Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1335

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201800919/1/A2 en 201800919/2/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2017 heeft het CBR aan [appellante] een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800919/1/A2 en 201800919/2/A2.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

    

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 3 januari 2018 in zaak nrs. 17/8060 en 17/8061 in het geding tussen:

[appellante]

en

de algemeen directeur (lees: de directie) van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2017 heeft het CBR aan [appellante] een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.

Bij besluit van 16 oktober 2017 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het CBR heeft een nader stuk en een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 april 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M. van Viegen, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door [gemachtigde], en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 20 mei 2017 is [appellante] door de politie aangehouden als bestuurder van een motorrijtuig, waarbij bij haar een alcoholgehalte van 120 µg/l is geconstateerd. De Politie Haaglanden heeft dit aan het CBR gemeld. Hierbij heeft de politie tevens gemeld dat [appellante] op 13 februari 2016 en 29 april 2015 eveneens is aangehouden als bestuurder van een motorrijtuig en dat op die data een ademalcoholgehalte van 240 µg/l onderscheidenlijk 115 µg/l is geconstateerd. Naar aanleiding hiervan heeft het CBR aan [appellante] een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst. Dit besluit heeft het CBR in bezwaar gehandhaafd, hetgeen in beroep stand heeft gehouden. [appellante] kan zich niet met het oordeel van de rechtbank verenigen en is hiertegen in hoger beroep gekomen. Omdat zij voor vervoer naar studie, werk en familie haar rijbewijs nodig heeft, heeft zij tevens om een voorlopige voorziening gevraagd.

2.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

3.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR gehouden was aan [appellante] een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen. De stelling van [appellante] dat het CBR al bij de eerste of tweede aanhouding een Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (hierna: EMA) had moeten opleggen, volgt de rechtbank niet omdat het CBR niet eerder op de hoogte was van de overtredingen van [appellante] in 2015 en 2016. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat het niet eerder handelen niet op een besluit van het CBR berust, zodat [appellante] daaraan niet het vertrouwen kon ontlenen dat deze twee aanhoudingen zonder gevolgen zouden blijven. Daarnaast ontslaat het niet volgen van een EMA [appellante] niet van haar eigen verantwoordelijkheid als bestuurder en had zij enkel vanwege het feit dat zij al tweemaal was aangehouden voor het rijden onder invloed van alcohol, moeten weten dat het gebruik van alcohol in het verkeer niet wordt geaccepteerd en zware gevolgen kan hebben. Dat [appellante] de kosten voor het onderzoek naar de geschiktheid niet tijdig heeft betaald komt voor haar eigen rekening, aldus de rechtbank.

Hogerberoepschrift

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het CBR gehouden was aan haar een onderzoek naar de geschiktheid op te leggen. Volgens [appellante] heeft het CBR een zekere mate van beleidsruimte en heeft het CBR ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheden van het geval en haar persoonlijke omstandigheden. De overschrijdingen van de norm waren gering en zijn, nog voor het behalen van haar autorijbewijs, geconstateerd toen zij op een snorfiets met een beperkte maximale snelheid reed.

    Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank, gelet ook op haar persoonlijke omstandigheden en de omstandigheden van het geval, niet heeft onderkend dat het CBR bij de oplegging van het onderzoek naar de geschiktheid het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden. Hierbij is volgens haar tevens van belang dat naar aanleiding van de eerdere aanhoudingen geen mededeling aan het CBR is gedaan, waardoor haar destijds geen EMA is opgelegd.    

    Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet volgen van een EMA haar niet ontslaat van haar eigen verantwoordelijkheid als bestuurder. [appellante] voert hiertoe aan dat juist het volgen van deze cursus haar inzichten had kunnen verlenen en haar (rij)gedrag had kunnen laten veranderen, terwijl de oplegging van het onderzoek naar de geschiktheid dit doel niet dient.

    Tot slot betoogt [appellante] dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat zij niet in staat was de kosten van de cursus te voldoen.

Beoordeling van het hogerberoepschrift

5.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het CBR, gelet op het feit dat binnen een periode van vijf jaar driemaal proces-verbaal is opgemaakt op verdenking van het besturen van een motorrijtuig onder de invloed van alcohol, gehouden was aan [appellante] een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 op te leggen. Van beleidsruimte is geen sprake.

    Dat het CBR [appellante] naar aanleiding van een eerder voorval geen EMA heeft opgelegd dient, zoals de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL1828) heeft geoordeeld, niet voor rekening van het CBR te komen, nu het CBR niet eerder op de hoogte was van de aanhoudingen in 2015 en 2016. Het CBR is pas na de aanhouding op 20 mei 2017 van deze aanhoudingen op de hoogte gesteld. Dat destijds geen EMA is opgelegd, berust dus niet op een door het CBR genomen beslissing, zodat, anders dan [appellante] stelt, aan dit uitblijven geen vertrouwen jegens het CBR kan worden ontleend dat geen aanleiding tot het vorderen van een onderzoek naar de geschiktheid bestaat. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is in het licht van het voorgaande evenmin sprake. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat het niet volgen van een EMA [appellante] niet ontslaat van haar eigen verantwoordelijkheid als bestuurder.

    Voor zover [appellante] opkomt tegen het moeten voldoen van de kosten van oplegging en de kosten van het onderzoek, wordt overwogen dat uit artikel 133 van de WvW 1994 volgt dat die kosten ten laste komen van betrokkene. Voor betaling van de kosten van oplegging heeft het CBR [appellante] een termijn van tien weken gegeven en voor de betaling van de kosten van het onderzoek kon [appellante] het CBR om betaling in termijnen verzoeken. [appellante] heeft van het aanbod van een betaling in termijnen geen gebruik gemaakt. Niet is gebleken dat zij niet tot betaling in staat was.

    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Van Dokkum

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

480-856. BIJLAGE

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 131

"1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

[...]

c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:

a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt; […].

3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid. […]"

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 23

"1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:

[…]

c. ten aanzien van betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste drie maal proces-verbaal is opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder, of waarbij hij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat artikel;

[…]"