Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1362

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
201708603/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:10753, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2016 heeft de minister de aanvraag van [wederpartij] om een verklaring van vakbekwaamheid als apotheker afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/191 met annotatie van A.C. Hendriks
GZR-Updates.nl 2018-0259
JGR 2018/26 met annotatie van Van der Meulen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708603/1/A2.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 september 2017 in zaak nr. 17/575 in het geding tussen:

[wederpartij] wonend te [woonplaats]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2016 heeft de minister de aanvraag van [wederpartij] om een verklaring van vakbekwaamheid als apotheker afgewezen.

Bij besluit van 15 december 2016 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 september 2017 heeft de rechtbank het door [wederpartij] tegen het besluit van 15 december 2016 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 4 november 2016 herroepen en bepaald dat [wederpartij] wordt ingeschreven in het BIG-register als apotheker. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2018, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. C.M. Molema, en [wederpartij], bijgestaan door mr. N.C. van Steijn, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [wederpartij] heeft aan de Universiteit van Perugia (Italië) een masteropleiding tot apotheker gevolgd en het daarbij behorende diploma behaald. Bij formulier van 28 juli 2015 heeft zij de minister verzocht om een zogenoemde verklaring van vakbekwaamheid (erkenning beroepskwalificatie) als apotheker en inschrijving in het BIG-register. Volgens de minister is voor automatische erkenning van een Italiaans apothekersdiploma vereist dat de houder de nationaliteit van een EER-land of van de Zwitserse Bondsstaat bezit. [wederpartij] heeft de Kosovaarse nationaliteit en voldoet daar dus niet aan. Daarom heeft een inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden door de Commissie Buitenlands Gediplomeerden Volksgezondheid. De commissie heeft geconcludeerd dat [wederpartij] een niveau heeft bereikt dat niet gelijkwaardig is aan dat van een in Nederland opgeleide apotheker. De minister heeft die conclusie overgenomen en de aanvraag van [wederpartij] afgewezen.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het door de minister aan de automatische erkenning van het diploma gestelde vereiste met betrekking tot de nationaliteit van de aanvrager geen steun vindt in de wet. De rechtbank heeft het besluit van 15 december 2016 vernietigd en het besluit van 4 november 2016 herroepen. Omdat niet in geschil is dat [wederpartij] een diploma bezit dat kan gelden als bewijs van vakbekwaamheid, dient de minister over te gaan tot ongeclausuleerde inschrijving van [wederpartij] als apotheker in het BIG-register, aldus de rechtbank.

3.    De minister komt in hoger beroep slechts op tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtbank de minister heeft opgedragen over te gaan tot ongeclausuleerde inschrijving in het BIG-register van [wederpartij] als apotheker. Dat [wederpartij] beschikt over een diploma dat in aanmerking komt voor automatische erkenning is niet langer in geschil.

4.    De minister betoogt dat de rechtbank met de opdracht niet heeft onderkend dat automatische erkenning van het diploma niet tevens leidt tot automatische ongeclausuleerde inschrijving in het BIG-register. Daartoe voert de minister aan dat voordat tot inschrijving wordt besloten, een toetsing aan onder meer het Registratiebesluit BIG dient plaats te vinden. Daarbij wijst de minister erop dat bijvoorbeeld moet worden vastgesteld dat ten aanzien van [wederpartij] in het buitenland geen bevoegdheidsbeperking van kracht is. De rechtbank heeft die toets niet uitgevoerd, aldus de minister.

4.1.    Uit de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) en het Registratiebesluit BIG volgt, zoals de minister terecht naar voren heeft gebracht, dat voor de beoordeling of tot inschrijving in een register kan worden overgegaan, een bredere beoordeling dient plaats te vinden dan die of de aanvrager voldoet aan de gestelde opleidingseisen. Vergelijk in dit verband in het bijzonder artikel 6, aanhef en onder a tot en met f van de Wet BIG en artikel 2 van het Registratiebesluit BIG. De door de rechtbank gegeven opdracht tot inschrijving gaat daaraan voorbij en kan daarom geen stand houden.

4.2.    De stelling van [wederpartij], dat het de minister niet vrij staat om eerst in hoger beroep te onderzoeken of zij aan de overige inschrijvingseisen voldoet, leidt niet tot een ander oordeel. Dat de minister zijn besluitvorming enkel heeft gebaseerd op het in beroep onjuist gebleken standpunt over de erkenning van het diploma, laat onverlet dat [wederpartij] gelet op de voormelde wetsbepalingen voor inschrijving in het BIG-register ook dient te voldoen aan de overige eisen die daaraan worden gesteld.

4.3.    Het betoog slaagt.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij het besluit van 4 november 2016 heeft herroepen en heeft bepaald dat [wederpartij] wordt ingeschreven in het BIG-register als apotheker. De minister dient opnieuw op het door [wederpartij] tegen dat besluit gemaakte bezwaar te beslissen. Daarbij merkt de Afdeling op dat ter zitting is gebleken dat nog slechts de vraag voorligt of er omstandigheden zijn die in de weg staan aan de inschrijving van [wederpartij] in het BIG-register.

6.    De minister heeft gevolg gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en [wederpartij] ingeschreven in het BIG-register als apotheker. Om onevenredig nadeel bij [wederpartij] te voorkomen, ziet de Afdeling aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat [wederpartij] ingeschreven blijft in het BIG-register totdat de minister opnieuw op het bezwaar heeft beslist.

7.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tot slot aanleiding om met toepassing van artikel 8:113 van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 september 2017 in zaak nr. 17/575, voor zover de rechtbank het besluit van 4 november 2016 heeft herroepen en heeft bepaald dat [wederpartij] ongeclausuleerd wordt ingeschreven in het BIG-register als apotheker;

III.    bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

IV.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat [wederpartij] ingeschreven blijft in het BIG-register totdat de minister opnieuw op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar heeft beslist.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Baart

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

799.