Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1328

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201701636/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:2367, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701636/1/V1.

Datum uitspraak: 23 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 januari 2017 in zaak nr. 16/17367 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2016 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 januari 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B. Aydin, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Met de aanvraag beoogt de vreemdeling verblijf met het doel arbeid als zelfstandige als vennoot bij [restaurant]. De staatssecretaris heeft de afwijzing van die aanvraag gehandhaafd omdat in februari 2016 een nieuwe vennoot is toegetreden tot de vennootschap en de ter onderbouwing van de aanvraag overgelegde stukken daarom niet meer kunnen dienen als basis voor advisering door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: de RvO, voordien: Agentschap NL) over de vraag of met de arbeid van de vreemdeling als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

2.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de vreemdeling twee positieve adviezen van 21 november 2012 van Agentschap NL heeft overgelegd in gevallen waarin vennoten waren uitgetreden. Volgens de rechtbank heeft elke wijziging in de samenstelling van de onderneming, ongeacht of dit een uittredende of een toetredende vennoot betreft, gevolgen of kan die hebben voor onder meer de bedrijfsvoering en de winstdeling en kan uit door de vreemdeling in beroep overgelegde adviezen worden afgeleid dat dergelijke wijzigingen niet op voorhand leiden tot een negatief advies van de RvO. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris onzorgvuldig gehandeld door de adviesaanvraag in te trekken en het advies van RvO niet af te wachten alvorens op het bezwaar te beslissen. Zij heeft om die reden het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

3.    De vreemdeling wordt niet gevolgd in zijn betoog dat het hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk is omdat de vreemdeling aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning op grond van het zogenoemde driejarenbeleid. Alleen al omdat de vreemdeling niet in het bezit is gesteld van zo'n verblijfsvergunning en de rechtbank het besluit heeft vernietigd, heeft de staatssecretaris belang bij een beslissing op het door hem ingestelde hoger beroep.

4.    De enige grief van de staatssecretaris richt zich tegen het onder 2. weergegeven oordeel van de rechtbank. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de gevallen waarin de adviezen zijn uitgebracht waarnaar de vreemdeling heeft verwezen en waarop de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd, niet vergelijkbaar zijn met dit geval en dat de in bezwaar door de vreemdeling overgelegde stukken ter onderbouwing van zijn aanvraag geen betrekking hebben op de situatie na toetreding van een extra vennoot tot de onderneming.

5.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de wijziging in de samenstelling van de onderneming gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering en de winstdeling. De twee positieve adviezen van 21 november 2012 van Agentschap NL, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, zijn echter uitgebracht in zaken over dezelfde, niet de in deze zaak aan de orde zijnde, vennootschap die niet vergelijkbaar zijn met dit geval. De staatssecretaris heeft er terecht op gewezen dat uit eerder in die twee gevallen uitgebrachte adviezen van Agentschap NL van 10 mei 2012 kan worden opgemaakt dat Agentschap NL in die gevallen advisering slechts heeft doorgezet omdat een door de aanvragers uit eigen beweging overgelegd recenter ondernemingsplan bij een hernieuwde adviesaanvraag van de staatssecretaris was gevoegd dat als basis kon dienen voor advisering op grond van de nieuwe situatie. Bovendien hebben de aanvragers in die twee gevallen, na het uitbrengen van de adviezen van 10 mei 2012, uit eigen beweging nieuwe stukken overgelegd over de betreffende vennootschap waarop de positieve adviezen van 21 november 2012 zijn gebaseerd. In dit geval heeft de vreemdeling geen aangepast ondernemingsplan en nieuwe stukken overgelegd die uitgaan van de nieuwe situatie met een extra vennoot in de vennootschap. Gelet hierop heeft de rechtbank in de twee positieve adviezen van 21 november 2012 ten onrechte aanleiding gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris een advies van de RvO ondanks de wijziging in de vennootschap had moeten afwachten.

    De grief slaagt.

6.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

7.    Voor zover de vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris hem had moeten horen gelet op de door hem in bezwaar overgelegde stukken, faalt dat betoog. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat nu die stukken niet uitgaan van de nieuwe situatie met een extra vennoot in de vennootschap, deze alleen daarom al niet konden leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar.

8.    Het beroep is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 januari 2017 in zaak nr. 16/17367;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Willems

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2018

412.