Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1330

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201703437/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:3203, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2015 heeft het college de aan [wederpartij] verleende parkeervergunning voor het adres [locatie] met ingang van 1 maart 2016 ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703437/1/A3.

Datum uitspraak: 2 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2017 in zaak nr. 16/5136 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Amsterdam,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2015 heeft het college de aan [wederpartij] verleende parkeervergunning voor het adres [locatie] met ingang van 1 maart 2016 ingetrokken.

Bij besluit van 27 juli 2016 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 maart 2017 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 juli 2016 vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft bij brief van 29 mei 2017 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar. De rechtbank heeft dit beroep bij brief van 10 november 2017 met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) doorgezonden aan de Afdeling.

Bij besluit van 13 juni 2017 heeft het college gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] beslist. Het college heeft het bezwaar met verbetering van de motivering wederom ongegrond verklaard.

[wederpartij] heeft daartegen beroep ingesteld en een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met de zaken met nrs. ECLI:NL:RVS:2018:1329 en ECLI:NL:RVS:2018:1331, ter zitting behandeld op 16 maart 2018, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D.R. de Vries, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. F.R.G. Keijzer, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

RELEVANTE REGELGEVING

1.    De relevante bepalingen uit de Parkeerverordening 2013 en het Uitwerkingsbesluit parkeerverordening stadsdeel Oost 2016 (hierna: Uitwerkingsbesluit 2016), zoals deze golden ten tijde van belang, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maken daarvan deel uit.

BEROEP NIET TIJDIG BESLISSEN

2.    Vast staat dat het college niet binnen de termijn die daarvoor in de aangevallen uitspraak is gesteld een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen. Nadien heeft het college alsnog een nieuw besluit op bezwaar genomen. Gelet hierop heeft [wederpartij] geen procesbelang meer en dient het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk te worden verklaard. Wel ziet de Afdeling aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten die verband houden met het niet tijdig nemen van een besluit.

HET BESLUIT VAN 27 JULI 2016

Het besluit op bezwaar

3.    Bij het besluit op bezwaar heeft het college zijn besluit van 16 november 2015 tot intrekking van de bewonersparkeervergunning van [wederpartij] gehandhaafd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de woning van [wederpartij] op het adres [locatie] in een (deel)vergunninggebied ligt waar het vergunningenplafond is vastgesteld op nul. Daarom wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor een bewonersparkeervergunning en is de vergunning terecht op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening 2013 ingetrokken.

De aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft overwogen dat de Afdeling bij uitspraak van 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:750) heeft geoordeeld dat wanneer een vergunningenplafond van nul is vastgesteld in een bepaald gebied, een vergunning terecht wordt ingetrokken door het college omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de Parkeerverordening 2013. Op 15 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:392) heeft de Afdeling een nieuwe uitspraak gedaan waarin het tegenovergestelde is geoordeeld. Uit deze uitspraak volgt dat het college de bewonersparkeervergunning niet mag intrekken op de grondslag dat sprake is van een vergunningenplafond van nul, omdat dit niet een zelfstandige intrekkingsgrond is in de Parkeerverordening 2013, aldus de rechtbank.

5.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar voornoemde meest recente uitspraak geoordeeld dat het college de bewonersparkeervergunning niet had mogen intrekken op de grond dat sprake is van een vergunningenplafond van nul. Een bewonersparkeervergunning kan op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening 2013 slechts worden ingetrokken indien niet langer aan de voorwaarden genoemd in artikel 9, eerste lid, van de Parkeerverordening 2013 wordt voldaan, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep

6.    Het college betoogt dat het op grond van de Parkeerverordening 2013 wel bevoegd is om de parkeervergunning in te trekken. Primair stelt het college zich op het standpunt dat de grondslag van de intrekking artikel 9, eerste lid, van het Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening stadsdeel Oost 2014 (hierna: Uitwerkingsbesluit 2014) is. Dit artikelonderdeel betreft een krachtens artikel 9, tweede lid, van de Parkeerverordening 2013 gestelde voorwaarde waar niet aan is voldaan zodat de bewonersparkeervergunning op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening 2013 diende te worden ingetrokken. Subsidiair stelt het college zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2017 heeft geoordeeld dat een bewonersparkeervergunning niet kan worden ingetrokken op de grond dat een vergunningenplafond van nul geldt. Het college wijst er in dit verband op dat het de bevoegdheid moet hebben onterecht verleende bewonersparkeervergunningen in te trekken.

Het oordeel van de Afdeling

7.    Het standpunt van het college dat het besluit op bezwaar niet is gebaseerd op artikel 4 van het Uitwerkingsbesluit 2014 maar op artikel 9, tweede lid, van de Parkeerverordening 2013 en artikel 9 van het Uitwerkingsbesluit 2014, volgt de Afdeling niet. Blijkens het primaire besluit en het besluit op bezwaar is de intrekking van de bewonersparkeervergunning gebaseerd op de omstandigheid dat het adres van [wederpartij] is gelegen in een deelvergunningengebied waarvoor een vergunningenplafond van nul geldt en dus niet op de omstandigheid dat voor de woning van [wederpartij] een maximum van nul bewonersparkeervergunningen geldt.

8.    Voorts faalt het subsidiaire betoog dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2017 heeft geoordeeld dat een bewonersparkeervergunning niet kan worden ingetrokken op de grond dat een vergunningenplafond van nul geldt. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

8.1.    Bij de beoordeling van een aanvraag om een bewonersparkeervergunning wordt, zoals volgt uit artikel 32, eerste en tweede lid, van de Parkeerverordening 2013, een tweetrapssysteem gehanteerd. Hierbij wordt allereerst beoordeeld of wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de Parkeerverordening 2013 en vervolgens of de bewonersparkeervergunning moet worden geweigerd wegens het bereiken van het vergunningenplafond. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat een duidelijk onderscheid tussen deze twee stappen.

8.2.    Intrekking van een bewonersparkeervergunning vindt op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening 2013 plaats indien niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de Parkeerverordening 2013. Deze beoordeling komt overeen met de beoordeling die plaatsvindt bij voornoemde eerste stap. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 15 februari 2017 komt aan de zinsnede "de voorwaarden, gesteld bij of krachtens deze verordening" in de artikelen 32 en 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening 2013 dezelfde betekenis toe en wordt het bereiken van het vergunningenplafond niet begrepen onder deze voorwaarden. Dit betreft immers de tweede stap. Deze uitleg wordt ondersteund door artikel 37, tweede lid, aanhef en onder d, van de Parkeerverordening 2013 op grond waarvan tweede en derde bewonersparkeervergunningen kunnen worden ingetrokken indien het vergunningenplafond is bereikt. Een dergelijke bepaling zou niet nodig zijn geweest indien het college op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening 2013 reeds bevoegd zou zijn tot intrekking van een bewonersparkeervergunning wegens het bereiken van het vergunningenplafond. Steun voor voornoemd oordeel vindt de Afdeling tevens in artikel 27, zesde lid, van de Parkeerverordening 2013 op grond waarvan een verleende bewonersparkeervergunning stilzwijgend wordt verlengd indien wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de Parkeerverordening 2013. Indien onder deze voorwaarden tevens zou worden verstaan het bereiken van het vergunningenplafond, zou dit ertoe leiden dat in alle gebieden waarin het vergunningenplafond is bereikt, een terecht verleende bewonersparkeervergunning niet stilzwijgend wordt verlengd terwijl dit volgens het college wel de bedoeling is. In verband met het vorenstaande overweegt de Afdeling dat naar haar oordeel aan voornoemde zinsnede in de gehele Parkeerverordening 2013 dezelfde betekenis toekomt. Aan de omstandigheid dat inmiddels door de raad een nieuwe toelichting bij de Parkeerverordening 2013 is opgenomen, inhoudende dat onder het niet (langer) voldoen aan de voorwaarden mede wordt verstaan het bereiken van het vergunningenplafond van nul, komt geen betekenis toe reeds omdat deze toelichting geen afbreuk kan doen aan de duidelijke tekst en systematiek van de Parkeerverordening 2013.

8.3.    Het standpunt van het college dat het de bevoegdheid moet hebben onterecht verleende bewonersparkeervergunningen in te trekken, doet voorts niet af aan voornoemd oordeel. Immers, op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder d, van de Parkeerverordening 2013 kan het college in een dergelijk geval de bewonersparkeervergunning intrekken, mits de vergunninghouder wist of behoorde te weten dat de vergunningverlening onjuist was.

9.    Uit het vorenstaande volgt dat het college niet bevoegd is om op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening 2013 de bewonersparkeervergunning van [wederpartij] in te trekken wegens overschrijding van het vergunningenplafond. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar derhalve terecht wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigd.

10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

HET BESLUIT VAN 13 JUNI 2017

Het besluit op bezwaar

11.    In het besluit van 13 juni 2017 staat dat het bezwaar wederom ongegrond wordt verklaard en dat in het besluit een nadere motivering wordt gegeven. Voorts staan in het besluit twee redenen waarom [wederpartij] niet in aanmerking komt voor een bewonersparkeervergunning. Het adres [locatie] ligt in een vergunninggebied waarvoor een vergunningenplafond van nul geldt. Bovendien worden op grond van artikel 9, tweede lid, van de Parkeerverordening 2013 en artikel 9, eerste lid, van het Uitwerkingsbesluit 2016 in dit gebied geen bewonersparkeervergunningen verleend. Deze twee gronden vormen aanleiding de bewonersparkeervergunning niet te verlengen (lees: in te trekken).

Het oordeel van de Afdeling

12.    Daargelaten de vraag op welk moment een vergunningenplafond is ingesteld voor het vergunninggebied waarbinnen het adres van [wederpartij] valt, overweegt de Afdeling als volgt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het besluit van 27 juli 2016 volgt dat een bewonersparkeervergunning op grond van de Parkeerverordening 2013 niet kan worden ingetrokken wegens overschrijding van het vergunningenplafond.

13.    Ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening 2013 trekt het college een vergunning in, indien niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening of de vigerende Verordening Parkeerbelasting. In artikel 9 van de Parkeerverordening 2013 en artikel 9 van het Uitwerkingsbesluit 2016 staan voorwaarden in eerstgenoemde zin. Echter artikel 9, eerste lid, van het Uitwerkingsbesluit 2016 is, zoals [wederpartij] terecht betoogt, gelet op de redactie van dit artikellid in deze zaak niet van toepassing. Dit artikellid begint immers met het woord "behoudens" hetgeen een synoniem is voor "uitgezonderd". Op grond van dit artikellid bedraagt het aantal te verlenen bewonersparkeervergunningen per zelfstandige woning maximaal één uitgezonderd de nader aangeduide situatie. Dit betreft de situatie dat op grond van artikel 4, lid 1 of lid 2, een (deel)vergunningenplafond van 0 (nul) is vastgesteld voor het desbetreffende (deel)vergunninggebied. In dit geval is een (deel)vergunningenplafond van nul vastgesteld, zodat thans sprake is van de uitgezonderde situatie en artikel 9, eerste lid, van het Uitwerkingsbesluit 2016 niet van toepassing is. Het college heeft derhalve ten onrechte dit artikellid aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd. Hierbij betrekt de Afdeling dat dit artikellid, anders dan het college stelt, niet bepaalt dat geen bewonersparkeervergunningen worden verleend indien een vergunningenplafond van nul geldt. Met de zinsnede "Behoudens in de (deel)vergunninggebieden waarvoor in artikel 4, lid 1 of lid 2, een (deel)vergunningenplafond van 0 (nul) is vastgesteld, op grond waarvan in die gebieden geen bewonersparkeervergunningen worden verleend" wordt immers louter verwezen naar hetgeen geldt op grond van artikel 4, eerste en tweede lid, van het Uitwerkingsbesluit 2016. Voor zover het college heeft bedoeld niet artikel 9, eerste lid, van het Uitwerkingsbesluit 2016 maar deze artikelleden aan het besluit op bezwaar ten grondslag te leggen, wordt als volgt overwogen. Uit deze artikelleden volgt dat in het (deel)vergunningengebied waarbinnen de woning van [wederpartij] valt, een vergunningenplafond van nul geldt. Hiervoor is reeds overwogen dat een bewonersparkeervergunning op grond van de Parkeerverordening 2013 niet kan worden ingetrokken wegens overschrijding van het vergunningenplafond.

14.    Gelet op het vorenstaande is het besluit op bezwaar van 13 juni 2017 genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Slotoverwegingen

15.    Het beroep van [wederpartij] is gegrond. Het besluit op bezwaar van 13 juni 2017 dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding het college op te dragen om binnen 6 weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

16.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

17.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

18.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

III.    verklaart het beroep tegen het besluit van 13 juni 2017, kenmerk SPA/UIT/2017001774, gegrond;

IV.    vernietigt dat besluit;

V.    draagt het college op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van [wederpartij] te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

VI.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep van het college, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep tegen het besluit van 13 juni 2017 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro); geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018

559. BIJLAGE

Parkeerverordening 2013

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

gg. stallingsplaats: plaats, juridisch, feitelijk of planologisch bestemd of bedoeld om motorvoertuigen te stallen, gelegen buiten de openbare weg en niet voor het openbaar verkeer openstaand of toegankelijk;

[…]

Artikel 4 - Vergunninggebieden en aantal vergunningen

1. Het college kan regels vaststellen aangaande:

a. de indeling in vergunninggebieden en de grenzen daarvan;

b. het vergunningenplafond per vergunninggebied, dan wel een bewonersparkeervergunningenplafond en een bedrijvenvergunningenplafond per vergunninggebied;

[…]

f. het maximum aantal te verlenen vergunningen op basis van artikel 9, tweede, derde en vijfde lid en artikel 10, tweede, vijfde, zesde, tiende en elfde lid.

2. Bij het vaststellen van het vergunningenplafond, het bewonersparkeervergunningenplafond, het bedrijvenvergunningenplafond en het milieuparkeervergunningenplafond (en) wordt rekening gehouden met minimaal 10% noodzakelijke leegstand overdag per vergunninggebied.

Artikel 7 - soorten vergunningen

1. De op basis van deze verordening te verlenen bewonersparkeervergunningen betreffen uitsluitend:

a. de bewonersparkeervergunning als bedoeld in artikel 9;

[…]

Artikel 9 - de bewonersparkeervergunning

1. Het college kan een bewonersparkeervergunning verlenen aan de houder van een motorvoertuig die bewoner is van een zelfstandige woning, gelegen in een vergunninggebied, en een bewoner van die zelfstandige woning niet beschikt of niet kan beschikken over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats binnen de gemeente Amsterdam.

2. Het college kan in nadere regels bepalen dat per zelfstandige woning maximaal twee bewonersparkeervergunningen worden verleend, indien de bewoner of bewoners van die zelfstandige woning houder zijn van ten minste twee motorvoertuigen, behoudens het derde lid.

3. Het college kan in nadere regels bepalen dat in vergunninggebieden buiten de Ring A10 en in de vergunninggebieden in stadsdeel Noord per zelfstandige woning maximaal drie bewonersparkeervergunningen kunnen worden verleend, indien de parkeerdruk het toelaat en de bewoner of bewoners van die zelfstandige woning houder zijn van ten minste drie motorvoertuigen.

Artikel 27 - geldigheidsduur vergunningen

1. De geldigheid van bewonersparkeervergunningen en bijzondere vergunningen gaat in op de eerste dag van de maand, tenzij het college de ingang van de geldigheid bij nadere regeling anders heeft geregeld.

2. De bewonersparkeervergunningen vermeld in artikel 7, eerste lid, onder a tot en met l, zijn steeds geldig voor een periode van zes maanden, met dien verstande dat de geldigheid van de overloopvergunning onmiddellijk eindigt indien de houder niet langer op de in artikel 34 bedoelde wachtlijst staat.

3. In afwijking van het tweede lid kan de geldigheid van de bewonersparkeervergunningen, vermeld in artikel 7, eerste lid, onder a tot en met i, korter zijn dan zes maanden, indien:

[…]

c. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening of de vigerende Verordening Parkeerbelasting.

4. […]

5. […]

6. Behoudens het bepaalde in het zevende lid wordt de geldigheid van de in het tweede lid bedoelde bewonersparkeervergunningen en de kraskaartvergunning, verleend op basis van artikel 23, tweede lid, steeds stilzwijgend verlengd voor een periode van zes maanden, zolang is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening en de verschuldigde parkeerbelasting tijdig is voldaan.

Artikel 32 - weigeringsgronden

1. Een vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij of krachtens deze verordening.

2. Een bewonersparkeervergunning, een overloopvergunning, een bedrijfsvergunning, een ondernemersdagvergunning en een volkstuinvergunning wordt tevens geweigerd indien het vergunningenplafond van het desbetreffende vergunninggebied is bereikt.

3. Een bewonersparkeervergunning en een overloopvergunning wordt tevens geweigerd indien het bewonersparkeervergunningenplafond van het desbetreffende vergunninggebied is bereikt.

Artikel 34 Plaatsing wachtlijst

[…]

5. Indien een bewoner verhuist naar een ander vergunninggebied en direct voorafgaand aan de verhuizing over een bewonersparkeervergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, beschikte of daarvoor op een wachtlijst stond, is voor de volgorde tevens bepalend de datum waarop de vorige bewonersparkeervergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, is verleend of de datum van eerdere plaatsing op de wachtlijst, met dien verstande dat indien de periode tussen de genoemde datum en de datum van aanvraag van de nieuwe bewonersparkeervergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, langer is dan de wachttijd van de bovenste aanvrager, de vergunning terstond verleend wordt.

Artikel 37 - Intrekken van vergunningen

1. Het college trekt een vergunning in, indien:

a. de vergunninghouder daarom verzoekt;

b. blijkt dat bij de aanvraag om de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit op de aanvraag om de vergunning zou hebben geleid;

c. niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening of de vigerende Verordening Parkeerbelasting;

d. de vergunningverlening onjuist was en de vergunninghouder dit wist of behoorde te weten.

2. Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen, indien:

a. de vergunninghouder verhuist naar een ander vergunninggebied;

b. zich een wijziging voordoet in de omstandigheden voorzover die gewijzigde omstandigheden zich verzetten tegen instandlating van de verleende vergunning;

c. de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

d. op een adres twee of drie bewonersparkeervergunningen zijn verleend en het vergunningenplafond binnen het desbetreffende vergunninggebied inmiddels is bereikt;

e. de vergunninghouder de vergunning gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de vergunning is verleend.

3. […]

4. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder d, wordt de houder(s) van de vergunningen de keuze gelaten, of de eerste vergunning, de tweede vergunning dan wel de derde vergunning wordt ingetrokken.

5. Indien de houder(s) van de vergunningen zelf geen voorkeur aangeven, worden de tweede en de derde vergunning ingetrokken.

Artikel 46 - Overgangsbepalingen

[…]

6. bewonersparkeervergunningen en bijzondere vergunningen, verleend krachtens de Parkeerverordening 2009, worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening.

[…]

Uitwerkingsbesluit parkeerverordening stadsdeel Oost 2016

Artikel 2 Vergunninggebieden

In het stadsdeel bestaan de volgende vergunninggebieden:

[…]

k. Vergunninggebied Oost-11 (ZB-08), waarvan de buitengrenzen worden gevormd door:

(1) de Bert Haanstrakade; (2) de Wim Noordhoekkade; (3) de oostzijde van het Haveneiland Oost; (4) de zuidzijde van Rieteiland Oost; (5) de westzijde van het Rieteiland Oost; (6) het midden van het scheidingswater tussen Haveneiland West en Haveneiland Oost; (7) het midden van de Polygoongracht en (8) het midden van de sluis in de Bert Haanstrakade.

[…]

Artikel 3 Deelvergunninggebieden

[…]

9. Binnen het vergunninggebied Oost-11 (ZB-08) bestaan de volgende deelvergunninggebieden:

a. deelvergunninggebied Oost-11a. - Haveneiland Oost (ZB-08A), bestaande uit het gebied van het vergunninggebied Oost-11, met uitzondering van het gebied genoemd onder b.

b. deelvergunninggebied Oost-11b. - Uitgezonderde blokken Haveneiland Oost (ZB-08B), bestaande uit de volgende blokken:

[…]

• blok 46b., zijnde de adressen: Eva Besnyöstraat 36 t/m 92 (even), Pampuslaan 1 en IJburglaan 1503 t/m 1725 (oneven);

[…]

Artikel 4 Vergunningenplafond per (deel)vergunninggebied

1. De vergunningenplafonds voor bewonersparkeervergunningen en bedrijfsvergunningen gezamenlijk bedragen:

[…]

vergunninggebied Oost-11 (ZB-08 1.162 vergunningen

[…]

2. De deelvergunningenplafonds, voor zover van toepassing, bedragen voor bewonersparkeervergunningen en bedrijfsvergunningen gezamenlijk:

[…]

deelvergunninggebied Oost-11a. (ZB-08A) 1.162 vergunningen

deelvergunninggebied Oost-11b. (ZB-08B) 0 vergunningen

[…]

Artikel 9 Aantal te verlenen bewonersparkeervergunningen

1. Behoudens in de (deel)vergunninggebieden waarvoor in artikel 4, lid 1 of lid 2, een (deel)vergunningenplafond van 0 (nul) is vastgesteld, op grond waarvan in die gebieden geen bewonersparkeervergunningen worden verleend, bedraagt het aantal te verlenen bewonersparkeervergunningen per zelfstandige woning maximaal één bewonersparkeervergunning.

[…]