Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1273

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
201706154/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2017 heeft het college zijn beslissing om op 10 april 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte (€ 126,00) van de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [appellante] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706154/1/A1.

Datum uitspraak: 18 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2017 heeft het college zijn beslissing om op 10 april 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte (€ 126,00) van de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 20 juni 2017, verzonden op 21 juni 2017, heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2018, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.W. Schrijver, is verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 10 april 2017 ter hoogte van het pand aan het Drentheplantsoen 307 te Den Haag is aangetroffen naast de daar aanwezige ondergrondse restafvalcontainer (hierna: orac). Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 ter inzameling heeft aangeboden, omdat op de doos een sticker met haar naam en adres is aangetroffen, zodat de doos tot haar herleidbaar is.

2.    [appellante] betoogt dat zij de doos niet onjuist ter inzameling heeft aangeboden. Zij wijst er in dit verband op dat de doos op grote afstand van haar woning is aangetroffen, in de buurt van de woning van haar ouders. Daarbij wijst [appellante] erop dat ze op 5 april 2017 een ingrijpende operatie heeft ondergaan waardoor ze niet in staat was de doos met huisvuil op de hiervoor genoemde locatie te plaatsen.

2.1.    Artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

    Artikel 5:25, eerste lid, luidt: "De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."

2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 1 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT6561) zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

    Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF8999) is de overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en daarom als overtreder worden aangemerkt.

2.3.    Onder verwijzing naar de uitspraak van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:102, overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat [appellante] op ruime afstand woont van de orac, waar de doos is aangetroffen en die in de buurt van de woning van haar ouders zou liggen, op zichzelf onvoldoende is om aannemelijk te achten dat zij de doos niet onjuist ter inzameling heeft aangeboden.

    Ter zitting heeft het college te kennen gegeven over een medische verklaring te beschikken, waarin staat dat [appellante] op 5 en 6 april 2017 in het ziekenhuis verbleef voor een operatie. In het verslag van de telefonische hoorzitting van 22 mei 2017 staat dat [appellante] heeft verklaard na de operatie een week lang niets te hebben kunnen doen. In het verslag van een telefoongesprek, gehouden op 20 juni 2017, staat dat [appellante] zich op het standpunt heeft gesteld dat ze gedurende zes weken na de operatie thuis werd verzorgd door onder andere haar partner. Geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van die gegevens, nu het college deze niet heeft betwist.

    De omstandigheid dat [appellante], gelet op haar operatie en herstelperiode, niet zelf de op 10 april 2017 aangetroffen doos, onjuist ter inzameling zou hebben aangeboden maakt niet dat het college haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.

    Het college heeft ervan mogen uitgaan dat, nu [appellante] destijds thuis werd verzorgd, een ander de doos mogelijk onjuist ter inzameling heeft aangeboden. Het college heeft deze gedraging aan [appellante] kunnen toerekenen en haar als overtreder kunnen aanmerken.

    Het betoog faalt.

3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Kramer    w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2018

163-866.