Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1313

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
201703361/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:1927, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 augustus 2015 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een schuur op het perceel [locatie 1] te Hoogblokland (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703361/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Hoogblokland, gemeente Giessenlanden,

2.    [appellante sub 2], gevestigd te Hoogblokland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2017 in zaak nr. 16/3743 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

en

het college van burgemeester en wethouders van Giessenlanden.

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2015 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een schuur op het perceel [locatie 1] te Hoogblokland (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 april 2016 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 april 2016 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college, [appellante sub 2] en [appellant sub 1] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2018, waar [appellant sub 1], in persoon, bijgestaan door mr. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat te Rotterdam, en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.P. Stek, mr. E.A. Schep en ing. C. de Ruijter, die werkzaam is bij DLV Advies, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Op het perceel staat een schuur, die ooit voor jongvee in gebruik was en die in 1988 geheel is vernieuwd. [vergunninghoudster], rechtsvoorgangster van [appellante sub 2], heeft in 2015 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een fourage- en machineberging (hierna; schuur). In de aanvraag staat dat de schuur zal worden gebruikt voor de opslag van materiaal en materieel en overig gebruik ten behoeve van een agrarisch bedrijf. [appellant sub 1] woont op het aan het perceel grenzende perceel [locatie 2].

    Het college heeft zich in het in bezwaar gehandhaafde besluit op het standpunt gesteld dat de schuur in overeenstemming is met het bestemmingsplan en heeft de aangevraagde omgevingsvergunning verleend.

    De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd, omdat het college [appellant sub 1] in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet heeft gehoord over een aan dat besluit ten grondslag gelegd advies van 21 april 2016 van DLV Bouw, Milieu en Techniek B.V. (hierna: DLV). De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van het advies van DLV aannemelijk is dat [appellante sub 2] concrete plannen heeft om ter plaatse een reëel agrarisch bedrijf uit te oefenen, zodat de schuur ten dienste van een reëel agrarisch bedrijf staat en het bestemmingsplan de bouw van de schuur mogelijk maakt.

2.    [appellant sub 1] heeft ter zitting zijn grond dat [appellante sub 2] geen belang heeft bij een uitspraak op haar hoger beroep ingetrokken.

3.    [appellante sub 2] heeft betoogd dat [appellant sub 1] geen recht heeft om te ageren, omdat hij ervoor heeft gekozen om naast een agrarisch bedrijf te gaan wonen.

3.1.    Voor zover zij hiermee heeft beoogd te betogen dat [appellant sub 1] geen belanghebbende is bij het bij besluit van 21 april 2016 gehandhaafde besluit, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] woont op het naastgelegen perceel en dat zijn woning op zeer korte afstand van de schuur ligt. Zijn belang is om die reden rechtstreeks betrokken bij het besluit van 12 augustus 2015. De omstandigheid dat hij ter plaatse is komen wonen, terwijl de schuur er al stond en hem bekend zou zijn dat op het perceel een agrarisch bedrijf was gevestigd, doet hieraan niet af.

    Het betoog faalt.

4.    [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het besluit heeft vernietigd wegens strijd met artikel 7:9 van de Awb. De rechtbank had met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het geconstateerde gebrek dienen te passeren, aldus [appellante sub 2].

4.1.    Doordat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten, is [appellante sub 2] materieel over de bij besluit van 12 augustus 2015 verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van de schuur blijven beschikken. Onder deze omstandigheid ziet de Afdeling geen aanleiding om de grond van [appellante sub 2] dat de rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb, inhoudelijk te beoordelen. [appellante sub 2] heeft daarbij immers geen belang.

    Het betoog faalt.

5.    [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er in het verleden geen vergunning is verleend voor de bouw van de schuur. Zij stelt dat de rechtbank aanleiding had moeten zien om anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan in de uitspraak van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2404). Zij wijst erop dat uit foto’s blijkt dat de schuur al in 1920 dan wel 1945 op het perceel aanwezig was. Zij stelt dat het niet aan haar is om aan te tonen dat reeds een vergunning voor het bouwen van de schuur was verleend. Volgens [appellante sub 2] was verder het overgangsrecht van het bestemmingsplan op het bouwen van de schuur van toepassing, zodat reeds daarom een vergunning voor het bouwen niet is vereist. Zij wijst erop dat pas uit rechtspraak van jaren later blijkt dat een beroep op het bouwovergangsrecht voor het bouwen geen vergunningvervangende titel kan opleveren.

5.1.    In de uitspraak van 11 december 2013, in zaak nr. 201304681/1/A1, heeft de Afdeling geoordeeld dat het college bevoegd was handhavend op te treden tegen de zonder de daarvoor benodigde vergunning gebouwde jongveestal, waarmee de schuur wordt bedoeld. De Afdeling heeft daaraan ten grondslag gelegd dat door het college en door de rechtsvoorgangster van [appellante sub 2] is erkend dat voor de jongveestal geen bouwvergunning is verleend, althans niet bekend is of er ooit een vergunning voor de bouw van deze stal is verleend en dat dit ook niet meer kan worden achterhaald. Met de uitspraak van de Afdeling staat in rechte vast dat de schuur is gebouwd zonder de daarvoor vereiste vergunning voor het bouwen. De rechtbank is daar thans dan ook terecht van uitgegaan. Alles wat [appellante sub 2] over de vergunningplicht verder nog heeft aangevoerd, doet daaraan niet af.

    Het betoog faalt.

6.    [appellante sub 2] betoogt dat de procedures betreffende haar perceel rechtsongelijkheid in de hand werken en onevenredig veel schade voor haar veroorzaken.

    Deze grond richt zich niet tegen de aangevallen uitspraak, zodat daarin geen aanleiding wordt gevonden voor het oordeel dat de uitspraak niet in stand kan blijven.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Hij stelt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het advies van DLV van 21 april 2016, niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen, omdat het daaraan ten grondslag liggende onderzoek onvolledig is. Hij wijst in dit verband op de adviezen van Land&Co van 16 juni 2016 en 7 november 2016. Volgens [appellant sub 1] is er geen sprake van een (aanzet tot een) reëel agrarisch bedrijf, nu er geen veebezetting is, en de intentie en tijd, gericht op het exploiteren van een reëel agrarisch bedrijf, ontbreekt. Daarbij wijst hij erop dat ten behoeve van de bedrijfsvoering minder grond beschikbaar is dan waarvan DLV is uitgegaan. Verder zullen er volgens hem slechts 30 koeien worden gehouden. [appellant sub 1] stelt dat [appellante sub 2] geen objectieve gegevens heeft verstrekt, waaruit blijkt dat daadwerkelijk plannen bestaan om op het perceel 50 tot 55 stuks jongvee op te fokken. [appellant sub 1] wijst erop dat de op het perceel aanwezige schuur achterstallig onderhoud vertoont. Verder ontbreekt informatie over inkomsten uit en tijdsbesteding met betrekking tot het bedrijf, zo stelt hij.

7.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Giessenlanden" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch". De als zodanig aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a en r, van voorschriften van het bestemmingsplan bestemd voor het uitoefenen van een grondgebonden veehouderijbedrijf als genoemd in artikel 1.10, onder b, met daaraan ondergeschikt de in tabel 3.1 genoemde nevenfuncties met bijbehorend maximaal m2 aan bebouwing en gronden, die in gebruik mogen worden genomen ten dienste van de nevenfunctie. Inpandige opslag en stalling van producten is volgens tabel 3.1 toegestaan. In artikel 1.10, onder b, wordt ‘agrarisch bedrijf’ gedefinieerd als een grondgebonden veehouderij waarbij sprake is van het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond. In artikel 3.2, aanhef en onder c, is bepaald dat per bouwvlak uitsluitend gebouwen ten behoeve van één reëel agrarisch bedrijf mogen worden gebouwd.

7.2.    Uit de planregels volgt dat op het perceel slechts kan worden gebouwd ten behoeve van een reëel agrarisch bedrijf. Aan de eis dat het moet gaan om reëel agrarisch bedrijf is voldaan, indien het gaat om agrarische activiteiten met een werkelijk bedrijfsmatig karakter. Het bestemmingsplan vereist niet dat het moet gaan om een volwaardige agrarisch bedrijf.

    Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, kunnen voor de beantwoording van de vraag of (een aanzet tot) een reëel agrarisch bedrijf aanwezig is, naast inkomsten uit agrarische activiteiten andere bijkomende gegevens gewicht in de schaal leggen, zoals, onder meer, het grondareaal, de intentie waarmee de agrarische activiteiten worden ondernomen, de tijd die hieraan wordt besteed en de al of niet agrarische herkomst van betrokkene.

    Vast staat dat er ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit op bezwaar nog geen veebezetting was, zodat de vraag bij de rechtbank voorlag of destijds een aanzet tot een reëel agrarisch bedrijf aanwezig was.

    Blijkens de bij de aanvraag verstrekte bedrijfsinformatie stelt [appellante sub 2] voornemens te zijn 5 à 6 ha grond te gebruiken voor wisselteelt van maïs en daarnaast dagopvang van melk- en kalfkoeien op 19 à 21 ha open weidegrond met daarbij enkele aanvullende nevenactiviteiten in de gebouwen op het perceel.

    Het college heeft zijn besluit gebaseerd op onder meer de bij de aanvraag verstrekte gegevens en het advies van DLV. [appellant sub 1] heeft aan de rechtbank een rapport van Land&Co van 16 juni 2016 overgelegd, waarop DLV bij brief van 30 september 2016 heeft gereageerd. Vervolgens heeft Land&Co daarop bij brief van 7 november 2016 een reactie gegeven.

    In het DLV-advies zijn de volgende gegevens betrokken, waarvan [appellant sub 1] de juistheid niet heeft betwist. Volgens het DLV-advies is de mestopslagcapaciteit op het perceel toereikend. Onder de ligboxenstal bevindt zich een kleine mestkelder. Er is nog een mestkelder, die zich gedeeltelijk onder de schuur bevindt. In het advies van DLV staat verder dat een melkveehouder uit de omgeving van het perceel, waarmee de opsteller van het advies volgens het advies heeft gesproken, serieuze interesse heeft getoond om zijn jongvee te laten opfokken in het bedrijf van [appellante sub 2]. Een in 2005 verleende vergunning ingevolge de Wet milieubeheer zou het houden van 57 stuks rundvee, waarvan maximaal 50 koeien, mogelijk maken en ten behoeve van de plannen is in 2015 een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer gedaan, zo staat in het advies. Daarnaast is in het advies betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de maten van [appellante sub 2] een agrarisch herkomst hebben. In het aanvullende DLV-advies staat nog dat de opbrengsten van de voorgenomen activiteiten hoger zullen zijn dan de directe kosten. Verder heeft een jongvee-opfokbedrijf volgens DLV behoefte aan opslagruimte voor onder meer hooi, materiaal en materieel. In het advies noemt DLV de oppervlakte van de schuur passend voor het beoogde bedrijf.

    Wat betreft andere uitgangspunten van DLV, waarvan [appellant sub 1] de juistheid heeft betwist, overweegt de Afdeling als volgt.

    DLV gaat er in haar advies vanuit dat er netto 17,54 ha grond voor het bedrijf beschikbaar is. In het nadere advies van 30 september 2016 staat dat deze gronden in eigendom van [appellante sub 2] zijn. In zijn schriftelijke uiteenzetting licht het college toe dat het wat betreft deze gronden niet alleen gaat om de huiskavel, maar ook om andere gronden, en dat gronden van een voormalige maat van de rechtsvoorganger van [appellante sub 2] daarbij niet zijn meegenomen. Gelet op de gegeven toelichting van het college bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door DLV in aanmerking genomen omvang van het beschikbare grondareaal.

    In het advies van DLV staat verder dat [appellante sub 2] voornemens is een jongvee-opfokbedrijf met 50 à 55 dieren te exploiteren op het perceel. Wat betreft de stelling van [appellant sub 1] dat tijdens de hoorzitting in bezwaar is gebleken dat dat slechts 30 koeien zullen worden gehouden in de rundveestal, heeft het college in de schriftelijke uiteenzetting toegelicht dat de variant met 30 koeien is beoordeeld met het oog op de zogenoemde NGE-normering. Een dergelijke normering, waarmee de economische omvang van agrarische activiteiten werd weergegeven, is niet van belang voor de vraag of het gaat om de aanzet tot een reëel agrarisch bedrijf. Volgens het DLV-advies is, uitgaande van zowel 30 koeien als 50 à 55 stuks jongvee, sprake van een toereikende bedrijfsomvang. In wat is aangevoerd, bestaat geen aanleiding het advies in zoverre niet juist te achten.

    De door [appellant sub 1] gestelde omstandigheid dat het bedrijf zich volgens de inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel niet met jongvee bezighoudt, wat daar overigens ook van zij, is onvoldoende om te twijfelen aan de aard van de voorgenomen bedrijfsvoering. Een dergelijke inschrijving staat er immers niet aan in de weg dat jongvee op het perceel kan worden gehouden.

    Niet in geschil is dat op het perceel, naast een woning, een stal met 57 ligboxen aanwezig is. De aanwezige ligboxenstal is volgens DLV bouwkundig geschikt voor de huisvesting van jongvee. In het aanvullende advies van 30 september 2016 heeft DLV gesteld dat de hoofdconstructie (fundering, kelders, spanten en gordingen) in goede staat verkeren. Met een inhaalslag wat betreft de gevels (vervangen hout door stalen damwand) zou de stal weer jaren meekunnen. Het asbesthoudende dak dient uiterlijk in 2024 te worden vervangen, zo staat in het advies. Wat betreft de stelling van [appellant sub 1] dat deze stal achterstallig onderhoud vertoont, heeft het college in de schriftelijke uiteenzetting erop gewezen dat enig onderhoud is verricht en dat [appellante sub 2] niet zal worden aangeschreven onderhoud uit te voeren. In de staat van onderhoud bestaat naar het oordeel van de Afdeling daarom onvoldoende aanleiding dat DLV niet ervan heeft mogen uitgaan dat de ligboxenstal kan worden gebruikt ten behoeve van de huisvesting van jongvee.

    Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de adviezen van DLV onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat het college die niet aan zijn in bezwaar gehandhaafde besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

    Het college heeft zich op grond van de adviezen op het standpunt mogen stellen dat sprake is van de aanzet tot een reëel agrarisch bedrijf. De gestelde omstandigheid dat het advies geen expliciete informatie bevat over de intentie van de maten en tijdsbesteding, leidt niet tot een ander oordeel. Verder overweegt de Afdeling dat in de niet nader onderbouwde stelling dat veehouderijen te maken hebben met fosfaatproblematiek evenmin aanleiding wordt gevonden voor het oordeel dat de schuur niet dient ten behoeve van de aanzet tot een reëel agrarisch bedrijf.

    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bouw van de schuur in overeenstemming is met de bestemming.

    Het betoog faalt.

8.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

163.