Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1346

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
201703630/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:1802, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2016 heeft het college aan Maas-Jacobs Vastgoed BV (hierna: vergunninghoudster) omgevingsvergunning verleend voor het project het oprichten van 20 appartementen op het perceel Stationsstraat 40 te Roosendaal (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703630/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], te Roosendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 maart 2017 in zaak nr. 16/6891 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2016 heeft het college aan Maas-Jacobs Vastgoed BV (hierna: vergunninghoudster) omgevingsvergunning verleend voor het project het oprichten van 20 appartementen op het perceel Stationsstraat 40 te Roosendaal (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 augustus 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2018, waar [appellant], advocaat te Roosendaal, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.N. van den Heykant-Berman, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van het pand [locatie] en exploiteert daarin een advocatenkantoor.

    Bij besluit van 8 april 2016 heeft het college aan vergunninghoudster omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) ten behoeve van het oprichten van 20 appartementen op het perceel. Bij besluit van 3 augustus 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen ingediende bezwaarschrift onder aanpassing van de motivering ongegrond verklaard. Naar aanleiding van het door [appellant] tegen dat besluit ingediende beroepschrift heeft de rechtbank onder andere geoordeeld dat het project in overeenstemming is met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening. [appellant] kan zich niet met dit oordeel verenigen.

Nieuwe situatietekening

2.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte in de bezwaarfase de situatietekening heeft vervangen, slaagt niet. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat vergunninghoudster bij haar aanvraag om omgevingsvergunning van 19 januari 2016 een situatietekening heeft gevoegd waarop 24 parkeerplaatsen zijn ingetekend ten behoeve van de te bouwen appartementen. In de bezwaarfase is door vergunninghoudster een nieuwe tekening overgelegd. De situering, maatvoering en verdeling van de parkeerplaatsen is op de nieuwe situatietekening aangepast. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat de situatietekening in de bezwaarfase niet aangepast zou mogen worden, omdat het geen aanpassing betreft die zodanig omvangrijke wijzigingen bevat dat niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken.

Parkeren

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren wegens strijd met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening gemeente Roosendaal (hierna: de Bouwverordening) en de Nota parkeernormen, vastgesteld in december 2011. Volgens hem voorziet het project niet in voldoende parkeerplaatsen. In dat kader voert hij aan dat de door het college gehanteerde parkeernormen niet in overeenstemming zijn met de Nota parkeernormen. Volgens hem hebben hogere parkeernormen te gelden, omdat het project, anders dan het college stelt, is gelegen buiten de centrumring en het project voorziet in appartementen die binnen de hoogste prijsklasse vallen.

3.1.    Artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening luidt:

"Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer."

Ter invulling van hetgeen in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening hanteert het college de Nota Parkeernormen.

De parkeernormen per wooneenheid opgenomen voor de functie wonen binnen de centrumring bedragen:

Koop: hoge prijsklasse: 1,40 parkeerplaatsen

Koop: middenklasse: 1,30 parkeerplaatsen

Koop: lagere prijsklasse: 1,20 parkeerplaatsen.

De parkeernormen per wooneenheid opgenomen voor de functie wonen buiten de centrumring bedragen:

Koop: hoge prijsklasse: 2,00 parkeerplaatsen

Koop: middenklasse: 1,80 parkeerplaatsen

Koop: lagere prijsklasse: 1,50 parkeerplaatsen.

3.2.    Het college is er bij het bepalen van de van toepassing zijnde parkeernormen in de Nota Parkeernormen van uitgegaan dat het bouwplan is voorzien binnen de centrumring en dat de woningen waarin het project voorziet in de lagere prijsklasse vallen.

    In de Nota Parkeernormen is het begrip centrumring niet gedefinieerd. In het besluit op bezwaar van 3 augustus 2016 heeft het college gemotiveerd wat volgens hem onder centrumring moet worden verstaan en heeft daarbij verwezen naar zijn vaste gedragslijn. In dat kader heeft het college naar diverse (beleid)stukken verwezen waarin het begrip wel staat omschreven. Uit deze stukken, waaronder het ten tijde van het tot stand komen van de Nota Parkeernormen geldende Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2008-2015 en het rapport Roosendaal Gezonde Stad 2014, blijkt volgens het college in voldoende mate wat ter plaatse onder centrumring moet worden verstaan te weten de aaneengesloten ring gevormd door de Stationsstraat, Brugstraat, Boulevard, Laan van België, Laan van Limburg en Laan van Brabant. Het project is voorzien binnen dit gebied. De rechtbank heeft deze door het college gegeven motivering terecht niet kennelijk onredelijk geacht. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het feit dat, zoals door [appellant] is aangevoerd, in het Verkeersbesluit Centrumring Roosendaal van 28 december 2016 een andere centrumring wordt gehanteerd, waardoor het project buiten de centrumring zou zijn voorzien, niet leidt tot een ander oordeel. Dit verkeersbesluit dateert van na het besluit op bezwaar, zodat het college daarmee geen rekening heeft hoeven houden.

    In de Nota Parkeernormen is voorts het begrip prijsklasse niet gedefinieerd. Het college heeft in het besluit op bezwaar van 3 augustus 2016 gemotiveerd dat op de woningen waarin het project voorziet de lagere prijsklasse van toepassing is. Het college heeft toegelicht dat voor de invulling van de in de Nota Parkeernormen opgenomen prijsklassen de prijsklassen op basis van het Regionaal Ruimtelijk Overleg met de provincie Noord-Brabant worden gevolgd. In de Regionale Agenda Wonen deel A en B van de provincie Noord-Brabant zijn per januari 2016 de prijsklassen als volgt ingedeeld: koop-goedkoop > € 185.000,00, koop-middelduur € 185.000,00 - € 275.000,00 en koop-duur € 275.000,00. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college voor het definiëren van de prijsklassen aansluiting heeft mogen zoeken bij de door het Regionaal Ruimtelijk Overleg Noord-Brabant gehanteerde prijsklassen. [appellant] heeft alleen gesteld en niet aannemelijk gemaakt dat het college door aldus aan te sluiten geen vaste gedragslijn volgt. Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de keuze voor de definiëring van de prijsklassen niet voldoende heeft gemotiveerd.

    Nu het project is voorzien binnen de centrumring en de 20 woningen waarin het project voorziet zijn gelegen binnen de lagere prijsklasse, heeft het college terecht besloten dat voor het project 24 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet voorziet in 24 parkeerplaatsen. In dat kader voert hij aan dat het college bij de vraag of is voorzien in voldoende parkeerplaatsen de extra parkeerplaatsen, behorende bij al gerealiseerde nieuwbouwwoningen op de Burgemeester Schoonheijtstraat 3 t/m 29, niet mocht betrekken. Bovendien is niet duidelijk welke parkeerplaatsen extra zijn, aldus [appellant].

4.1.    Ter zitting is aan de hand van de situatietekening van 13 juli 2016 duidelijk geworden dat het bouwplan voorziet in 24 parkeerplaatsen. Uit deze situatietekening volgt welke parkeerplaatsen bestemd zijn voor het appartementencomplex, welke parkeerplaatsen toebehoren aan het nieuwbouwproject op de Burgemeester Schoonheijtstraat 3 t/m 29 en bij het naburige perceel Stationsstraat 39. Niet is gebleken dat door het bouwplan een tekort aan parkeerplaatsen ontstaat voor het nieuwbouwproject aan de Burgemeester Schoonheijtstraat. De rechtbank heeft gelet hierop terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het bouwplan niet voorziet in de 24 noodzakelijke parkeerplaatsen.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een aantal van de parkeerplaatsen waarin het project voorziet feitelijk niet voldoet aan de minimale maatvoering voor parkeerplaatsen.

5.1.    Uit de situatietekening van 13 juli 2016, die onderdeel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning, volgt dat de afmetingen van de parkeerplaatsen voldoen aan de minimale afmetingen van 1,8 m bij 5 m als bedoeld in artikel 2.5.30, tweede lid, onder a, van de Bouwverordening. Dat de parkeerplaatsen, naar gesteld, in werkelijkheid andere afmetingen zouden hebben is een kwestie van handhaving, die in deze procedure niet aan de orde kan komen.

    Het betoog faalt.

Bodemverontreiniging

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroepsgrond over bodemverontreiniging niet wegens strijd met de goede procesorde buiten behandeling kon laten. Volgens hem was het college wel in de gelegenheid daarop ter zitting te reageren.

6.1.    Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer. De rechtbank heeft in dit geval de ter zitting naar voren gebrachte beroepsgrond, gelet op het feit dat [appellant] deze grond niet eerder dan ter zitting heeft aangevoerd en, anders dan hij stelt, het college daar niet inhoudelijk op heeft kunnen reageren, in redelijkheid onbesproken kunnen laten.

    Het betoog faalt.

Afvalcontainers

7.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er niet voldoende ruimte is om ondergrondse afvalcontainers te plaatsen, kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het bouwplan niet voorziet in ondergrondse containers en er in dit geval evenmin een wettelijke verplichting bestaat om daarin te voorzien.

Conclusie

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Drop    w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

776.