Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1349

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
201707784/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:8247, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2017, met kenmerk RN2017/0522, heeft de RDW de aan [appellante] verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de duur van zes weken ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/475
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707784/1/A2.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Nederweert,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 23 augustus 2017 in zaken nrs. 17/1606, 17/1607, 17/1608 en 17/1609 in het geding tussen:

[appellante]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2017, met kenmerk RN2017/0522, heeft de RDW de aan [appellante] verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de duur van zes weken ingetrokken.

Bij besluit van 24 februari 2017, met kenmerk RN2017/0527, heeft de RDW de aan [appellante] verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de duur van zes weken, aansluitend op de in het besluit met kenmerk RN2017/0522 vermelde termijn, ingetrokken.

Bij besluiten van 30 mei 2017 heeft de RDW de door [appellante] tegen de besluiten van 24 februari 2017 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 augustus 2017 heeft de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de door [appellante] ingediende verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.B. Frenken, vergezeld door [persoon], en de RDW, vertegenwoordigd door mr. M.A. Groenewoud, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 6 februari 2017 heeft de RDW in het kader van de uitvoering van het toezicht op erkenninghouders en APK-keuringsbevoegdheden een steekproefkeuring uitgevoerd op een door [keurmeester], werkzaam bij [appellante], gekeurd voertuig met het kenteken [..-..-..]. Daarbij is een aantal technische missers geconstateerd. Deze zijn opgesomd in het steekproefcontrolerapport. Het gaat om de volgende technische missers:

"5.2.19E 3 Stofhoesophanging ondeugdelijk bevestigd (1x)

5.2.56D 3 Lichtbeeld onjuist (2x)

5.2.64A 4 Voertuig voorzien van niet toegestane knipperende lichten (1x)

5.2.12A 3 Accu ondeugdelijk bevestigd (1x)

5.2.29P 3 Slang ten behoeve van stuurbekrachtiger raakt bewegend deel (1x)

stofhoes van de onderste fuseekogel linker voorwiel beschadigd linker en rechter dimlicht geen licht-donker scheiding linker stadslicht knippert stuurbekrachtigingsslang raakt flexibele koppeling van stuurstang".

    De resultaten van de steekproefcontrole vormden voor de RDW aanleiding om de keuringsbevoegdheid van [keurmeester] voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de duur van zes weken in te trekken. Dit besluit is geen onderwerp van deze procedure. Daarnaast heeft de RDW bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 24 februari 2017, met kenmerk RN2017/0522, de aan [appellante] verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de duur van zes weken ingetrokken. Hieraan heeft de RDW ten grondslag gelegd dat bij de steekproefkeuring een cusumbijdrage hoger dan 9,6 is geconstateerd. Het betreft een overtreding van categorie III. Met toepassing van het in de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW van 2016 (hierna: Toezichtbeleidsbrief) opgenomen beleid heeft de RDW de erkenning ingetrokken voor zes weken.

2.    Op 7 februari 2017 heeft de RDW wederom een steekproefkeuring uitgevoerd. Dit keer op een door [vennoot] van [appellante], gekeurd voertuig met het kenteken [..-..-..]. Geconstateerd is dat het ingeslagen chassisnummer niet volledig te lezen is. De zesde positie zou een 6 moeten zijn, maar er is geen 6 leesbaar. Er kan derhalve niet worden aangevangen met keuren, omdat niet duidelijk is of dit het juiste voertuig is.

    De resultaten van de steekproefcontrole vormden voor de RDW aanleiding om [keurmeester] een waarschuwing te geven. Daarnaast heeft de RDW bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 24 februari 2017, met kenmerk RN2017/0527, de aan [appellante] verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de duur van zes weken, volgend op de in het besluit met kenmerk RN2017/0522 vermelde termijn, ingetrokken. Hieraan heeft de RDW ten grondslag gelegd dat het Voertuigidentificatienummer (hierna: het VIN) in het voertuig niet overeenkomt met het VIN in het kentekenregister. Dit betekent dat [appellante] heeft gehandeld in strijd met artikel 27, vierde lid, aanhef en onder b, van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK. Het betreft een overtreding van categorie I. Met toepassing van het in de Toezichtbeleidsbrief opgenomen beleid heeft de RDW de erkenning voor zes weken ingetrokken.

Uitspraak van de voorzieningenrechter

3.    De voorzieningenrechter heeft de beroepen van [appellante] tegen de in bezwaar gehandhaafde intrekkingen van haar erkenning ongegrond verklaard. Hij heeft daartoe overwogen dat afschriften van de steekproefcontrolerapporten ten tijde van het nemen van de besluiten van 24 februari 2017 reeds in het bezit waren van [appellante], zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat die besluiten onvoldoende gemotiveerd waren. Ook bestaat geen grond voor het oordeel dat - doordat de cusumbijdrage niet in het besluit van 24 februari 2017, met kenmerk RN2017/0522, zelf is vermeld en [keurmeester] niet zelf in de gelegenheid is gesteld om bezwaar te maken tegen de resultaten van de steekproef van 6 februari 2017 die aan dat besluit ten grondslag liggen - [appellante] in haar belangen is geschaad, aangezien het handelen van [keurmeester] voor risico van [appellante] komt. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat, nu naar aanleiding van de steekproef van 7 februari 2017 aan [keurmeester] alleen een waarschuwing is gegeven, geen sprake is van een eerlijk proces. Dit laat namelijk onverlet dat [appellante] bezwaar kon maken tegen de aan haar opgelegde intrekking van haar erkenning, aldus de voorzieningenrechter.

Hoger beroep

4.    De voor deze uitspraak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Zaak nr. 17/1610 inzake [keurmeester]

5.    Voor zover [appellante] gronden aanvoert tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 augustus 2017 in zaak nr. 17/1610 in het geding tussen [keurmeester] en de RDW overweegt de Afdeling dat [appellante] geen beroep heeft ingesteld tegen die uitspraak. Het aldus aangevoerde richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank waartegen [appellante] hoger beroep heeft ingesteld en kan reeds daarom niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Griffierecht voorlopige voorziening

6.    [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte € 333,00 aan griffierecht heeft geheven voor de behandeling van het door haar ingediende verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank direct uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak. Dit betekent dat er maar één behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden en er maar één uitspraak is gedaan. Er is dus één keer werk geleverd door de rechter, zodat daarvoor ook maar één keer griffierecht verschuldigd is, aldus [appellante].

6.1.    [appellante] heeft bij de rechtbank zowel beroepen ingesteld als verzoeken om het treffen van voorlopige voorzieningen ingediend. Artikel 8:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat van de indiener van een beroepschrift griffierecht wordt geheven. Artikel 8:82, eerste lid, van de Awb bepaalt dat van de verzoeker om het treffen van een voorlopige voorziening griffierecht wordt geheven. Dat griffierecht is ingevolge het tweede lid gelijk aan het griffierecht dat de verzoeker ten tijde van de indiening van het verzoek voor de hoofdzaak verschuldigd zou zijn. De rechtbank heeft dan ook terecht zowel € 333,00 griffierecht geheven voor de behandeling van het beroep als € 333,00 voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Dat de voorzieningenrechter bij uitspraak van 23 augustus 2017 met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, maakt dat niet anders. Het betoog faalt.

De beslissing van de rechtbank om af te zien van nader onderzoek en de zaak kort te sluiten

7.    [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak heeft gedaan op de verzoeken om een voorlopige voorziening maar ook op de beroepen. Ter onderbouwing voert zij aan dat de voorzieningenrechter ter zitting aan partijen heeft gevraagd of zij instemden met een onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak. Dit is gebeurd nadat de RDW te kennen had gegeven de intrekking van de erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen te zullen opschorten totdat op het beroep was beslist. Gelet op deze toezegging had de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening, dat strekte tot schorsing van de besluiten tot intrekking van de erkenning, moeten toewijzen. Als de RDW immers eerder kenbaar had gemaakt de intrekking van de erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen te zullen opschorten, dan was het helemaal niet nodig geweest om een voorlopige voorziening te vragen. [appellante] voelt zich dan ook misleid door de voorzieningenrechter, omdat haar een kans op separate behandeling ter zitting van de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorzieningen is ontnomen.

7.1.    Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb bepaalt dat als het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Het derde lid bepaalt dat partijen in de uitnodiging voor de zitting gewezen worden op de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid. Bij brief van 26 juni 2017 is [appellante] Takelservice uitgenodigd voor de zitting van de voorzieningenrecht op 26 juli 2017. In de brief is vermeld dat de voorzieningenrechter ook kan beslissen op het door [appellante] Takelservice ingestelde beroep. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter niet had mogen beslissen om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Voor zover [appellante] het niet eens is met de afwijzing van de verzoeken om een voorlopige voorziening is de Afdeling, gelet op artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb niet bevoegd om van het beroep kennis te nemen en kan het aldus aangevoerde dan ook niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

Onderbouwing primaire besluiten

8.    [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat, zoals in de primaire besluiten is vermeld, de rapporten van de steekproeven op het moment van het nemen van die besluiten reeds in haar bezit waren. Zij voert daartoe aan dat daarvoor geen bewijs aanwezig is. Verder eist het zorgvuldigheidsbeginsel dat de RDW de resultaten van de steekproeven in de primaire besluiten had moeten opnemen, zodat zij niet op zoek had hoeven gaan naar verschillende puzzelstukjes in de besluitvorming, aldus [appellante].

8.1.    Geen rechtsregel schrijft voor dat de RDW de bevindingen van de steekproefcontroles in de primaire besluiten had moeten opnemen. Dat laat onverlet dat [appellante] wel van die bevindingen op de hoogte moet worden gesteld. Uit de besluiten van 24 februari 2017 volgt, naar ook de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, dat dit is gebeurd, aangezien de steekproefcontrolerapporten op het moment van het nemen van die besluiten reeds bekend waren bij [appellante]. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd is onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van deze mededeling in de primaire besluiten. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de primaire besluiten geen volledige motivering bevatten. Het betoog faalt.

Bezwaarmogelijkheid tegen steekproef

9.    [appellante] komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat zij niet in haar belangen is geschaad doordat het puntenaantal dat bij de door de RDW op 6 februari 2017 uitgevoerde steekproefcontrole is gescoord niet in het rapport dat is opgemaakt is vermeld. Zij voert daartoe aan dat de steekproefcontroleur van de RDW bij de controle een te laag puntenaantal van 8,6 heeft genoemd. De [keurmeester] heeft het steekproefcontrolerapport ondertekend. Hij heeft daarbij geen bezwaar gemaakt tegen het resultaat van de steekproef. De RDW heeft het voertuig daarna vrijgegeven, waarna deze de garage heeft verlaten. Hiermee is de mogelijkheid voor [appellante] om het voertuig door de RDW te laten herkeuren teniet gedaan en kon zij niets meer aan het bij de steekproef geconstateerde puntenaantal doen. [appellante] is hierdoor in haar belangen geschaad, omdat twee dagen later, toen zij door de RDW werd gehoord, bleek dat het puntenaantal hoger lag, hetgeen leidde tot een zwaardere sanctie dan het geval zou zijn geweest als van het eerder genoemde puntenaantal van 8,6 was uitgegaan. Omdat zij door de intrekking van haar erkenning in haar rechten wordt geraakt, had de RDW haar gelet op het vorenstaande in de gelegenheid moeten stellen bezwaar te maken tegen het resultaat van de steekproef, bijvoorbeeld door [appellante] naar aanleiding van de steekproefcontrole te bellen of op te zoeken. De voorzieningenrechter heeft miskend dat dit ten onrechte niet is gebeurd, aldus [appellante].

9.1.    In het door de RDW opgestelde rapport van de op 6 februari 2017 uitgevoerde steekproef zijn onder het kopje ‘Opmerkingen/bevindingen’ de door de steekproefcontroleur geconstateerde technische missers vermeld. Daarbij is per misser door middel van de cijfers 3 en 4 de gradatie van de desbetreffende missers aangegeven. Vier keer is het cijfer 3 vermeld, waarbij de Afdeling constateert dat bij ‘Lichtbeeld onjuist’ is vermeld dat deze misser twee keer is geconstateerd. In totaal gaat het derhalve om vijf missers met gradatie 3. Verder is er één misser met gradatie 4 geconstateerd. In artikel 3, eerste lid, van het Cusumsysteem Erkenninghouder APK is bepaald dat een misser van gradatie 3 1,5 strafpunt oplevert en dat een misser met gradatie 4 3 strafpunten oplevert. In het tweede lid is bepaald dat de cusumbijdrage wordt berekend aan de hand van het totaal aantal strafpunten minus het bonuspunt van 0,4 punt. Dit betekent dat de cusumbijdrage in dit geval uitkomt op (5 x 1,5) + (1 x 3) - 0,4 = 10,1. [keurmeester] is werkzaam als keurmeester en heeft in die hoedanigheid het door de RDW gecontroleerde voertuig gekeurd. Van hem mag dan ook verwacht dat hij op de hoogte is van de daarbij geldende wet- en regelgeving. Gelet hierop is de Afdeling met de voorzieningenrechter van oordeel dat [keurmeester] zelfstandig had kunnen vaststellen dat bij de door de steekproefcontroleur geconstateerde technische missers een cusumbijdrage van meer dan 8,6 zou horen. Dat, naar [appellante] Takelservice stelt, de steekproefcontroleur [keurmeester] heeft gezegd dat het puntentotaal 8,6 bedraagt, doet daar, nog los van het feit dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de steekproefcontroleur de beweerdelijke mededeling heeft gedaan, niet aan af. De voorzieningenrechter merkt terecht op dat het inzichtelijker zou zijn geweest als de cusumbijdrage in het steekproefcontrolerapport vermeld zou zijn, maar dat de omstandigheid dat dit niet is gebeurd, gezien de mogelijkheid voor [keurmeester] om de cusumbijdrage zelf uit te rekenen, niet tot het oordeel leidt dat [appellante] in haar belangen is geschaad. Dat [keurmeester] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het resultaat van de steekproef laat onverlet dat die mogelijkheid er wel was. Het betoog dat [appellante] de mogelijkheid is ontnomen om bezwaar te maken tegen het resultaat van de steekproef kan dan ook niet worden gevolgd. Dat [keurmeester] dit heeft nagelaten komt voor risico van [appellante], nu [keurmeester] namens [appellante] de keuring heeft uitgevoerd en bij de steekproefcontrole aanwezig was. De RDW had gelet op het vorenstaande evenmin aanleiding hoeven zien om [keurmeester] te benaderen met de vraag of hij namens [appellante] bezwaar tegen het resultaat van de steekproef wenste te maken. Het betoog faalt.

Eerlijk proces

10.    [appellante] komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet kan worden gesteld dat geen sprake is van een eerlijk proces. Zij voert aan dat naar aanleiding van de steekproefcontrole, die heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017, en waarbij is geconstateerd dat het VIN in het voertuig niet overeenkomt met het VIN in het kentekenregister, aan [keurmeester] alleen een waarschuwing is gegeven, terwijl tegelijkertijd de erkenning van [appellante] voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen voor zes weken is ingetrokken. Dit is niet eerlijk, omdat tegen de waarschuwing die aan [keurmeester] is opgelegd geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend en die derhalve onaantastbaar is, terwijl die waarschuwing wel de grondslag vormt voor de intrekking van de erkenning van [appellante]. Hierdoor kan zij zich niet op deugdelijke wijze verweren tegen de intrekking, aldus [appellante].

10.1.    Op 6 februari 2017 vond de eerste steekproefcontrole plaats. Bij deze steekproef is ten aanzien van een door [keurmeester] gekeurd voertuig een cusumbijdrage van meer dan 9,6 geconstateerd. Dit is een overtreding van categorie III. Volgens artikel 5, aanhef en onder c, van het Cusumsysteem Erkenninghouder APK wordt in geval van een cusumbijdrage hoger dan 9,6 de procedure tot intrekking van de erkenning begonnen. Uit de bijlage ‘Stroomschema sancties overtreding bijlage erkenning/bevoegdheid’ bij de Toezichtbeleidsbrief volgt dat, als het om de eerste overtreding binnen 30 maanden gaat, de erkenning voor 6 weken wordt ingetrokken. Gelet op dit beleid is naar aanleiding van de eerste steekproefcontrole de erkenning van [appellante] ingetrokken voor een periode van 6 weken. Daarnaast is ook de keuringsbevoegdheid van [keurmeester] voor 6 weken wordt ingetrokken.

    Op 7 februari 2017 vond een tweede steekproefcontrole plaats. Bij deze steekproef is geconstateerd dat een door [keurmeester] gekeurd voertuig niet had mogen worden gekeurd, omdat het VIN niet in overeenstemming was met het kentekenregister. De voorzieningenrechter heeft daarbij terecht de opmerking gemaakt dat ook wanneer een VIN niet leesbaar is, dit betekent dat het VIN niet overeenkomt met het VIN in het kentekenregister. Het gaat om een overtreding van categorie I. Uit het stroomschema volgt dat, als het gaat om een eerste overtreding van categorie I binnen 30 maanden, een waarschuwing wordt opgelegd. Aan [keurmeester] is daarom een waarschuwing opgelegd. Voor [appellante] geldt evenwel dat op 6 februari 2017 reeds een overtreding is begaan. [keurmeester] heeft die dag immers ten onrechte een voertuig goedgekeurd. In dat geval geldt volgens het stroomschema dat, nu de eerdere overtreding er een van categorie III was, er een intrekking van de erkenning van 6 weken volgt. Deze volgt op de eerdere intrekking van 6 weken.

    Dat aan [appellante] een tweede intrekking van de erkenning is opgelegd van 6 weken is, gelet op het vorenstaande, niet het gevolg van de aan [keurmeester] gegeven waarschuwing, maar van het feit dat [appellante] reeds eerder, op 6 februari 2017, een overtreding van categorie III heeft begaan. De aan [keurmeester] opgelegde sanctie heeft dan ook geen enkel gevolg voor de duur van de intrekking van de erkenning van [appellante]. Verder is van belang dat de omstandigheid dat, naar [appellante] stelt, geen rechtsmiddelen konden worden aanwend tegen de aan [keurmeester] opgelegde waarschuwing, onverlet laat dat zij wel rechtsmiddelen kon aanwenden tegen het besluit van 24 februari 2017, kenmerk RN2017/0527, waarbij de RDW de aan [appellante] verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de duur van nogmaals zes weken heeft ingetrokken. Gelet op het vorenstaande bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Het betoog faalt.

Conclusie

11.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. Wieland

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

502. BIJLAGE

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 87

(…)

2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend:

(…)

b. in strijd met de eisen, bedoeld in artikel 75, eerste lid, of de regels, bedoeld in artikel 76, derde lid, een keuringsbewijs afgeeft voor een motorrijtuig of een aanhangwagen,

(…)

f. handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

(…)

Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK

Artikel 27

(…)

4. Er wordt geen keuring verricht en de aanvrager van een keuringsrapport wordt naar de Dienst Wegverkeer doorverwezen indien:

(…)

b. het voertuigidentificatienummer van het voertuig niet in overeenstemming is met het kentekenregister;

(…)

Artikel 37

1. De Dienst Wegverkeer kan in het kader van het toezicht op de erkenninghouder of de keurmeester een systeem van bonus- en strafpunten vaststellen, dat wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

2. Indien een systeem als bedoeld in het eerste lid is vastgesteld, wordt aan de hand daarvan, afhankelijk van de resultaten van het uitgeoefende toezicht, beoordeeld of het toezicht wordt verminderd of verscherpt dan wel of een erkenning of een keuringsbevoegdheid wordt gewijzigd of ingetrokken.

Cusumsysteem Erkenninghouder APK (Stcrt. 2009, 105)

Artikel 3

1. Gradaties worden ingedeeld in:

a. gradatie 1: een misser die de verkeersveiligheid indirect beïnvloed, die 1 strafpunt oplevert;

b. gradatie 2: een geringe milieu misser die 1,5 strafpunt oplevert;

c. gradatie 3: een geringe misser die 1,5 strafpunt oplevert.

d. gradatie 4: een ernstige misser die 3 strafpunten oplevert;

e. gradatie 5: een kritieke misser waarbij sprake is van een apert onveilig voertuig die 3 strafpunten oplevert;

2. De cusumbijdrage wordt berekend aan de hand van de formule: totaal aantal strafpunten per herkeuring minus het bonuspunt van 0,4 punt.

Artikel 5

Een procedure tot intrekking van de erkenning wordt begonnen indien:

(…)

c. één afzonderlijke cusumbijdrage 9,6 of hoger is;

(…)