Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1364

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
201703068/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:1636, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2016 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het aanbouwen van een garage, het wijzigen van het terras, het plaatsen van een windscherm en het wijzigen van puien van het pand op het perceel [locatie] te Zandvoort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703068/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zandvoort,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 maart 2017 in zaak nr. 16/3582 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort.

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2016 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het aanbouwen van een garage, het wijzigen van het terras, het plaatsen van een windscherm en het wijzigen van puien van het pand op het perceel [locatie] te Zandvoort (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 juni 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 juni 2016 vernietigd en het besluit van 7 januari 2016 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.M. Rensing, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door Th.F.M. van der Kleij, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. appellant] is eigenaar en bewoner van het paviljoen op het perceel. [appellant] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het aanbouwen van een garage, het wijzigen van het terras, het plaatsen van een windscherm en het veranderen van de puien van het pand. Volgens het college is de door [appellant] ingediende aanvraag om omgevingsvergunning in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Boulevard Noord". Het college heeft, gelet op stedenbouwkundige bezwaren, bij het bij besluit van 21 juni 2016 in stand gelaten besluit van 7 januari 2016 geweigerd om medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan. In beroep heeft [appellant] betoogd dat de door hem gevraagde vergunning van rechtswege is verleend, omdat het college niet tijdig op zijn aanvraag heeft besloten.

2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Aangevallen uitspraak

3. De rechtbank heeft overwogen dat de aanvraag om omgevingsvergunning, onder meer, ziet op het wijzigen van het terras. Op de gronden waar het terras is voorzien rust de bestemming "Verkeer" met de nadere aanduiding (bouwen) "wijzigingsbevoegdheid". De rechtbank heeft overwogen dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat het aanleggen van het terras in strijd is met de gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan. Hoewel de bestemming "Verkeer" niet nader is uitgewerkt in het bestemmingsplan acht de rechtbank de uitleg van het college dat het bij deze bestemming in elk geval gaat om gronden met een openbare functie juist. Nu vast staat dat het terras is aangevraagd ten behoeve van het woongenot van [appellant] en geen openbare functie is beoogd is de aanvraag in zoverre in strijd met het bestemmingsplan volgens de rechtbank. De rechtbank komt vervolgens tot de conclusie dat het college uitsluitend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) omgevingsvergunning zou kunnen verlenen en derhalve de omgevingsvergunning had moeten worden voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in artikel 3.10 van de Wabo. De rechtbank overweegt vervolgens dat van een omgevingsvergunning van rechtswege geen sprake kan zijn en komt tot de conclusie dat het besluit van 21 juni 2016 in strijd met artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is genomen.

Hoger beroep [appellant]

4. [ appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omgevingsvergunning gelet op artikel 3.10 van de Wabo niet van rechtswege is verleend. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met toepassing van artikel 15, zesde lid, van de planvoorschriften in afwijking van het bestemmingsplan omgevingsvergunning kan worden verleend zonder dat daarbij de uitgebreide voorbereidingsprocedure behoeft te worden toegepast. Daar komt volgens [appellant] bij dat de strook grond die in gebruik is genomen als terras reeds 30 jaar is afgebakend ten opzichte van het openbaar gebied, zodat het perceel in zoverre geen openbare functie meer heeft. [appellant] stelt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, gelet op de in artikel 15, zesde lid, van de planvoorschriften opgenomen afwijkingsmogelijkheid, vanwege het niet toesturen van het besluit van 7 januari 2016 aan zijn gemachtigde, een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend.

4.1.

Het college heeft bij brief van 25 november 2015 de beslistermijn verlengd waardoor uiterlijk 8 januari 2016 op de door [appellant] ingediende aanvraag om omgevingsvergunning diende te worden besloten door het college. Uit het door het college overgelegde postregistratiesysteem blijkt dat op 7 januari 2016 aan [appellant] de weigering om omgevingsvergunning te verlenen is toegezonden.

Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. [appellant] heeft deze ontvangst niet ontzenuwd, maar stelt dat het besluit niet aan hem maar aan zijn gemachtigde had dienen te worden toegestuurd en derhalve niet tijdig is bekendgemaakt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1657, houdt een tijdige beslissing op de aanvraag als bedoeld in artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb in dat binnen de beslistermijn een reëel besluit op de aanvraag moet zijn genomen en dat besluit binnen die termijn moet zijn bekendgemaakt. Het college heeft met het besluit van 7 januari 2016, waarbij het de aanvraag om omgevingsvergunning heeft geweigerd, op de door hem ontvangen aanvraag beslist, maar het college heeft dit besluit ten onrechte niet toegezonden aan de gemachtigde van [appellant]. De Afdeling is van oordeel dat ondanks dat het besluit van 7 januari 2016 niet op juiste wijze aan [appellant] is bekendgemaakt, dat besluit wel binnen de beslistermijn, bij hem bekend was. Voorts doet de omstandigheid dat de bekendmaking niet correct is geweest er niet aan af dat tijdig een besluit is genomen en dat dat tijdig is bekendgemaakt. De niet correcte bekendmaking kan in voorkomend geval - als daardoor te laat een rechtsmiddel is aangewend tegen het desbetreffende besluit - wel van belang zijn voor de verschoonbaarheid (vergelijk de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2015). Die situatie doet zich hier niet voor, omdat de gemachtigde van [appellant] tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 7 januari 2016.

4.2.

De rechtbank heeft daarnaast terecht overwogen dat het college in dit geval de uitgebreide voorbereidingsprocedure had dienen toe te passen, omdat het gebruik van het terras voor woondoeleinden in strijd is met de daarop rustende bestemming "Verkeer", nu daarmee het gebruik voor openbare doeleinden wordt beperkt. Teneinde medewerking aan afwijking van het bestemmingsplan te kunnen verlenen kan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, alleen met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure een omgevingsvergunning worden verleend. Hierbij is van belang dat artikel 15 van de planregels, zesde lid, van de planvoorschriften weliswaar een mogelijkheid tot afwijking van het bestemmingsplan bevat, maar dat toepassing van dat artikel in dit geval is uitgesloten, nu de op het desbetreffende perceelsgedeelte rustende bestemming "Verkeer" nog kan worden verwezenlijkt. De enkele omstandigheid dat [appellant] eigenaar is van het perceel en de gronden op dit moment wenst te gebruiken voor woondoeleinden doet daar niet aan af. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat geen omgevingsvergunning van rechtswege is verleend.

Het betoog faalt.

Slot en conclusie

5. De rechtbank is gelet op het voorgaande terecht tot de conclusie gekomen dat het college ten onrechte de reguliere voorbereidingsprocedure heeft toegepast. In het kader van de te voeren uitgebreide voorbereidingsprocedure dient het college te beoordelen of hetgeen door [appellant] is aangevoerd over de door het college gewenste handhaving van de achtkantige ritmiek van de paviljoens dient te leiden tot een ander besluit. Daarbij dient het college in te gaan op de door [appellant] aangevoerde stelling dat die ritmiek reeds gedeeltelijk met toestemming van het college is verlaten in vergelijkbare gevallen.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

700.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

(…)

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12 (…).

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 3.1

(…)

3. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen, zo snel mogelijk een bericht waarin het vermeldt dat het bevoegd is op de aanvraag te beslissen en waarin tevens worden vermeld:

a. de procedure die ter voorbereiding van de beslissing zal worden gevolgd,

b. welke beslistermijn van toepassing is, en

c. de beschikbare rechtsmiddelen om tegen de beschikking op te komen.

Indien op de voorbereiding van de beslissing paragraaf 3.2 van toepassing is, vermeldt het bevoegd gezag tevens dat de gevraagde beschikking van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist (…).

Artikel 3.9

1. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking:

a. doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag, en

b. zendt het in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen de daarbij aangewezen bestuursorganen een afschrift van die beschikking.

2. Het bevoegd gezag kan de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn. Het doet daarvan tevens zo spoedig mogelijk mededeling op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.

3. Paragraaf. 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is, met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. (…)

4. Het bevoegd gezag doet zo spoedig mogelijk mededeling van de bekendmaking, bedoeld in artikel 4:20c van de Algemene wet bestuursrecht, op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.

Artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3˚.

De planvoorschriften van het bestemmingsplan "Boulevard Noord"

Artikel 9 Verkeer

"Bestemmingsomschrijving

1. De op de plankaart voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wegen;

b. fiets- en voetpaden;

c. parkeren;

d. terrassen;

e. verblijfsgebieden;

f. bermen;

g. groen;

h. kunstuitingen;

i. bijbehorende voorzieningen;

j. nutsvoorzieningen;

k. speelvoorzieningen;

l. garageboxen ter plaatse van de aanduiding 'garageboxen';

m. standplaatsen met mobiele verkooppunten ter plaatse van de aanduiding 'standplaats mobiel verkooppunt'.

Bouwregels

Algemene regels

2. Op de in lid 1 genoemde gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd.

Bouwregels gebouw

3. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

a. de maximum bouwhoogte van een gebouw ten behoeve van nutsvoorzieningen bedraagt 3 meter en de maximum oppervlakte 15 m²;

b. voor garageboxen bedraagt de maximum bouwhoogte 4 meter, gemeten vanaf peil van de aansluitende bestemming verkeer en met een maximum van 1 bouwlaag.

Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

4. Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op de in lid 1 en 2 genoemde gronden gelden de regels zoals aangegeven in onderstaand schema:

Wijzigingsbevoegdheid

5. Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen overeenkomstig het bepaalde in art. 3.6 Wro, in dier voege dat, daar waar zulks nader staat aangeduid op de plankaart met ‘wijzigingsbevoegdheid’ de bestemming kan worden gewijzigd in ‘Gemengd’ en daarbinnen nieuwe of vergrote bouwvlakken kunnen worden geprojecteerd en met dien verstande dat:

a. de maximumbouwhoogte van de uitbreiding aansluit bij de bestaande bebouwing en in ieder geval niet hoger is dan 4 meter;

b. het bestemmingsvlak 100% bebouwd dient te worden;

c. de bebouwing aan dient te sluiten op de structuur en vorm van de aangrenzende paviljoens binnen het plangebied;

d. de vorm van bebouwing steeds achtkantig dient te zijn;

e. de uitbreidingsmogelijkheid niet geldt voor het wonen."

Artikel 15 Algemene gebruiksregels

Verbodsregel

"1. Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken, in strijd met de bestemming of in strijd met een gebruik waarvoor ingevolge de regels van dit plan ontheffing is verleend.

[…];

Ontheffing

6. Burgemeester en Wethouders verleent ten behoeve van het gebruik van gronden en de zich daarop bevindende bebouwing, ontheffing van het bepaalde in het plan wanneer strikte toepassing van de in het plan vervatte regels leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd."