Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1388

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
201704097/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Reusel, herziening Molenstraat 8-8a-8b (De Mulder)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2018/63 met annotatie van M.Y.C.L. de Wit
JOM 2018/476
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704097/1/R2.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden,

en

de raad van de gemeente Reusel-De Mierden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Reusel, herziening Molenstraat 8-8a-8b (De Mulder)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad, [appellant] en Kasteelstaete Vastgoed N.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. B.J. Bloemendal, advocaat te Bergeijk, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Verkooijen, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Kasteelstaete, vertegenwoordigd door mr. M.J.M.G. van Gerwen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, vergezeld door J.J.M. van Steensel en P.J.M. Vosters, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Inleiding

2.    Het plan voorziet in de bouw van een appartementencomplex op de gronden aan de Molenstraat 8 tot en met 8b in de kern van Reusel. In de bestaande situatie zijn onder andere de restanten van een oude windmolen, een leegstaande winkel en enkele gebouwen die worden gebruikt voor opslag in het plangebied aanwezig. Het perceel van [appellant] met daarop zijn woning grenst aan de noordzijde van het plangebied.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Privaatrechtelijke belemmeringen

4.    Aan de zuidkant van het perceel van [appellant] grenst een strook grond van ongeveer 4 meter breed en 26 meter lang, die binnen het plangebied ligt. [appellant] betoogt dat deze strook grond niet behoort tot zijn kadastrale perceel, maar al meer dan 20 jaar geleden door hem in bezit is genomen en feitelijk onderdeel uitmaakt van zijn tuin. Daardoor is volgens hem deze strook grond door bevrijdende verjaring zijn eigendom geworden. Ook is op andere naastgelegen gronden door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid - recht van overpad - ontstaan, omdat hij die grond ongeveer 35 jaar gebruikt als oprit om met zijn auto de parkeerplaats naast zijn huis te bereiken. Zowel op de strook grond die feitelijk tot zijn tuin behoort als de andere gronden die hij als oprit gebruikt is in het plan een toegangsweg voor het nieuwe appartementencomplex voorzien. [appellant] stelt dat de hiervoor vermelde omstandigheden ertoe leiden dat sprake is van evidente privaatrechtelijke belemmeringen en dit plandeel daarom niet uitvoerbaar is.

4.1.    De raad betwist dat [appellant] eigenaar is geworden van de bewuste strook grond. Ter zitting is namens de raad meegedeeld dat in het geval [appellant] eigenaar blijkt te zijn, niet tot onteigening van die gronden voor verwezenlijking van het plan zal worden overgegaan.

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957, bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels.

    Onder verwijzing naar haar uitspraak van 17 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0377, overweegt de Afdeling voorts dat een privaatrechtelijke belemmering pas evident is in hiervoor bedoelde zin, als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat een ontwikkeling voorzien is op grond die in eigendom aan een ander toebehoort en die ander daarin niet berust en niet hoeft te berusten.

4.3.    Voor zowel de gestelde verkrijging van eigendom van de strook grond door bevrijdende verjaring ingevolge de artikelen 3:105 en 3:306 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als voor de gestelde ontstane erfdienstbaarheid door verjaring als bedoeld in artikel 5:72 van het BW, overweegt de Afdeling dat de vaststelling van deze zakelijke rechten door de burgerlijke rechter plaats dient te vinden. Aan de schriftelijke verklaringen van een aantal personen die [appellant] heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen, komt in deze procedure dan ook geen betekenis toe.

    Vaststaat dat zowel het gestelde eigendomsrecht als de gestelde erfdienstbaarheid van [appellant] niet zijn vastgelegd in een notariële akte en evenmin zijn ingeschreven in de openbare registers. Ook is hierover tot op heden geen procedure bij de burgerlijke rechter gevoerd. Nu zowel het gestelde eigendomsrecht als de gestelde erfdienstbaarheid niet in rechte vaststaan, kan niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld dat de beoogde ontsluitingsweg in het plangebied deels is voorzien op gronden die eigendom zijn van [appellant]. Evenmin kan zonder nader onderzoek worden vastgesteld dat de stelde erfdienstbaarheid is ontstaan. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan de verwezenlijking van het plan in de weg staat, zodat dit betoog faalt.

Aantasting woonomgeving

5.    [appellant] voert aan dat de nieuwe ontsluitingsweg op korte afstand van zijn woning zal komen te liggen en dat dit leidt tot geluidoverlast, stankhinder en trillinghinder door passerende auto’s en vrachtwagens. Ook zijn er aan die zijde van zijn woning ramen. De raad heeft ten onrechte geen specifiek onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor zijn woon- en leefklimaat, aldus [appellant].

5.1.    De raad stelt dat diverse onderzoeken ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd - waaronder een geluidonderzoek - en dat bij die onderzoeken niet specifiek naar de situatie bij [appellant] is gekeken, maar naar de gevolgen voor de hele omgeving van het plangebied. Uit die onderzoeken is niet gebleken dat de voorziene ontwikkelingen in het plan niet mogelijk zijn. Verder wijst de raad erop dat in de toekomstige situatie de weg naast de woning van [appellant] uitsluitend een inrit zal zijn voor het achterliggende parkeerterrein voor personenauto’s. De toekomstige uitrit van het parkeerterrein is voorzien aan de andere kant van het appartementencomplex. Hierdoor is volgens de raad de eventuele geluid- en stankhinder van het verkeer over de nieuwe ontsluitingsweg naast de woning van [appellant] tot een minimum beperkt.

5.2.    De noordelijke grens van het plangebied ligt op ongeveer 1,5 meter van de woning van [appellant]. Zoals op de afbeelding van de beoogde situatie op bladzijde 7 van de plantoelichting is aangegeven, is aan de noordkant van het plangebied - ongeveer op de plek van een bestaande klinkerweg - een éénrichtingsweg beoogd die de toekomstige 47 parkeerplaatsen achter het nieuwe appartementencomplex bereikbaar maakt. In paragraaf 2.2.2 van de plantoelichting is vermeld dat het voorziene appartementencomplex voor ongeveer 288 motorvoertuigenbewegingen per dag (hierna: mvt/etmaal) zorgt op de Molenstraat. Van belang is dat slechts een deel van die 288 mvt/etmaal - ongeveer 100 mvt/etmaal - zal plaatsvinden over de beoogde inrit langs de woning van [appellant]. Voorts is in paragraaf 4.4.2 van de plantoelichting vermeld dat uit akoestisch onderzoek is gebleken dat het geluid van wegverkeer bij geen enkele woning meer dan 44 dB zal zijn en daarmee ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB blijft die is opgenomen in artikel 82 van de Wet geluidhinder.

    Gezien het relatief beperkte aantal verkeersbewegingen over de beoogde inrit naast de woning van [appellant], ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet tot onaanvaardbare geluid- en geuroverlast voor [appellant] zal leiden. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het plan leidt tot trillinghinder als gevolg van vrachtverkeer, aangezien de beoogde inrit naast zijn woning uitsluitend toegang geeft aan het achter het nieuwe appartementencomplex voorziene parkeerterrein voor personenauto’s.

Parkeerplaatsen

6.    [appellant] stelt dat de raad erkent dat niet wordt voldaan aan de parkeernorm en dat daardoor onvoldoende parkeerplaatsen in het plangebied zullen worden aangelegd. In het plan is niet gewaarborgd dat wordt gezorgd voor voldoende parkeerplaatsen elders. Ook wijst [appellant] erop dat het parkeeronderzoek uit 2015 dateert en niet meer representatief is, omdat sindsdien de economie is aangetrokken en dit leidt tot een toename van het autogebruik.

6.1.    De gemeente stelt dat uit het parkeeronderzoek uit 2015 blijkt dat in de Molenstraat weinig tot geen parkeerdruk is en op piekmomenten ongeveer 50% van de bestaande parkeerplaatsen in deze straat worden gebruikt. Sinds 2015 zijn geen nieuwe ontwikkelingen geweest, zodat volgens de raad het uitgevoerde parkeeronderzoek nog voldoende actueel is. Verder stelde de raad zich in eerste instantie op het standpunt dat de parkeerbehoefte voor het nieuwe appartementencomplex uitkomt op 72 parkeerplaatsen, maar stelt op basis van latere berekeningen dat voor de parkeerbehoefte slechts 64 parkeerplaatsen nodig zijn en dat in totaal 68 parkeerplaatsen zullen worden aangelegd.

6.2.    [appellant] heeft niets naar voren gebracht op basis waarvan de Afdeling tot het oordeel zou moeten komen dat de gegevens van het parkeeronderzoek uit 2015 zodanig verouderd zijn dat de raad dit onderzoek niet aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen. Daarnaast volgt de Afdeling [appellant] niet in het betoog dat de aanleg van parkeerplaatsen niet is gewaarborgd, aangezien in artikel 3, lid 3.4.2, van de planregels wordt verwezen naar artikel 6, lid 6.3, van de planregels en daarin een voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat per woning 1,5 parkeerplaats moet worden aangelegd.

6.3.    Wat betreft het betoog dat onvoldoende parkeerplaatsen zullen worden aangelegd, is niet in geschil dat 47 parkeerplaatsen zullen worden aangelegd aan de achterzijde van het appartementencomplex en 9 aan de voorzijde daarvan aan de Molenstraat. Ter zitting is namens de raad meegedeeld dat door middel van een anterieure overeenkomst met Kasteelstaete is voorzien in de aanleg van 12 parkeerplaatsen nabij het plangebied, te weten aan de Marialaan. In totaal zullen derhalve 68 parkeerplaatsen worden aangelegd. Daarmee wordt echter niet voldaan aan de norm van 1,5 parkeerplaats per woning zoals die in de planregels is opgenomen. Uitgaande van de beoogde 48 woningen zijn dan immers 72 parkeerplaatsen nodig en betekent dat een tekort van 4 parkeerplaatsen.

    De raad heeft drie verschillende berekeningen van de parkeerbehoefte overgelegd, waarvan de laatste berekening in een bijlage bij een nader stuk van 14 maart 2018 is opgenomen. In die meest recente berekening wordt uitgegaan van een behoefte aan 64 parkeerplaatsen. Zoals uit die berekening blijkt en ook ter zitting namens de raad is toegelicht is hierbij rekening gehouden met het type woningen dat zal worden gebouwd. Dit leidt tot een lagere parkeerbehoefte dan 1,5 parkeerplaats per woning. Gezien de omstandigheid dat woningen in lagere prijsklassen en studio’s zullen worden gerealiseerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om de lagere parkeerbehoefte van 64 parkeerplaatsen in twijfel te trekken. Dit betekent dat - uitgaande van 48 woningen - met de voorziene 68 parkeerplaatsen voldoende parkeergelegenheid in en rondom het plangebied aanwezig zal zijn.

    Het aantal woningen dat zal worden gebouwd is enkel vastgelegd in de anterieure overeenkomst met Kasteelstaete en niet in de planregels. In deze procedure moet worden uitgegaan van hetgeen het plan mogelijk maakt. Bovendien doet die anterieure overeenkomst niet af aan het feit dat ingevolge artikel 6, lid 6.3, van de planregels een parkeernorm geldt van 1,5 parkeerplaats per woning. De planregels stemmen op dit punt derhalve niet overeen met de berekende parkeerbehoefte. Het bepaalde in artikel 6, lid 6.3, van de planregels leidt tot het oordeel dat onvoldoende parkeergelegenheid is voorzien. Dit betoog slaagt.

Conclusie en proceskosten

7.    De conclusie is dat het besluit van 21 maart 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kom Reusel, herziening Molenstraat 8-8a-8b (De Mulder)" is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

7.1.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het onder 6.3 genoemde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

    De raad dient het plan zodanig te wijzigen dat in de planregels het maximale aantal woningen wordt opgenomen en dat in artikel 6, lid 6.3, van de planregels de correcte parkeernorm per woning wordt opgenomen, al dan niet onder verwijzing naar gemeentelijke parkeernormen of de aanbevelingen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water-, wegenbouw- en verkeerstechniek (hierna: CROW).

7.2.    De raad hoeft bij het voorgaande geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het gewijzigde besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt.

8.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Reusel-De Mierden op om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 21 maart 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kom Reusel, herziening Molenstraat 8-8a-8b (De Mulder)":

-     zodanig te wijzigen dat in de planregels het maximale aantal woningen wordt opgenomen en dat in artikel 6, lid 6.3, van de planregels de correcte parkeernorm per woning wordt opgenomen, al dan niet onder verwijzing naar gemeentelijke parkeernormen of de aanbevelingen van het CROW;

-    de Afdeling en alle partijen de uitkomst mede te delen en de wijziging van het besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Vreugdenhil

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

571.