Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1326

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201702996/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:1544, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702996/1/V1.

Datum uitspraak: 23 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 maart 2017 in zaak nr. 16/22632 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 6 september 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B. Aydin, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling, met de Turkse nationaliteit, beoogt met de aanvraag verblijf met het doel arbeid als zelfstandige, als eigenaar van een kapperszaak. De staatssecretaris heeft de afwijzing van die aanvraag gehandhaafd omdat de daarbij overgelegde stukken onvoldoende zijn om advies te vragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: de RvO) over de vraag of die arbeid een wezenlijk Nederlands belang dient zodat de vreemdeling dit daarom niet aannemelijk heeft gemaakt.

2.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris niet heeft gereageerd op nader door de vreemdeling overgelegde financiële stukken en andere financiële stukken wel inhoudelijk heeft beoordeeld terwijl een dergelijke beoordeling juist tot de expertise van de RvO behoort. Gelet op de inhoud van de financiële stukken, het aangepaste ondernemingsplan en het feit dat de staatssecretaris een aantal stukken heeft beoordeeld en andere onbesproken heeft gelaten, heeft de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aanvraag onvoldoende is onderbouwd om de RvO om advies te vragen en ondeugdelijk gemotiveerd dat met de beoogde arbeid als zelfstandige geen wezenlijk Nederlands belang is gediend, aldus de rechtbank.

3.    In de enige grief betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte tot dat oordeel is gekomen. Volgens de staatssecretaris heeft hij aan het besluit mede ten grondslag gelegd dat in het ondernemingsplan een op de onderneming toegespitste markt- en concurrentieanalyse ontbreekt en heeft hij zich reeds daarom terecht op het standpunt gesteld dat de stukken onvoldoende zijn om de RvO te vragen om advies.

4.    Onder verwijzing naar de uitspraak van 6 februari 2015, (ECLI:NL:RVS:2015:410) overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris in redelijkheid kan verlangen dat een vreemdeling de volgens paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 vereiste stukken overlegt die nodig zijn om te beoordelen of die vreemdeling aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang voldoet, mits de vreemdeling daarover redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. In die paragraaf, zoals die luidde ten tijde van belang, is vermeld dat de staatssecretaris een ondernemingsplan dat informatie bevat over - onder meer - een marktanalyse toegespitst op het eigen product of de eigen dienst beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van een adviesaanvraag bij het ministerie van Economische Zaken. De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in de door de vreemdeling overgelegde ondernemingsplannen van 21 maart en 1 augustus 2016 een markt- en concurrentieanalyse toegespitst op de door de eigen onderneming aangeboden diensten ontbreekt. In die ondernemingsplannen wordt slechts ingegaan op macro-economische ontwikkelingen in de kappersbranche in Nederland en de aanwezigheid van potentiele klanten in het marktgebied, maar in het geheel geen inzicht gegeven in en ingegaan op de aanwezigheid van andere kapperszaken in het marktgebied van de beoogde onderneming. Dat de vreemdeling financiële gegevens heeft overgelegd, betekent niet dat de staatssecretaris bij de door hem te beantwoorden vraag of de aanvraag voor advies wordt voorgelegd aan de RvO ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het ontbreken van een toereikende markt- en concurrentieanalyse toegespitst op het eigen product of de eigen dienst in het ondernemingsplan.

    De grief slaagt.

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

6.    De vreemdeling heeft, onder verwijzing naar zeven uitspraken van de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Amsterdam, aangevoerd dat in die zaken soortgelijke stukken zijn overgelegd en de staatssecretaris wel advies heeft gevraagd aan de RvO. Met die enkele verwijzing heeft de vreemdeling echter niet onderbouwd dat in die zaken vergelijkbare ondernemingsplannen zijn overgelegd waarin ook een markt- en concurrentieanalyse ontbrak en de staatssecretaris niettemin advies heeft gevraagd aan de RvO.

    De beroepsgrond faalt.

7.    De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris hem ten onrechte niet in bezwaar heeft gehoord. Volgens de vreemdeling stond niet op voorhand vast dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit en had hij in een hoorzitting feiten en omstandigheden naar voren kunnen brengen die zouden kunnen leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar.

    Nu de vreemdeling in bezwaar het ondernemingsplan niet heeft aangevuld met een markt- en concurrentieanalyse toegespitst op de door zijn onderneming te leveren diensten, kon het bezwaar reeds daarom niet leiden tot gegrondverklaring daarvan en tot herroeping van het afwijzende besluit op de aanvraag. Dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat de vreemdeling tijdens een hoorzitting nieuwe gezichtspunten te berde had kunnen brengen die tot gegrondverklaring van het bezwaar zouden hebben geleid, doet daaraan niet af, omdat de minister de beslissing om van horen af te zien dient te nemen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld. Gelet hierop heeft staatssecretaris er niet ten onrechte van afgezien de vreemdeling te horen in bezwaar.

    De beroepsgrond faalt.

8.    Het beroep is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 maart 2017 in zaak nr. 16/22632;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Willems

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2018

412.