Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1278

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
201700557/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Oudehaske" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700557/1/R3.

Datum uitspraak: 18 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Oudehaske, gemeente de Fryske Marren,

en

de raad van de gemeente de Fryske Marren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Oudehaske" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij besluit van 31 oktober 2017 (hierna: het wijzigingsbesluit) heeft de raad het bestemmingsplan "Oudehaske" gewijzigd.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. E. Wiarda, en de raad, vertegenwoordigd door P. Loonstra, werkzaam bij de gemeente, en ing. A.R.J. Kramer, zijn verschenen. Verder is daar [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het plan

2.    Het plan is een juridisch-planologische regeling voor een groot deel van Oudehaske en heeft overwegend een conserverend karakter.

Het herstelbesluit van 31 oktober 2017

3.    Tegen het besluit van de raad van 26 oktober 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Oudehaske", is beroep ingesteld door [appellant]. Dit beroep heeft betrekking op het bedrijf zoals dat op het perceel [locatie 1] te Oudehaske wordt uitgeoefend. De raad wil op een aantal punten aan het beroep tegemoetkomen. De bestemming voor het perceel [locatie 1] was onbedoeld te ruim geformuleerd. De inrichtingsschets waarnaar in de regels werd verwezen was niet juist vertaald op de verbeelding van het bestemmingsplan en de parkeerbepaling verwees naar een beleidsnota, terwijl deze beleidsnota op 26 oktober 2016 nog niet was vastgesteld. Met het herstelbesluit van 31 oktober 2017 heeft de raad dit hersteld. De wijzigingen zijn aangebracht in de artikelen 5.1, 5.2.1, 5.4, 8.3.1 en artikel 26, van de planregels. Ook is de verbeelding voor het perceel [locatie 1] aangepast. Ten slotte is de toelichting aangepast en is een akoestisch onderzoek over het bedrijf op [locatie 1] als bijlage aan de toelichting toegevoegd.

Beroep van rechtswege

4.    Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het herstelbesluit van 31 oktober 2017 is een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb. Nu dat besluit niet geheel aan het beroep tegemoet komt heeft [appellant] belang bij het herstelbesluit van 31 oktober 2017 en heeft het beroep daarop mede betrekking.

Het plan zoals vastgesteld bij het herstelbesluit van 31 oktober 2017

5.    Bij brief van 28 december 2017 heeft [appellant] zijn beroepsgrond dat meer activiteiten mogelijk zijn dan één hoveniersbedrijf met de daarbij opgesomde activiteiten in artikel 5, lid 5.1, van de planregels, ingetrokken. Hij kan zich ook vinden in de aanpassing van de artikelen 5, lid 5.2.1, lid 5.4 en lid 8.3.1, van de planregels. [appellant] heeft verder zijn beroepsgrond over het aspect parkeren en zijn beroepsgrond over het aspect geluid ingetrokken.

6.    [appellant] richt zich tegen de bestemming "Groen - Afschermende beplanting" tussen zijn perceel en het hoveniersbedrijf en tuincentrum van [belanghebbende] op het buurperceel [locatie 1]. [appellant] betoogt in de eerste plaats dat ten onrechte niet in artikel 8, lid 8.3.1, van de planregels staat dat als afschermend groen inheemse beplanting moet worden gebruikt. Verder betoogt hij dat de groenstrook in noordelijke richting niet ver genoeg is doorgetrokken. Deze dient volgens hem te lopen tot de noordelijke plangrens. Ten slotte is [appellant] het er niet mee eens dat voor een gedeelte van de groenstrook een breedte wordt voorgeschreven van 2 m. Volgens hem moet de groenstrook overal 3 m breed zijn, zoals ook is geregeld in de vrijstelling die in 1997 met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend voor de vestiging van het hoveniersbedrijf en tuincentrum op het buurperceel.

6.1.    De raad stelt dat hij bij de vaststelling van het plan over de groenstrook  ten opzichte van het moment waarop vrijstelling is verleend een nieuwe ruimtelijke afweging heeft gemaakt en dat hij de breedte en de lengte van de groenstrook zoals het plan deze voorschrijft, thans toereikend acht om het gewenste afschermende effect te bereiken. Verder is het volgens de raad niet nodig om in de planregels op te nemen dat alleen beplanting van een inheemse soort mag worden gebruikt, omdat hij ook niet-inheemse beplanting toereikend vindt om het gewenste afschermende effect te creëren.

6.2.    Blijkens de verbeelding van het plan zoals dat is vastgesteld bij het herstelbesluit van 31 oktober 2017 is de bestemming "Groen - Afschermende beplanting" toegekend aan een strook grond tussen het perceel [locatie 1] en het perceel [locatie 2]. Over een lengte van ongeveer 53 m heeft deze strook grond een breedte van ongeveer 3 m en over een afstand van ongeveer 17 m heeft deze strook grond een breedte van ongeveer 2 m.

    Artikel 8, lid 8.1, van de planregels luidt: "De voor ‘Groen - Afschermende beplanting’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. afschermende beplanting;

met de daarbij behorende:

b. andere bouwwerken in de vorm van een erfafscheiding."

    Lid 8.3.1, aanhef en onder c, luidt: "Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: het gebruik van de gronden en gebouwen voor de voortzetting van de in artikel 5, lid 5.1 onder a, sub 1, tweede bullit, genoemde bedrijvigheid indien het afschermend groen niet is aangelegd. Het afschermend groen dient duurzaam in stand te worden gehouden. Onder afschermend groen moet in dit geval worden verstaan een bouwwerk in de vorm van een erfafscheiding met een hoogte van maximaal 2 m en een inrichting met groen overeenkomstig de inrichtingsschets zoals opgenomen in bijlage 5."

    Volgens de inrichtingsschets zoals opgenomen in bijlage 5 moet een groenstrook worden aangelegd met hoog opgaande beplanting met een hoogte van minimaal 2 m (bomen) en onderbegroeiing (struikgewas).

6.3.     De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding hoeven zien om in de planregels voor te schrijven dat inheemse beplanting moet worden gerealiseerd. Hiertoe wordt overwogen dat het afschermende effect ook kan worden gecreëerd met niet-inheemse beplanting. De Afdeling tekent hierbij aan dat zoals ter zitting door [appellant] is erkend in de vrijstelling van 1997 ook geen voorschrift was opgenomen dat inheemse beplanting moest worden gerealiseerd. Naar aanleiding van de stelling ter zitting dat het omliggende landschap ertoe leidt dat een ander soort groenstrook moet worden voorgeschreven, wordt overwogen dat de Afdeling de noodzaak daarvan niet aannemelijk acht gemaakt. Voorts wordt overwogen dat de groenstrook niet hoeft te worden doorgetrokken tot de noordelijke plangrens, omdat dit niet nodig is om de woning van [appellant] af te schermen tegen de bedrijfsactiviteiten op het buurperceel. Hierbij is van belang dat de woning van [appellant] staat op het zuidelijke perceelsgedeelte. Ten slotte acht de Afdeling met de raad aannemelijk dat het afschermende effect ook kan worden bereikt daar waar voor de beplanting een breedte is voorgeschreven van 2 m.

    De betogen falen.

Conclusie herstelbesluit

7.    Het beroep tegen het herstelbesluit is ongegrond.

Conclusie oorspronkelijke besluit

8.    Nu blijkens hetgeen hiervoor is overwogen het beroep tegen het herstelbesluit niet leidt tot vernietiging van dat besluit, wordt het besluit van 31 oktober 2017 onherroepelijk. Hieruit volgt dat aan het oorspronkelijke besluit in zoverre geen betekenis meer toekomt. Onder deze omstandigheden en nu niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van dit beroep, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant] in zoverre geen procesbelang meer heeft. In verband hiermee dient zijn beroep tegen het besluit van 26 oktober 2016 niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Proceskosten

9.    Nu de raad met het herstelbesluit gedeeltelijk aan het beroep van [appellant] tegemoet is gekomen ziet de Afdeling aanleiding de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant] te veroordelen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente de Fryske Marren van 26 oktober 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Oudehaske" niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente de Fryske Marren van 31 oktober 2017 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Oudehaske" ongegrond;

III.    veroordeelt de raad van de gemeente de Fryske Marren tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1252,50 (zegge: twaalfhonderdtweeënvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    gelast dat de raad van de gemeente de Fryske Marren aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Priem

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2018

646.