Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1380

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
201702328/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:467, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2015 heeft het college aan [vergunninghoudster] (hierna: de maatschap) een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een melkveestal, een jongveestal, een werktuigenberging en een woning bestaande uit twee wooneenheden op het perceel aan de [locatie] te Vroomshoop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702328/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting Leefbaar Buitengebied (hierna: SLB), gevestigd te Ulicoten, gemeente Baarle Nassau, Stichting VROM? (hierna VROM?), gevestigd te Westerhaar-Vriezenveensewijk, gemeente Twenterand en [appellant], wonend te Vroomshoop, gemeente Twenterand (hierna tezamen: SLB en anderen),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 februari 2017 in zaak nr. 16/2170 in het geding tussen:

SLB en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Twenterand.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2015 heeft het college aan [vergunninghoudster] (hierna: de maatschap) een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een melkveestal, een jongveestal, een werktuigenberging en een woning bestaande uit twee wooneenheden op het perceel aan de [locatie] te Vroomshoop.

Bij besluit van 19 juli 2016 heeft het college de door SLB en VROM? daartegen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk, en het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 februari 2017 heeft de rechtbank het door SLB en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben SLB en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2018, waar SLB en anderen, vertegenwoordigd door M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.E. Freriksen en L. van der Tol, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de maatschap, vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, gehoord.

Overwegingen

1.    In hoger beroep klagen SLB en anderen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college terecht het bezwaarschrift van SLB niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe betogen zij dat op grond van de statuten en feitelijke werkzaamheden van SLB moet worden geconcludeerd dat de stichting als belanghebbende kan worden aangemerkt, zoals ook eerder is overwogen door de Afdeling in de uitspraak van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:857.

2.    In de uitspraak van 3 februari 2017 heeft de rechtbank het beroep, voor zover ingesteld door SLB, ongegrond verklaard, omdat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij niet als belanghebbende kon worden aangemerkt en haar bezwaarschrift om die reden terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe heeft de rechtbank van belang geacht dat SLB onvoldoende heeft onderbouwd dat zij feitelijke werkzaamheden verricht die erop duiden dat zij een rechtstreeks bij het besluit van 22 december 2015 betrokken belang behartigt.

    Het hoger beroep van VROM? en [appellant]

3.    Het hoger beroep van SLB, VROM? en [appellant] is louter gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de vraag of SLB in bezwaar als belanghebbende kon worden aangemerkt. In hoger beroep zijn geen andere gronden aangevoerd.

    Op grond van artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een belanghebbende hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Awb.

    VROM? en [appellant] zijn bij de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op SLB, geen belanghebbende als bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, van de Awb omdat niet het beroep, voor zover door hen ingesteld, maar voor zover dat door SLB was ingesteld, daarbij ongegrond is verklaard.

    Derhalve dient het hoger beroep, voor zover ingesteld door VROM? en [appellant], niet-ontvankelijk te worden verklaard.

    Het hoger beroep van SLB

4.    Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

    Niet in geschil is dat bij het besluit van 22 december 2015 een belang is betrokken dat SLB blijkens haar statuten ten doel heeft te behartigen. In geschil is slechts de vraag of SLB de bijbehorende feitelijke werkzaamheden heeft verricht.

4.1.    In voornoemde uitspraak van 29 maart 2017 heeft de Afdeling verwezen naar de uitspraak 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3431. In laatstgenoemde uitspraak heeft de Afdeling op grond van door SLB verstrekte inlichtingen geoordeeld dat SLB in ieder geval in de periode voor 1 oktober 2015 vorenbedoelde feitelijke werkzaamheden uitvoerde en dat, wat er ook zij van de activiteiten van SLB tussen 31 oktober 2015 en 2 februari 2016, de datum waarop de stichting in die procedure bezwaar had gemaakt, haar status als belanghebbende in die korte tussenliggende periode niet was aangetast.

4.2.    In voorliggende procedure is het niet-ontvankelijk verklaarde bezwaarschrift van SLB eveneens ingediend op 2 februari 2016. Uit het voorgaande volgt dat SLB op dat moment aangemerkt diende te worden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb bij het primaire besluit. Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het bezwaar van SLB tegen dat besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De omstandigheid dat SLB naar het oordeel van de rechtbank in de procedure onvoldoende informatie heeft overgelegd over haar feitelijke werkzaamheden, kan aan dit oordeel niet afdoen.

5.    Het hoger beroep, voor zover ingesteld door SLB, is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het door SLB ingestelde beroep ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van SLB tegen het besluit van 19 juli 2016 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij het door SLB gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door Stichting VROM? en [appellant] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door Stichting Leefbaar Buitengebied, gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 februari 2017 in zaak nr. 16/2170, voor zover daarbij het door Stichting Leefbaar Buitengebied ingestelde beroep ongegrond is verklaard;

IV.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover ingesteld door Stichting Leefbaar Buitengebied, gegrond;

V.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Twenterand van 19 juli 2016, kenmerk 2015.HZ_WABO.364, voor zover daarbij het door Stichting Leefbaar Buitengebied gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Twenterand tot vergoeding van bij Stichting Leefbaar Buitengebied in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.004,00 (zegge: tweeduizendenvier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Twenterand aan Stichting Leefbaar Buitengebied het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 835,00 (zegge: achthonderdvijfendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Verbeek

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

574.