Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1300

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
201708475/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:6862, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2016 heeft de minister [appellante] ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wet inburgering (hierna: de Wi) een boete opgelegd van € 1.250,00 wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/199
NJB 2018/1004
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708475/1/V6.

Datum uitspraak: 18 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 september 2017 in zaak nr. 17/1265 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2016 heeft de minister [appellante] ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wet inburgering (hierna: de Wi) een boete opgelegd van € 1.250,00 wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht.

Bij besluit van 15 februari 2017 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. T. Holtrop, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Bij brief van 4 oktober 2013 heeft de minister [appellante] meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig is en voor 9 januari 2016 moet hebben voldaan aan deze plicht. Bij brief van 19 juni 2015 heeft de minister de inburgeringstermijn verlengd en [appellante] meegedeeld dat zij voor 17 september 2016 moet hebben voldaan aan de inburgeringsplicht. Aangezien [appellante] niet voor 17 september 2016 heeft voldaan aan de inburgeringsplicht, heeft de minister haar bij brief van 19 september 2016 meegedeeld dat zij een boete krijgt en dat de hoogte daarvan voorlopig € 1.250,00 is. In deze brief heeft de minister [appellante] in de gelegenheid gesteld nadere informatie toe te sturen en een telefonisch gesprek, een zogenoemde hoorzitting, aan te vragen om aan te geven waarom zij niet tijdig aan de inburgeringsplicht kon voldoen. De minister heeft hieraan toegevoegd dat, indien [appellante] geen gebruik maakt van deze mogelijkheid, zij een brief krijgt waarin is vermeld hoe hoog de boete wordt. [appellante] heeft hiertegen bij brief van 18 oktober 2016 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 december 2016 heeft de minister, voor zover thans van belang, [appellante] een boete opgelegd van € 1.250,00. Bij besluit van 15 februari 2017 heeft de minister deze boete gehandhaafd.

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de brief van 19 september 2016 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en dat de minister het bezwaarschrift van 18 oktober 2016 bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de brief van 13 januari 2017, waarin [appellante] heeft meegedeeld dat zij geen reactie op het bezwaarschrift van 18 oktober 2016 heeft ontvangen en dat de rechtsgrondslag aan de boete is ontvallen, terecht heeft aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 12 december 2016. Verder voert [appellante] aan dat de Wet inburgering (hierna: de Wi) in strijd is met de Grondwet.

3.    Op dit geding is de Wi van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de Wet van 23 juni 2017 (Stb. 2017, 285) op 1 oktober 2017.

    Artikel 7 van de Wi luidt: '1. De inburgeringsplichtige verwerft binnen drie jaar mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen en kennis van de Nederlandse samenleving. […] 3. Onze Minister verlengt de in het eerste lid bedoelde termijn: a. indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet voldoen aan de inburgeringsplicht, […]'

    Artikel 31 van de Wi luidt: '1. Onze Minister legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige die niet binnen de in artikel 7, eerste lid, genoemde termijn, of de met toepassing van artikel 7, derde lid, of van de krachtens artikel 7, vierde lid, aanhef en onderdeel a, gestelde regels verlengde termijn aan de inburgeringsplicht heeft voldaan. […]'

4.    In de brief van 19 september 2016 heeft de minister vermeld dat deze brief een voorlopige beschikking betreft. De minister heeft aangegeven dat [appellante] een boete zal krijgen, maar dat de hoogte ervan afhangt of zij op basis van nadere informatie aannemelijk kan maken dat zij niet binnen de gestelde termijn aan de inburgeringsplicht kon voldoen. Ook kon zij hiertoe om een telefonisch gesprek vragen. Zoals de minister in het verweerschrift bij de rechtbank reeds heeft aangeven, moet de brief van 19 september 2016 worden aangemerkt als een voornemen een boete op te leggen. Hoewel de formulering van deze brief ongelukkig is en voorstelbaar is dat dit tot verwarring heeft kunnen leiden, moet het er gelet op het vorenstaande voor worden gehouden dat deze brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dat de minister het telefonisch gesprek een hoorzitting noemt maakt dit niet anders, omdat het gebruik van het woord hoorzitting op zich niet betekent dat de brief van 19 september 2016 een besluit als evenbedoeld is.

    De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de minister de brief van 13 januari 2017, gelet op de bewoordingen ervan, terecht heeft aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit tot boeteoplegging van 12 december 2016. Hierdoor zijn de belangen van [appellante] niet geschaad. In dit bezwaarschrift heeft [appellante] verwezen naar de brief van 18 oktober 2016, zodat ervan uitgegaan moet worden dat de minister deze brief in de beoordeling van het bezwaar heeft betrokken.

    Voor zover [appellante] betoogt dat de Wi in strijd is met de Grondwet, overweegt de Afdeling dat zij, gelet op het bepaalde in artikel 120 van de Grondwet, niet bevoegd is de Wi te toetsen aan de Grondwet.

    Tot slot overweegt de Afdeling dat [appellante] alle gelegenheid heeft gehad op inhoudelijke gronden aan te voeren dat de boete ten onrechte aan haar is opgelegd. Van deze mogelijkheden heeft zij telkens, ook in hoger beroep, geen gebruik gemaakt. Aan de vraag of de boete terecht is opgelegd wordt derhalve niet toegekomen.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Groenendijk

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2018

164.