Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1268

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
201703391/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2016 heeft de burgemeester aan [appellante] een huisverbod voor de duur van tien dagen opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703391/1/A3.

Datum uitspraak: 18 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Barneveld,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 maart 2017 in zaak nr. C/05/300274/FA RK 16-1076 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Barneveld.

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2016 heeft de burgemeester aan [appellante] een huisverbod voor de duur van tien dagen opgelegd.

Bij uitspraak van 13 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2018, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J.M. Kok du Mez en G.J. den Hartog, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De burgemeester heeft het huisverbod gebaseerd op een door een medewerker van de politie ingevuld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) van 27 februari 2016 en het proces-verbaal van bevindingen HOvJ voor beslissing huisverbod (hierna: proces-verbaal) van gelijke datum. Hij heeft aan het huisverbod ten grondslag gelegd dat de spanningen tussen [appellante] en haar [echtgenoot] de laatste jaren zijn opgelopen. Op de dag van het incident, 26 februari 2016, kregen de partners wederom een woordenwisseling en was er sprake van fysiek geweld. Hierbij is [echtgenoot] gewond geraakt aan zijn hoofd. Gelet hierop bestond een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van [echtgenoot] en was het duidelijk dat er een time out nodig was, aldus de burgemeester.

Oplegging huisverbod

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze over het opleggen van het tijdelijk huisverbod kenbaar te maken.

    Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het huisverbod door de burgemeester opgelegd mocht worden. Zij voert daartoe aan dat de dreiging niet van haar is uitgegaan en zij enkel uit zelfverdediging heeft gehandeld. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de burgemeester bij de afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het opleggen van het huisverbod gebruik heeft kunnen maken, nu het huisverbod door de dagelijkse zorg die zij heeft voor haar jongste dochter en de huishouding onevenredig bezwarend is, aldus [appellante].

    Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 6, tweede lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). De rechtbank had volgens haar bij het beoordelen van het huisverbod eveneens de feiten en omstandigheden moeten betrekken die zich na het opleggen van het huisverbod hebben voorgedaan.

    Verder voert [appellante] aan dat vrouwen op grond van het Verdrag van Istanbul bescherming behoeven tegen onder meer huiselijk geweld. Nederland is als verdragspartij verplicht daartoe maatregelen te nemen. De rechtbank heeft dit onvoldoende onderkend, aldus [appellante].

2.1.    Uit artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de burgemeester, alvorens een besluit tot oplegging van een huisverbod te nemen, [appellante] in de gelegenheid moest stellen haar zienswijze naar voren te brengen. Het proces-verbaal van 27 februari 2016 behelst op pagina 2 een weergave van de reactie van [appellante] op het jegens haar geuite voornemen tot het opleggen van een huisverbod. Zij heeft op dit voornemen gelaten gereageerd en vooral gevraagd naar haar dochter van zes jaar oud. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat [appellante] voldoende in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken.

    Het betoog faalt.

2.2.    Artikel 2, eerste lid, van de Wth luidt: "De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

[…]

2.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:749), is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. Indien dat het geval is, moet de burgemeester zorgvuldig overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod bestond. Indien dat het geval is, wordt de afweging van de burgemeester door de bestuursrechter terughoudend getoetst. Uit het RiHG en het proces-verbaal kan worden afgeleid dat de aanleiding voor het opleggen van het huisverbod is gelegen in het incident van 26 februari 2016. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1408), strekt het huisverbod blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wth ertoe in de gegeven noodsituatie escalatie te voorkomen en hulp te bieden. Het huisverbod moet worden gezien als een bestuurlijke maatregel, die ook kan worden ingezet wanneer zich geen strafbare feiten hebben voorgedaan, maar situaties zijn ontstaan waarbij acute en dringende behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode om escalatie te voorkomen (Kamerstukken II 2005/06, 30 657, nr. 3, blz. 2). Niet in geschil is dat [echtgenoot], naar hij stelt per ongeluk, [appellante] op het hoofd heeft geraakt met een notenkraker. In reactie daarop heeft [appellante], naar zij stelt per ongeluk, een glas tegen het hoofd van [echtgenoot] gegooid. Nu deze feiten en omstandigheden vaststaan, bestond de situatie dat ten tijde van het opleggen van het huisverbod sprake was van een acute en dringende behoefte aan het creëren van een afkoelingsperiode om verdere escalatie te voorkomen. Dat [appellante], naar eigen zeggen, uit zelfverdediging heeft gehandeld en de strafrechter haar in dit opzicht ook geheel heeft vrijgesproken, maakt het voorgaande niet anders. Derhalve was de burgemeester bevoegd tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod.

    Gelet op de aard van een huisverbod, dat altijd in spoedeisende situaties wordt opgelegd, is niet vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk vaststaat. Voldoende is dat aannemelijk is dat die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan en een ernstig en onmiddellijk gevaar, dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar, voor de in het besluit genoemde personen opleveren. Nu [echtgenoot] tijdens het incident van 26 februari 2016 gewond is geraakt aan zijn hoofd, aangifte heeft gedaan tegen [appellante] van geweldpleging en [appellante] hierop enkel gelaten heeft gereageerd, heeft de burgemeester zich op het moment van het nemen van zijn besluit op het standpunt mogen stellen dat de dreiging van geweld in eerste instantie van [appellante] uitging en dat haar aanwezigheid in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde als bedoeld in artikel 2 van de Wth of dat een ernstig vermoeden van zulk gevaar bestond. Daar komt bij dat [appellante] zelf te kennen heeft gegeven dat zij haar jongste dochter in die periode heeft mogen zien en van school heeft mogen halen. De Afdeling volgt [appellante] dan ook niet in haar betoog dat het opleggen van het huisverbod onevenredig bezwarend is geweest.

    Het betoog faalt.

3.1.  Artikel 6, tweede lid, van de Wth luidt: "De rechter betrekt bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod."

[…]

3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie uitspraak van uitspraak van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0678), volgt uit het stelsel van de Wth dat de rechter, als het huisverbod nog geldt op de dag waarop hij zijn uitspraak doet, op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wth dient te bezien of zich na de oplegging van het huisverbod feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waaruit blijkt dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan zich ten tijde van de beoordeling door de rechter niet langer voordoet, zodat het niet gerechtvaardigd is het huisverbod te laten voortduren. Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod dienen slechts in de beoordeling te worden betrokken als het huisverbod nog geldt op de dag waarop de rechter uitspraak doet. In deze zaak gold het huisverbod niet meer, aangezien het inmiddels was uitgewerkt. Daarom hoefde de rechtbank niet te beoordelen of er reden was het voortduren van het huisverbod te beëindigen en zijn de feiten en omstandigheden die zich na het besluit van 27 februari 2016 hebben voorgedaan, in zoverre niet van belang (onder verwijzing naar de uitspraak van uitspraak van 21 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1875).

    Het betoog faalt.

Verdrag van Istanbul

4.    Het Verdrag van Istanbul is voor Nederland op 1 maart 2016, dus na het besluit van 27 februari 2016, in werking getreden. Derhalve was dit Verdrag nog geen geldend recht in Nederland ten tijde van het besluit. Reeds daarom zal dit Verdrag buiten beschouwing worden gelaten bij de beoordeling van dit besluit.    

Slotsom

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Proceskostenvergoeding

6.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2018

176-859.