Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1374

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
201609635/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:7285, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een aanbouw aan de achterzijde van de woning gelegen op het perceel aan de [locatie 1] te Colijnsplaat (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609635/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 november 2016 in zaak nr. 16/595 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een aanbouw aan de achterzijde van de woning gelegen op het perceel aan de [locatie 1] te Colijnsplaat (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 december 2015 heeft het college het door De Rijk-Oele daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het besluit van 8 juli 2015 herroepen en de aanvraag van [vergunninghouder] buiten behandeling gesteld.

Bij uitspraak van 15 november 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 december 2015 vernietigd, het bezwaar van De Rijk-Oele tegen het besluit van 8 juli 2015 ongegrond verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. L.J. de Rijke, advocaat te Bergen op Zoom, en het college, vertegenwoordigd door W. Kouwer, zijn verschenen.

Overwegingen

1.        [appellante] is de eigenaresse van de woning gelegen op het perceel aan de [locatie 2] te Colijnsplaat. Op 6 augustus 2015 heeft zij bezwaar gemaakt tegen het verlenen van voornoemde vergunning.

    In bezwaar heeft het college het besluit van 8 juli 2015 herroepen omdat de aanbouw in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bebouwde Kom Colijnsplaat". De aanbouw voldeed daarmee aan het begrip "bijbehorend bouwwerk" als bedoeld in artikelen 2, derde lid en 3, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). Ondanks het feit dat beide percelen gelegen zijn binnen het beschermd dorpsgezicht Colijnsplaat kon de aanbouw op grond van artikel 4a, tweede lid, onder b, onder 3 van bijlage II van het Bor vergunningvrij gerealiseerd worden.

    De rechtbank heeft het besluit van 14 december 2015 vernietigd, omdat het college niet heeft onderkend dat de aanbouw wordt gerealiseerd aan of bij het pand aan de [locatie 2] dat de status van rijksmonument heeft. Gelet op artikel 4a, eerste lid, van bijlage II van het Bor was derhalve voor het realiseren van de aanbouw toch een omgevingsvergunning vereist. Vervolgens heeft de rechtbank zelf in de zaak voorziend het bezwaar van De Rijk-Oele alsnog ongegrond verklaard.

2.    In hoger beroep betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college mocht aannemen dat de aanbouw vergunningvrij kon worden gerealiseerd. Daarbij is eraan voorbij gegaan dat gebouwd wordt aan of bij een rijksmonument, zo stelt zij.

2.1.    Het betoog miskent dat, zoals hierboven is weergegeven onder 1., de rechtbank heeft overwogen dat, omdat sprake is van een rijksmonument, artikel 4a, eerste lid, van Bijlage II van het Bor van toepassing is en dat derhalve, anders dan het college in bezwaar meende, voor de aanbouw een omgevingsvergunning vereist was. De rechtbank heeft nu juist om deze reden het besluit op bezwaar vernietigd. De grond faalt dan ook.

3.    Vervolgens betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aannemelijk is dat het bouwplan, waar het ziet op de spouwmuur die grenst aan het perceel van [appellante], zal kunnen voldoen aan het Bouwbesluit 2012.

3.1.    Ter zitting heeft het college aangegeven dat voor verlening van de vergunning ook de voorgenomen spouwmuur is getoetst, waarbij is gekeken naar isolatie, waterdichtheid en algehele constructie. Bij besluit van 8 juli 2015 is vervolgens de vergunning verleend, onder meer, onder de voorwaarde dat de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden in overeenstemming met het Bouwbesluit 2012 worden uitgevoerd.

    Ten tijde van de zitting was de bouw van de aanbouw, waaronder ook de spouwmuur, nog niet afgerond. Met de ter zitting besproken bouwtekeningen is niet aannemelijk geworden dat de spouwmuur niet zal voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Indien al geoordeeld zou moeten worden dat de bouwtekeningen onvoldoende gedetailleerd zijn om daarover een definitief oordeel te kunnen vellen, is [vergunninghouder], gelet op de in de vergunning gestelde voorwaarden, nog immer gehouden de spouwmuur in overeenstemming met het Bouwbesluit 2012 uit te voeren. Nu het college ter zitting voorts heeft aangegeven dat tijdens de bouw controles worden uitgevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aangenomen kan worden dat de spouwmuur zal voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Voor zover [appellante] desondanks op enig moment meent dat de daadwerkelijke uitvoering van de spouwmuur niet voldoet aan het Bouwbesluit, kan zij het college verzoeken daartegen handhavend op te treden. De beroepsgrond faalt.

4.    Ten slotte betoogt [appellante] dat de rechtbank niet heeft kunnen overwegen dat de welstandscommissie heeft getoetst aan de toepasselijke nota Welstandsbeleid van de gemeente Noord-Beveland. Daartoe stelt zij dat uit het welstandsadvies van 2 juli 2015 onvoldoende blijkt dat dit daadwerkelijk is gebeurd, nu een afdoende motivering daarin ontbreekt.

4.1.    In het positieve welstandsadvies van 2 juli 2015 is uitdrukkelijk vermeld dat is getoetst aan voormelde nota Welstandsbeleid. In hetgeen De Rijk-Oele heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat hier niet vanuit zou kunnen worden gegaan.

    Voorts is gesteld noch gebleken dat deze nota, waarin de welstandscriteria waaraan is getoetst zijn vermeld, voor [appellante] niet toegankelijk of kenbaar was. Nu [appellante] ter zitting niet nader heeft onderbouwd dat de welstandscommissie, de nota Welstandsbeleid in aanmerking nemende, niet tot een positief welstandsadvies heeft kunnen komen, bestaat geen grond voor het oordeel dat dit advies niet op juiste wijze tot stand is gekomen.

    De beroepsgrond faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Drop    w.g. Verbeek

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

574.