat EazzyPark in strijd heeft gehandeld met de aan haar opgelegde lasten onder dwangsom en de daartoe vereiste feiten te stellen. Het is vervolgens aan EazzyPark om die feiten, indien daartoe aanleiding bestaat, te weerleggen of nader te verklaren, bij gebreke waarvan de rechter in beginsel van de juistheid van de feiten, zoals het college die heeft vastgesteld, dient uit te gaan.

6.3.    Ten aanzien van perceel Ekkersrijt 3102 overweegt de Afdeling als volgt.

    EazzyPark is een bedrijf dat bedrijfsmatig auto’s van klanten parkeert die met het vliegtuig vanaf Eindhoven Airport vertrekken. Vast staat dat EazzyPark perceel Ekkersrijt 3102 (deels) heeft gehuurd en dat dit perceel zich in de omgeving van Eindhoven Airport bevindt. Op vrijdagmiddag 23 oktober 2015 hebben de gemeentelijk toezichthouders [namen toezichthouders] na het verstrijken van de begunstigingstermijn, het perceel Ekkersrijt 3102 bezocht om te controleren of EazzyPark had voldaan aan de bij besluit van 15 september 2015 opgelegde last onder dwangsom. Volgens de in het proces-verbaal van 21 december 2015 neergelegde bevindingen van voormeld onderzoek bevonden zich op 23 oktober 2015 en derhalve na het verstrijken van de begunstigingstermijn veel voertuigen op perceel Ekkersrijt 3102. In het proces-verbaal wordt gemeld dat er foto’s zijn gemaakt van de ter plaatse geconstateerde situatie. Op deze foto’s zijn van tientallen geparkeerde auto’s de kentekens te zien. EazzyPark heeft weersproken dat zij op perceel Ekkersrijt 3102 bedrijfsmatig auto’s had geparkeerd. In reactie hierop hebben gemeentelijke toezichthouders de administratie van EazzyPark ingezien en de resultaten van dit onderzoek neergelegd in een verslag.

De Afdeling is van oordeel dat, ook gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, het college met de overgelegde foto’s die nader zijn onderbouwd met de resultaten van het administratieve onderzoek, aannemelijk heeft gemaakt dat in ieder geval een deel van de eigenaren van de auto’s waarvan de kentekens op voormelde foto’s te zien zijn, aan EazzyPark betaald heeft voor het parkeren van hun auto op 23 oktober 2015 op het perceel Ekkersrijt 3102.

EazzyPark betoogt tevergeefs dat deze informatie is overgelegd na het nemen van het besluit op bezwaar. Daartoe wordt overwogen dat de foto’s waarop de kentekens van de geparkeerde auto’s te zien zijn, reeds deel hebben uitgemaakt van het besluit op bezwaar en het college de uit de administratie van EazzyPark afkomstige informatie heeft gebruikt om deze foto’s nader te onderbouwen, teneinde zich te verweren tegen de - onjuist gebleken - stelling van EazzyPark dat zij de auto’s op het perceel niet bedrijfsmatig had geparkeerd.

Voorts betoogt EazzyPark tevergeefs dat uit het proces-verbaal van 21 december 2015 niet kan worden afgeleid of de gemeentelijk toezichthouders het gedeelte van het perceel Ekkersrijt 3102 hebben bezocht dat door haar is gehuurd of het gedeelte dat in eigendom is bij de verhuurder Van Happen. Volgens het proces-verbaal van 21 december 2015 heeft de directeur van EazzyPark, Van Winden, tegen de gemeentelijk toezichthouders  gezegd het niet prettig te vinden dat zij zich zonder zijn toestemming op zijn terrein bevonden, waaruit valt af te leiden dat de toezichthouders zich op het gedeelte van het perceel bevonden dat werd gehuurd door EazzyPark.

Bepalend is overigens niet welk gedeelte van het perceel Ekkersrijt 3102 EazzyPark huurde, maar of EazzyPark op dat perceel bedrijfsmatig auto’s heeft geparkeerd.

    Verder heeft de gemeentelijk toezichthouder [naam toezichthouder], op 24 oktober 2015 het perceel Ekkersrijt 3102 bezocht. Volgens de door hem in het proces-verbaal van 21 december 2015 neergelegde bevindingen waren er op het perceel 3102 ongeveer tussen de 100 en de 125 voertuigen geparkeerd. Terwijl hij daar was kwam er een witte Toyota aanrijden met daarin drie personen die zich aan [toezichthouder] hebben gelegitimeerd. Een van hen was een vrouw die een lijst in haar hand hield met daarop gegevens van een auto die volgens [toezichthouder] naar alle waarschijnlijkheid van het parkeerterrein opgehaald moest worden. Nadat EazzyPark heeft weersproken dat deze personen bij haar in dienst zijn, heeft het college een kopie van een LinkedIn pagina overgelegd waaruit blijkt dat in ieder geval één van deze personen werkt bij EazzyPark.

    Gelet op vorenstaande omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, heeft het college aannemelijk gemaakt dat EazzyPark in strijd heeft gehandeld met de bij besluit van 15 september 2015 opgelegde last onder dwangsom.  

    Het betoog van het college slaagt.

6.4.    Ten aanzien van perceel Ekkersrijt 3131 overweegt de Afdeling als volgt.

    Vast staat dat EazzyPark perceel Ekkersrijt 3131 heeft gehuurd en dat dit perceel zich in de omgeving van Eindhoven Airport bevindt. Niet in geschil is dat er tot aan het verstrijken van de begunstigingstermijn auto’s op perceel Ekkersrijt 3131 stonden die door EazzyPark daar bedrijfsmatig waren geparkeerd. Na het verstrijken van de begunstigingstermijn heeft de gemeentelijk toezichthouder [naam toezichthouder] het perceel Ekkersrijt 3131 meermaals bezocht om te controleren of EazzyPark had voldaan aan de bij besluit van 18 november 2014 opgelegde last onder dwangsom. Volgens de door [toezichthouder] in het proces-verbaal van 27 oktober 2015 neergelegde bevindingen stond perceel Ekkersrijt 3131 na het verstrijken van de begunstigingstermijn nog steeds vol met auto’s. Het college heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat EazzyPark de overtreding van voormeld perceel heeft voortgezet. De enkele niet nader onderbouwde stelling van EazzyPark dat deze auto’s wellicht door anderen op haar terrein waren geparkeerd, zoals haar werknemers, werknemers van andere bedrijven, of bezoekers van een feest of evenement, leidt niet tot een ander oordeel.

Daarbij is van belang dat gesteld noch gebleken is dat ten tijde van de controles een (landelijk) evenement plaatsvond waar veel bezoekers op af komen, geconstateerd is dat het perceel Ekkersrijt 3131 vol stond met auto’s wat gezien de omvang van het perceel neerkomt op honderden geparkeerde auto’s, EazzyPark dat perceel heeft gehuurd met het doel om daar bedrijfsmatig auto’s te parkeren en het gelet daarop niet in de rede ligt dat zij haar terrein openstelt voor auto’s van honderden derden om daar zonder betaling te parkeren.

Verder is daarbij van belang dat volgens het verslag van de gemeentelijk toezichthouder op het perceel Ekkersrijt 3131 op 15 september 2015 geen enkele auto meer was geparkeerd. Niet valt in te zien dat deze situatie het gevolg is van een andere reden dan de wens van EazzyPark om de geconstateerde overtreding te beëindigen.

Gelet op vorenstaande omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, heeft het college aannemelijk gemaakt dat EazzyPark in strijd heeft gehandeld met de bij besluit van 18 november 2014 opgelegde last onder dwangsom.

    Het betoog van het college slaagt.

7.    Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep tegen de besluiten van 16 april 2016 en 19 april 2016 gegrond is, die besluiten moeten worden vernietigd en het college is opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van EazzyPark tegen de invorderingsbeschikkingen met betrekking tot Ekkersrijt.

Het incidenteel hoger beroep van EazzyPark is ongegrond. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de door EazzyPark ingestelde beroepen tegen de besluiten van 16 april 2016 en 19 april 2016 alsnog ongegrond verklaren.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het incidenteel hoger beroep van EazzyPark B.V., ongegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 december 2016 in zaken nrs. 16/623, 16/1896 en 16/1935, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de beroepen tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van 16 april 2016 en 19 april 2016 gegrond zijn, die besluiten moeten worden vernietigd en het college is opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van EazzyPark tegen de invorderingsbeschikkingen met betrekking tot Ekkersrijt;

IV.    verklaart de bij de rechtbank door EazzyPark B.V. ingestelde beroepen tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van 16 april 2016 en 19 april 2016 ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van Leeuwen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

543.