Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:139

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
201704149/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:8699, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellante] om een persoonlijke betalingsregeling afgewezen en haar uitstel van betaling verleend onder de voorwaarde dat zij gedurende 24 maanden een bedrag van € 1.384,00 per maand betaalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704149/1/A2.

Datum uitspraak: 17 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 april 2017 in zaak nr. 16/7529 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellante] om een persoonlijke betalingsregeling afgewezen en haar uitstel van betaling verleend onder de voorwaarde dat zij gedurende 24 maanden een bedrag van € 1.384,00 per maand betaalt.

Bij besluit van 9 augustus 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. N.M. Fakiri, advocaat te Den Haag en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] dient een bedrag van in totaal € 33.189,00 aan te veel ontvangen voorschotten kinderopvangtoeslag over de berekeningsjaren 2012, 2014 en 2015 terug te betalen aan de Belastingdienst/Toeslagen. Omdat [appellante] dit bedrag niet in een keer kan terugbetalen, heeft zij de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om een persoonlijke betalingsregeling gebaseerd op haar betalingscapaciteit als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Uitvoeringsregeling Awir).

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft dat verzoek afgewezen, omdat het ontstaan van de toeslagschuld volgens de dienst is te wijten aan opzet of grove schuld van [appellante]. Daarbij heeft de dienst in aanmerking genomen dat [appellante] in 2012 de kinderopvangtoeslag niet heeft stopgezet nadat de kinderopvang met ingang van mei van dat jaar was beëindigd en dat zij, ondanks verzoeken daartoe, heeft nagelaten om bewijsstukken over te leggen om te kunnen vaststellen of daadwerkelijk sprake is geweest van kinderopvang in de jaren 2014 en 2015. De Belastingdienst/Toeslagen heeft erop gewezen dat, hoewel [appellante] zich door een administratiebureau heeft laten informeren bij het aanvragen van de kinderopvangtoeslag, zij zelf voor de aanvraag verantwoordelijk blijft. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen had [appellante] kunnen weten dat zij de uitgekeerde voorschotten diende terug te betalen.

    Ingevolge artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir is een betalingsregeling niet mogelijk indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld. De Belastingdienst/Toeslagen voert in aanvulling op die bepaling het beleid, neergelegd in artikel 79.8a van de Leidraad Invordering 2008, dat onder omstandigheden bij opzet of grove schuld het bedrag van de terugvordering in het geheel binnen ten hoogste 24 maanden mag worden afbetaald. De Belastingdienst/Toeslagen heeft voor [appellante] in overeenstemming met dat beleid een betalingsregeling van € 1.384,00 per maand gedurende 24 maanden vastgesteld.

Het geschil en het oordeel van de rechtbank

2.    Het geschil betreft de vraag of de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het ontstaan van de terugvordering van de toeslagen is te wijten aan opzet of grove schuld van [appellante].

3.    De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat [appellante] in strijd met artikel 17, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) heeft nagelaten relevante wijzigingen door te geven in het berekeningsjaar 2012. Voor de berekeningsjaren 2014 en 2015 heeft zij nagelaten voldoende gegevens te verstrekken om te kunnen vaststellen of zij recht heeft op kinderopvangtoeslag voor die jaren. Gelet hierop is sprake van grove schuld. Dat de aanvraag van de kinderopvangtoeslag en de correspondentie daarover door een administratiekantoor is verzorgd omdat [appellante] niet op de hoogte was van de Nederlandse regelingen geeft de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen. Van de aanvrager van toeslag mag worden verwacht dat hij zichzelf zo goed mogelijk op de hoogte stelt van de regelingen en niet zonder meer afgaat op wat een derde daarover beweert. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het verzoek van [appellante] om een persoonlijke betalingsregeling dan ook terecht afgewezen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4.    [appellante] bestrijdt het oordeel van de rechtbank. Daartoe voert zij aan dat zij niet verwijtbaar heeft gehandeld, nu zij heeft getracht zich zo goed mogelijk te laten voorlichten door zich tot een administratiekantoor te wenden. Er is daardoor geen sprake van schuld, aldus [appellante].

4.1.    De voor deze uitspraak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4.2.    Het uitgangspunt, neergelegd in de artikelen 26 en 28 van de Awir is dat de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zes weken moet terugbetalen. In artikel 31 van de Awir wordt de mogelijkheid gegeven om nadere regels te stellen met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling. Hiervan is gebruik gemaakt in artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir. De mogelijkheid tot het treffen van een persoonlijke betalingsregeling is volgens het zesde lid van deze bepaling echter niet van toepassing indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner. In een zodanig geval staat alleen de regeling van artikel 79.8a van de Leidraad Invordering 2008 nog open voor een belanghebbende en kan de Belastingdienst/Toeslagen onder omstandigheden een betalingsregeling van ten hoogste 24 maanden toestaan, waarbij de volledige schuld dient te worden voldaan. Voor wat betreft de invulling van de begrippen opzet en grove schuld zoekt de Belastingdienst/Toeslagen aansluiting bij de tekst van paragraaf 2, eerste en tweede lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Toeslagen, waarin het volgende staat:

    "1. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming zou kunnen worden toegekend.

    2. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat de beboetbare gedraging wordt begaan.".

4.3.    De rechtbank is op juiste gronden tot het oordeel gekomen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan grove schuld van [appellante]. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is [appellante] als aanvrager verantwoordelijk voor het tijdig stopzetten van de kinderopvangtoeslag en het doorgeven van relevante wijzigingen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] op 21 augustus 2012 een voorschotbeschikking gezonden waaruit volgt dat zij in 2012 elke maand € 1.056,00 voorschot kinderopvangtoeslag ontvangt. Hieruit had [appellante] moeten afleiden dat de kinderopvangtoeslag op dat moment nog niet was stopgezet, terwijl de kinderopvang, naar niet in geschil is, vanaf mei van dat jaar reeds was beëindigd. Ook na ontvangst van het besluit van 21 augustus 2012 is de kinderopvangtoeslag voor 2012 niet stopgezet. Voorts heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] bij brief van 20 oktober 2015 verzocht om bewijsstukken over te leggen teneinde te kunnen beoordelen of zij voor de berekeningsjaren 2014 en 2015 recht heeft op kinderopvangtoeslag. Daarbij is gespecificeerd aangegeven welke stukken [appellante] dient over te leggen. [appellante] heeft bij formulier, ondertekend op 23 oktober 2015, daarop gereageerd. Daarbij heeft zij te kennen gegeven dat zij de overeenkomst met het kindercentrum is kwijtgeraakt. Ook heeft zij geen facturen overgelegd. Voorts heeft zij niet de gevraagde bankafschriften overgelegd. Bij brief van 24 november 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] bericht dat zij onvolledige bewijsstukken heeft overgelegd waardoor er onvoldoende informatie is om de toeslag vast te kunnen stellen. De kinderopvangtoeslag voor 2014 en 2015 is daarom stopgezet. Daarbij is [appellante] in de gelegenheid gesteld om alsnog bewijsstukken over te leggen. Hierop heeft [appellante] niet gereageerd. Gezien voormelde besluiten en correspondentie had [appellante] er bedacht op moeten zijn dat zij aan de Belastingdienst/Toeslagen diende te melden dat de kinderopvang vanaf mei 2012 was beëindigd en dat zij de door de Belastingdienst/Toeslagen ten aanzien van de toeslagjaren 2014 en 2015 gevraagde bewijsstukken had moeten overleggen. Dat zij zich bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag en het reageren op de correspondentie van de Belastingdienst/Toeslagen heeft laten bijstaan door een - naar eigen zeggen achteraf gebleken malafide - administratiebureau, ontsloeg haar niet van die verantwoordelijkheid.

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent dat [appellante] gedurende 24 maanden een bedrag van € 1.384,00 aan de Belastingdienst/Toeslagen dient te betalen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3886) merkt de Afdeling er daarbij op dat in een geval, zoals dit, waarin een persoonlijke betalingsregeling niet aan de orde is omdat de toeslagschuld door opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner is ontstaan, in het invorderingstraject rekening kan worden gehouden met de beslagvrije voet en niet direct tot dwanginvordering hoeft te worden overgegaan. De belanghebbende moet dan wel, zoals volgt uit artikel 79.8a van de Leidraad, bij hem verzoeken om rekening te houden met de beslagvrije voet.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Pans    w.g. Wieland

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2018

502. BIJLAGE

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 26

Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

Artikel 28

1. De belanghebbende heeft de verplichting om het bedrag van een terugvordering alsmede de op de voet van artikel 27 verschuldigde rente binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering te betalen aan de Belastingdienst/Toeslagen.

[…]

Artikel 31

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling.

Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 7

1. De Belastingdienst/Toeslagen stelt de belanghebbende in de gelegenheid een terugvordering te betalen in maandelijkse termijnen van € 40 mits hij voldoet aan door de Belastingdienst/Toeslagen nader te stellen voorwaarden.

2. De Belastingdienst/Toeslagen kan ambtshalve een betaling in termijnen bewerkstelligen door middel van verrekening van de terugvordering met aan dezelfde belanghebbende periodiek uit te betalen bedragen. Indien een verrekening als bedoeld in de vorige volzin plaats vindt, wordt het totaal van de maandelijks aan de belanghebbende uit te betalen bedragen met ten hoogste € 40 verminderd.

3. Een betaling van de terugvordering in maandelijkse termijnen eindigt uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de terugvordering geldende betalingstermijn 24 maanden zijn verstreken. Indien de omvang van de terugvordering betaling in 24 maandelijkse termijnen van € 40 niet toelaat, kan de Belastingdienst/Toeslagen, in afwijking van het eerste en tweede lid, een betaling in maandelijkse termijnen van meer dan € 40 verlangen.

4. Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn de terugvordering overeenkomstig de voorgaande leden te betalen kan de Belastingdienst/Toeslagen, in afwijking in zoverre van de voorgaande leden, een betaling in termijnen toestaan gebaseerd op de betalingscapaciteit. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op de voet van artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, met dien verstande dat de Belastingdienst/Toeslagen het netto-besteedbare inkomen van de belanghebbende vermeerdert met het netto-besteedbare inkomen van de persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek als partner in de zin van artikel 3 van de wet kan worden beschouwd.

[…]

6. De voorgaande leden zijn niet van toepassing indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner.