Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1306

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
201704024/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2016 heeft het college aan Buko Bouwsystemen B.V. (hierna: Buko) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw ten behoeve van de vestiging van een basisschool (hierna: het project), op het perceel Rode Kruisstraat 10 te Amsterdam (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704024/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

2.    Buko Bouwsystemen B.V., gevestigd te Vuren, en de stichting Amsterdamse Oecumenische Scholengroep, gevestigd te Amsterdam,

3.    [appellanten sub 3], wonend te Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 april 2017 in zaak nrs. 16/2408 en 16/3292 in het geding tussen:

[appellanten sub 3]

[eiser bij de rechtbank]

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Noord (lees: het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam).

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2016 heeft het college aan Buko Bouwsystemen B.V. (hierna: Buko) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw ten behoeve van de vestiging van een basisschool (hierna: het project), op het perceel Rode Kruisstraat 10 te Amsterdam (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 4 april 2017 heeft de rechtbank de door onder meer [appellanten sub 3] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 4 april 2016 vernietigd en het algemeen bestuur opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college, Buko en de Stichting Amsterdamse Oecumenische Scholengroep (hierna: Amos) hoger beroep ingesteld.

[appellanten sub 3] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellanten sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. ECLI:NL:RVS:2018:1305, ter zitting behandeld op 9 oktober 2017, waar [appellanten sub 3], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Nooij, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1.    Op 5 januari 2016 heeft Buko, in opdracht van Amos, een omgevingsvergunning aangevraagd voor de herbouw van de Capelleschool op het perceel. Het gaat volgens het aanvraagformulier om een basisschool, bestaande uit twee bouwlagen en lessenaarsdaken.

    [appellanten sub 3] wonen op het adres [locatie]. Dit betreft een dwarsstraat van de Rode Kruisstraat, dichtbij de school. Zij kunnen zich niet met het project verenigen, omdat zij de impact van het schoolgebouw ter plaatse te groot vinden.

2.    Het college heeft naar aanleiding van deze aanvraag op 1 februari 2016 met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Tegen het ontwerpbesluit zijn door onder anderen [appellanten sub 3] zienswijzen ingediend. Het college heeft, onder weerlegging van de zienswijzen, bij het besluit van 4 april 2016, een omgevingsvergunning voor het project verleend.

    Niet in geschil is dat de aanvraag van 5 januari 2016 is ingediend voor precies hetzelfde project als waarvoor eerder, met het besluit van 11 augustus 2015, dat is gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 15 december 2015 (zaak nummer ECLI:NL:RVS:2018:1305), een omgevingsvergunning is verleend.

De hoger beroepen van het college, Buko en Amos

3.    Het college en Buko en Amos betogen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het besluit van 4 april 2016 onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft dit oordeel gebaseerd op haar uitspraak van 27 juli 2016 in de samenhangende zaak met zaak nr. 15/8281, en heeft daarmee het besluit ten onrechte ex nunc getoetst. Het college stelt dat het, toen het besluit op 4 april 2016 werd genomen, nog niet kon weten wat de rechtbank in procedurenr. 15/8281 zou oordelen over de juiste procedure bij het nemen van het besluit. Bovendien is volgens Buko en Amos het eindoordeel onjuist. De uitspraak van de rechtbank van 27 juli 2016 in zaak nr. 15/8281, had de rechtbank tot het oordeel moeten leiden dat de beroepen wegens gebrek aan belang ongegrond waren.

3.1.    Bij de uitspraak van de Afdeling van heden (ECLI:NL:RVS:2018:1305) is de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank van 27 juli 2016 bevestigd. Dit betekent dat het oordeel van de rechtbank in die procedure, te weten dat de omgevingsvergunning voor het project terecht met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure is verleend, in rechte vaststaat. Daarmee is de conclusie van de rechtbank in deze procedure, dat het besluit van 4 april 2016 niet met de juiste procedure is voorbereid, eveneens juist. De rechtbank heeft dat besluit dan ook terecht vernietigd. Dat het college ten tijde van dat besluit nog niet op de hoogte kon zijn van het oordeel van de rechtbank in de procedure met zaak nr. 15/8281, leidt niet tot een ander oordeel. Het betoog faalt.

    De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat op de aanvraag van 5 januari 2016 niet meer behoefde te worden besloten, aangezien reeds op een aanvraag met dezelfde inhoud was beslist bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 11 augustus 2015, dat onderwerp is van het geschil in de samenhangende procedure met zaak nr. ECLI:NL:RVS:2018:1305. De rechtbank heeft zoals vermeld terecht het besluit van 4 april 2016 vernietigd. Het college behoeft echter aan de opdracht om een nieuw besluit op de aanvraag te nemen geen uitvoering te geven, nu inmiddels een in rechte vaststaande omgevingsvergunning is verleend.    

4.    De hoger beroepen van het college, Buko en Amos zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [appellanten sub 3]

5.    [appellanten sub 3] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld op de voorwaarde dat de hoger beroepen van het college en Buko en Amos gegrond worden verklaard. Nu de Afdeling heeft geoordeeld dat de door het college en Buko en Amos ingestelde hoger beroepen ongegrond zijn, is de voorwaarde waaronder incidenteel hoger beroep is ingesteld niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep komen te vervallen.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Slump    w.g. Bolleboom

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018

641.