Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1261

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
201704715/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2017 heeft de raad onder meer het bestemmingsplan "Reigerskant, Esch" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2018/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704715/1/R2.

Datum uitspraak: 18 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Esch, gemeente Haaren,

2.    [appellante sub 2], wonend te Esch, gemeente Haaren,

en

de raad van de gemeente Haaren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2017 heeft de raad onder meer het bestemmingsplan "Reigerskant, Esch" vastgesteld.

Tegen dit besluit, voor zover daarbij het bestemmingsplan is vastgesteld, hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellante sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2018, waar [appellante sub 2], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door A.P. Engelse, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in de realisatie van 75 woningen aan de noordoostzijde van Esch, op gronden die nu nog grasland zijn. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] wonen naast het plangebied en kunnen zich niet met het plan verenigen.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De planregels die in de uitspraak worden aangehaald, zijn opgenomen in de bijlage.

Bouwhoogten

3.    [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1] te Esch en hij kan zich niet verenigen met de toegestane goot- en bouwhoogte voor de in het plan voorziene bebouwing achter zijn perceel. [appellante sub 2] woont aan de [locatie 2] te Esch en zij kan zich eveneens niet verenigen met de toegestane goot- en bouwhoogte voor de in het plan voorziene woning achter haar perceel. [appellant sub 1] betoogt dat de toegestane hoogten niet passen bij de bestaande bebouwing langs de Dorpsstraat, die bestaat uit één bouwlaag met een kap, terwijl de raad volgens de plantoelichting juist daarbij heeft willen aansluiten. [appellant sub 1] wijst erop dat de plantoelichting ten onrechte vermeldt dat zijn woning een goot- en nokhoogte heeft van 5 en 8 meter. De goot- en nokhoogte van de woning zijn 3,05 en 6,85 meter, zo stelt [appellant sub 1]. [appellante sub 2] voert aan dat de voorziene hoogten niet passen bij de aangrenzende woningen, waaronder de hare, met een maximale goothoogte van 4 tot 6 meter en een maximale nokhoogte van 8 meter. Voorts voert zij aan dat de toegestane goot- en nokhoogte ertoe leiden dat haar uitzicht en privacy worden aangetast. Volgens [appellante sub 2] dient plan voor de woning achter haar perceel te voorzien in een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale bouwhoogte van 8 meter.

3.1.    Blijkens de verbeelding is aan de gronden die grenzen aan de achtertuinen van de woningen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] de bestemming "Wonen" toegekend. Deze bestemmingsvlakken zijn twee losse plandelen. Op deze beide plandelen is een bouwvlak weergegeven en de aanduidingen "maximum goothoogte: 6 meter" en "maximum bouwhoogte: 10 meter".

    De kortste afstand tussen het perceel van [appellant sub 1] en het schuin daarachter voorziene bouwvlak is ongeveer 4 meter. De kortste afstand tussen de woning van [appellant sub 1] en dit bouwvlak is ongeveer 25 meter.

    De afstand tussen het perceel van [appellante sub 2] en het daarachter voorziene bouwvlak is ongeveer 20 meter. De afstand tussen de woning van [appellante sub 2] en dit bouwvlak is ongeveer 36 meter.

3.2.    Paragraaf 2.2 van de plantoelichting gaat over de bestaande ruimtelijke structuur. Hierin staat onder meer: "Aan het Nieuwland is een woonzorg-complex gelegen. Dit zorgcentrum is zichtbaar vanaf de Dorpsstraat. Bij realisatie is aansluiting gezocht bij de lintbebouwing van de Dorpsstraat (één bouwlaag met kap)."

3.3.    Uit de in de bijlage bij deze uitspraak weergegeven planregels en de verbeelding volgt dat de goothoogte van de in het plangebied te realiseren hoofdgebouwen voor maximaal de helft van de gevelbreedte van een woning 8 meter mag bedragen en voor het overige maximaal 6 meter. De bouwhoogte van hoofdgebouwen is maximaal 10 meter.

    Wat het door de raad gehanteerde uitgangspunt betreft, is het volgende van belang. De Afdeling stelt vast dat, zoals ook de raad stelt, de door [appellant sub 1] aangehaalde passage uit paragraaf 2.2 van de plantoelichting dat "aansluiting [is] gezocht bij de lintbebouwing van de Dorpsstraat (één bouwlaag met kap)" gaat over de realisatie van het bestaande zorgcentrum aan het Nieuwland en niet over de realisatie van de in het plan voorziene woningen. Anders dan [appellant sub 1] meent, heeft de raad niet als uitgangspunt gehanteerd dat de in het plan voorziene bebouwing moet aansluiten bij de feitelijk afmetingen van de bestaande bebouwing met één bouwlaag en een kap langs de Dorpsstraat.

    De raad heeft te kennen gegeven dat hij heeft voorzien in de maximale goot- en bouwhoogten van 6 en 8 onderscheidenlijk 10 meter, omdat deze nodig en gangbaar zijn om woningen met twee lagen en een kap te kunnen realiseren. Daarnaast heeft de raad vanuit een oogpunt van beeldkwaliteit de gedeeltelijk toegestane goothoogte van 8 meter wenselijk geacht omdat dan bij rijen van meer dan vier aaneengesloten woningen een accent in de bouwmassa kan worden gemaakt. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plangebied direct grenst aan de kern Esch, waar bebouwing van de in de plan voorziene hoogte niet ongepast is. Daarbij heeft de raad in aanmerking kunnen nemen dat het planologische regime voor verscheidene omliggende woningen voorziet in maximale goot- en nokhoogten van 5 en 8 meter. Dat sommige woningen feitelijk lager zijn, zoals die van [appellant sub 1] en [appellante sub 2], doet daar niet aan af. Verder heeft de raad in aanmerking kunnen nemen dat de realisatie van een kap verplicht is en dat de situering van het bouwvlak een ruime afstand waarborgt tussen de voorziene hoofdgebouwen in het plangebied en de bestaande bebouwing aan de Dorpsstraat. Hetgeen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene goot- en bouwhoogte voor de voorziene bebouwing achter de percelen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] onder deze omstandigheden ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Het betoog slaagt niet.

Ontsluitingsweg

4.    [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met de in het plan voorziene ontsluitingsweg langs haar woning. [appellante sub 2] betoogt dat de raad bij de berekening van de geluidoverlast ter plaatse van haar perceel de verkeersdruk op deze voorziene ontsluitingsweg heeft onderschat. Zij voert aan dat de voorziene andere twee ontsluitingswegen niet kunnen worden gebruikt, zodat de voorziene weg langs haar woning naar de Runsdijk de enige ontsluitingsweg wordt voor de 75 woningen in het plangebied. Zij stelt dat de gemeente nog geen eigenaar is van de gronden waarop de ontsluitingsweg op Het Nieuwland is voorzien en dat deze weg te smal is om als ontsluitingsweg te dienen. Daarnaast stelt zij dat de Willibrordusweg zo smal is dat twee auto’s elkaar niet kunnen passeren. De raad heeft hiervoor geen oplossing en heeft bewoners gevraagd om met suggesties te komen. Voorts betoogt [appellante sub 2] dat de ontsluitingsweg is voorzien op een locatie die is aangewezen voor regionale waterberging. Hoewel het waterschap De Dommel akkoord is gegaan met de voorziene compenserende waterberging, heeft het daarbij geadviseerd om het functioneren van de compensatievoorziening uit te werken, met name wat betreft de wijze waarop water in de bergingsvoorziening komt. Volgens [appellante sub 2] is hiernaar ten onrechte geen nader onderzoek verricht, zodat de raad ervan had moeten afzien de ontsluitingsweg langs haar perceel mogelijk te maken. Verder betoogt [appellante sub 2] dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de voorziene woningen niet worden ontsloten met een brug in oostelijke richting over het waterbergingsgebied in plaats van met een weg in noordelijke richting langs haar woning. Volgens [appellante sub 2] heeft het alternatief als voordeel dat haar woon- en leefklimaat aanzienlijk minder zal worden aangetast. Dit voordeel weegt volgens haar zwaarder dan de enkele omstandigheid dat de aanleg van een brug duurder is dan die van een weg. In aanmerking genomen dat ook het waterschap De Dommel heeft gewezen op de mogelijkheid van een brug en nu gedebatteerd wordt over het verplaatsen van de spoorwegovergang bij de Runsdijk/Gestelseweg, heeft de raad volgens [appellante sub 2] ten onrechte geen nader onderzoek verricht naar dit alternatief alvorens daarvan af te zien.

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare geluidoverlast voor [appellante sub 2]. De raad ziet dit standpunt bevestigd in het op 22 augustus 2017 uitgebrachte memo "Zienswijze Reigerskant Esch" (hierna: memo). De raad stelt dat de andere twee ontsluitingswegen wel kunnen worden gebruikt, zodat niet alle verkeer van en naar het plangebied over de voorziene weg langs de woning van [appellante sub 2] zal rijden. Volgens de raad vormen de eigendomsverhoudingen geen belemmering voor de realisatie van de ontsluitingsweg op Het Nieuwland. Weliswaar was een perceel ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog in eigendom van een particuliere ontwikkelaar, maar deze ontwikkelaar en de gemeente hebben inmiddels overeenstemming bereikt over de verwerving van het perceel door de gemeente. Verder stelt de raad dat een overleg met bewoners wordt gepland waarin zal worden besproken hoe de huidige en toekomstige verkeerssituatie op de Willibrordusweg kan worden verbeterd. De bestaande weginrichting van Het Nieuwland en de Willibrordusweg zal worden aangepast met het oog op de nieuwe functie van die wegen als ontsluitingswegen van het plangebied. De raad stelt voorts dat het waterschap heeft ingestemd met het waterhuishoudkundig plan en de compensatievoorziening binnen het stroomgebied van het Eschloopje. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat het functioneren van de compensatievoorziening in overeenstemming met het advies van het waterschap nader wordt uitgewerkt in het kader van de vergunning die op grond van de Waterwet nodig is voor de realisatie van het plan.

4.2.    Wat de geluidoverlast betreft, is het volgende van belang. In het memo staat een berekening van de voorziene geluidbelasting op de gevels van de woning van [appellante sub 2]. Volgens het memo is de berekening gebaseerd op een worst case-scenario waarin al het verkeer van en naar het plangebied over de langs de woning van [appellante sub 2] voorziene ontsluitingsweg naar de Runsdijk gaat. Daarbij is volgens het memo uitgegaan van een verkeersaantrekkende werking van het plan van 600 lichte motorvoertuigen per etmaal, een weg met een maximumsnelheid van 30 km/uur en een klinkerbestrating in keperverband. Het memo concludeert dat in dit scenario de geluidbelasting op de gevels van de woning van [appellante sub 2] nergens meer is dan 48dB. De voorziene ontsluitingsweg vormt daarmee geen knelpunt op het gebied van geluid, aldus het memo.

    [appellante sub 2] heeft de in het memo berekende geluidbelasting op de gevels van haar woning niet betwist. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare geluidoverlast ter plaatse van de woning van [appellante sub 2]. Daarbij komt dat het memo is gebaseerd op de aanname dat alle verkeer van en naar het plangebied over de voorziene ontsluitingsweg langs het perceel van [appellante sub 2] zal rijden, hoewel de raad naar het oordeel van de Afdeling niet ervan heeft hoeven uitgaan dat de in het plan voorziene twee ontsluitingswegen op Het Nieuwland of de Willibrordusweg niet kunnen worden gerealiseerd of in gebruik genomen. De enkele omstandigheid dat een deel van de gronden waarop de ontsluitingsweg op Het Nieuwland is voorzien ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet in eigendom was van de gemeente, geeft op zichzelf geen reden voor twijfel over de realisering van deze ontsluitingsweg binnen de planperiode. In de omstandigheden dat de definitieve inrichting van de voorziene ontsluitingsweg op de Willibrordusweg nog onderwerp is van gesprek tussen de gemeente en bewoners en dat deze weg een smal profiel heeft, heeft de raad evenmin aanleiding hoeven zien om ervan uit te gaan dat deze ontsluitingsweg niet als zodanig binnen de planperiode kan worden gebruikt. Overigens geeft het aangevoerde ook geen grond om te twijfelen aan de ter zitting door de raad gegeven toelichting dat de bestaande weginrichting van Het Nieuwland en de Willibrordusweg zo nodig zal worden gewijzigd met het oog op hun nieuwe functie als ontsluitingswegen van het plangebied. Voor het oordeel dat de raad de verkeersdruk op de ontsluitingsweg langs haar perceel en daarmee de geluidoverlast ter plaatse van haar perceel heeft onderschat, bestaat dan ook geen grond. Het betoog slaagt niet.

4.3.    Wat het niet verrichte nadere onderzoek naar de compenserende waterberging betreft, overweegt de Afdeling het volgende. Ten behoeve van het plan is een zogenoemd waterhuishoudkundig plan opgesteld, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. Op pagina 26 van het waterhuishoudkundig plan staat: "Een deel van de locatie is aangewezen als regionaal waterbergingsgebied. Er is hier een toegangsweg vanaf de Runsdijk naar het plangebied voorzien. Bergingscapaciteit (tussen maaiveldniveau en +5,0 m NAP) die als gevolg van ruimtelijke ingrepen verloren gaat, dient gecompenseerd te worden binnen het stroomgebied van het Eschloopje. Uit een indicatieve berekening blijkt dat het maximaal om 750 m³ gaat. De gemeente Haaren heeft grondpositie aan de oostzijde van het Eschloopje. Door het aflagen van het maaiveld […], kan de compensatie gerealiseerd worden. Daarnaast kunnen ook alternatieven onderzocht worden waarmee de compensatie gewaarborgd blijft, zoals [het] creëren van een toegangsweg in de vorm van een brug. In de vergunningsfase dient de compensatie nader te worden onderbouwd."

    De voormelde passage is overgenomen op pagina 57 van de plantoelichting. Daaraan is het volgende toegevoegd: "Overigens maakt dit bestemmingsplan beide alternatieven mogelijk. Om die reden is de locatie waar de compensatie plaatsvindt (oostzijde van het Eschloopje) aan het plangebied toegevoegd. Aan deze locatie is de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterbergingsgebied’ toegekend."

    De raad heeft het waterhuishoudkundig plan voorgelegd aan het waterschap De Dommel. De reactie van het waterschap is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. In de reactie staat: "Ik adviseer u in het watervergunningtraject het functioneren van de bergingsvoorzieningen nader uit te werken aan de hand van een detailuitwerking met aandacht voor de volgende aspecten en elementen: […] De wijze waarop het water in de voorziening komt […]."

    Gelet op het vorenstaande heeft de raad de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding bezien en vastgesteld dat het plan in principe geen invloed heeft op de waterhuishouding, maar dat wel aandacht moet worden besteed aan compenserende waterberging. De raad heeft bezien of compensatie mogelijk is, daartoe een locatie als zodanig bestemd en zich op basis hiervan op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre uitvoerbaar is. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding om dit standpunt van de raad niet te volgen. Weliswaar is volgens het waterhuishoudkundig plan en het advies van het waterschap in het kader van een nog te verlenen vergunning op grond van de Waterwet nader onderzoek nodig naar onder meer de wijze waarop het water in de beoogde compensatievoorziening terecht komt, maar daaruit volgt niet dat geen deugdelijke compensatievoorziening zal kunnen worden gerealiseerd. Dat volgt evenmin uit de door [appellante sub 2] naar voren gebrachte omstandigheid dat het bestuur van waterschap De Dommel de voorgenomen wijziging van de legger nog nader beziet. De raad heeft gelet op het vorenstaande in redelijkheid ervan kunnen afzien om reeds in het kader van het plan het bedoelde nadere onderzoek te verrichten. Gelet hierop heeft de raad evenmin om deze reden hoeven afzien van de ontsluitingsweg langs het perceel van [appellante sub 2]. Het betoog slaagt niet.

4.4.    De Afdeling overweegt het volgende over het door [appellante sub 2] naar voren gebrachte alternatief. Het plan voorziet in de realisatie van een ontsluitingsweg langs het perceel van [appellante sub 2]. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Naar aanleiding van het door [appellante sub 2] in haar zienswijze aangedragen alternatief heeft de raad de keuze van de in het plan voorziene ontsluitingsweg gemotiveerd. Daartoe heeft de raad gesteld dat hoewel het aangedragen alternatief in de beleving van [appellante sub 2] tot minder aantasting van haar woon- en leefklimaat zal leiden, het ontsluiten van het plangebied met een brug in oostelijke richting, zoals het aangedragen alternatief voorstaat, vanuit een stedenbouwkundig en verkeerstechnisch oogpunt onwenselijk is gelet op daarvoor benodigde grote fysieke ruimte. Voorts heeft de raad toegelicht dat de brug evenmin noodzakelijk is vanuit waterkundig oogpunt, nu het plan erin voorziet dat de oppervlakte aan waterberging die door de voorziene ontsluitingsweg verloren gaat elders wordt gecompenseerd. Verder heeft de raad toegelicht dat het aangedragen alternatief niet past bij het provinciale beleid omdat, zoals is vermeld op pagina 47 van de plantoelichting, gronden ten oosten van het plangebied in de provinciale verordening zijn aangewezen als ecologische verbindingszone. De raad heeft ten slotte toegelicht dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het onderzoek naar een mogelijke verplaatsing van de spoorwegovergang bij de Runsdijk/Gestelseweg zich nog in een voorstadium bevond. De raad heeft aldus de voor- en nadelen van het door [appellante sub 2] aangedragen alternatief meegenomen in zijn belangenafweging en gemotiveerd een keuze gemaakt. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gelet op het vorenstaande niet in redelijkheid bij afweging van alle betrokken belangen de in het plan voorziene ontsluitingsweg heeft kunnen verkiezen boven het door [appellante sub 2] genoemde alternatief van een brug in oostelijke richting. De raad heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen afzien van het verrichten van nader onderzoek naar dit alternatief. Het betoog slaagt niet.

Belangenafweging

5.    [appellante sub 2] betoogt dat zij door het plan onevenredig wordt benadeeld. Zij wijst erop dat zij haar woning in 1998 heeft gekocht vanwege de vrije ligging met uitzicht op het landelijk gebied en dat toentertijd geen aanleiding bestond om te vermoeden dat dit in de toekomst zou veranderen. Het vorige bestemmingsplan en het gemeentelijke beleid voorzagen immers niet in ontwikkelingen in het gebied. [appellante sub 2] stelt dat haar vrije uitzicht door de voorziene bebouwing zal verdwijnen en dat haar woning door het plan in de hoek van een wegsplitsing komt te liggen. [appellante sub 2] voert voorts aan dat zij planschade zal ondervinden, doordat haar woning aanzienlijk in waarde zal dalen. De gemeente zou haar gehele perceel en woning moeten kopen om haar zo schadeloos te stellen, aldus [appellante sub 2].

5.1.    Vast staat dat het plan ertoe zal leiden dat het woonperceel van [appellante sub 2] niet meer direct grenst aan het landelijke gebied en dat haar vrije uitzicht daarop zal verminderen. De omstandigheden dat het woonperceel van [appellante sub 2] thans direct grenst aan het landelijk gebied, dat [appellante sub 2] daarover een vrij uitzicht heeft en dat het vorige bestemmingsplan geen weg langs of bebouwing achter haar woning mogelijk maakte, kunnen er echter niet toe leiden dat de raad thans niet een weg of bebouwing mogelijk mag maken. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft bij zijn belangenafweging in redelijkheid betekenis mogen toekennen aan de ligging van het plangebied grenzend aan de kern Esch, waar de ligging van een woonperceel aan een wegsplitsing met de in het plan voorziene situering niet ongebruikelijk is. Gezien deze omgeving heeft de raad zich ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het mogelijk maken van een weg op ongeveer 3 meter afstand van het woonperceel en ongeveer 7,5 meter van de woning van [appellante sub 2] niet leidt tot een onevenredige aantasting van haar uitzicht. Daarnaast heeft de raad in aanmerking kunnen nemen dat het woon- en leefklimaat van [appellante sub 2] ook niet door andere vormen van overlast vanwege het plan, zoals geluidhinder, onevenredig wordt aangetast. De raad heeft verder in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen bij realisering van de voorziene woningbouw en ontsluiting daarvan dan aan het belang van [appellante sub 2] bij het ongewijzigd blijven van de bestaande situatie. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellante sub 2] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog slaagt niet.

Verkeersveiligheid

6.    [appellante sub 2] vreest dat het plan zal leiden tot verkeersonveilige situaties op de Runsdijk, een doorgaande weg naar de A2 die zowel wordt gebruikt door veel vrachtverkeer als veel fietsers, waaronder scholieren. Ook in dit verband voert [appellante sub 2] aan dat de voorziene twee ontsluitingswegen op Het Nieuwland en op de Willibrordusweg niet in gebruik kunnen worden genomen. Door het extra verkeer op de langs haar woning voorziene ontsluitingsweg ontstaat volgens [appellante sub 2] een onaanvaardbare situatie op de Runsdijk.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot een verkeersonveilige situatie. Volgens de raad hebben de Dorpsstraat en de Runsdijk voldoende capaciteit om zowel de huidige verkeersintensiteit als de extra verkeersbewegingen als gevolg van het plan te verwerken. De raad stelt zich ook in dit verband op het standpunt dat de andere twee ontsluitingswegen wel kunnen worden gebruikt, zodat niet alle verkeer van en naar het plangebied over de voorziene weg langs de woning van [appellante sub 2] zal rijden. Ter onderbouwing van zijn standpunt stelt de raad dat de Dorpsstraat en Runsdijk, gelet op de richtlijnen van het kennisplatform CROW, een capaciteit hebben van 4.000 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal). De huidige verkeersintensiteit op deze wegen bedraagt volgens de raad 2.000 tot 2.900 mvt/etmaal. Het plan voorziet in maximaal 75 woningen, die elk gemiddeld 8 verplaatsingen per dag met zich brengen. Dat betekent dat het plan maximaal 600 verplaatsingen per dag met zich brengt. De helft van deze verkeersbewegingen zal volgens de raad plaatsvinden over de voorziene ontsluitingsweg langs de woning van [appellante sub 2], derhalve 300 mvt/etmaal. Door deze verkeerstoename ontstaat geen onaanvaardbare verkeersdruk op de Dorpsstraat en Runsdijk, aldus de raad.

6.2.    Partijen zijn het erover eens dat de verkeerssituatie op de Dorpsstraat en de Runsdijk in de huidige situatie niet optimaal is en dat de oorzaak daarvan in het bijzonder ligt in het smalle wegprofiel en de huidige inrichting van deze wegen. In deze procedure staat echter uitsluitend het plan ter beoordeling. Voor zover de beroepsgrond betrekking heeft op een door [appellante sub 2] gewenste inrichting van de buiten het plangebied van het plan gelegen wegen en de overlast vanwege het bestaande vrachtverkeer, moet hij daarom buiten beschouwing blijven.

    Los van het vorenstaande mag het plan er niet toe leiden dat de situatie op de Runsdijk vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid onaanvaardbaar wordt. Vaststaat dat met de ontsluiting van woningen in het plangebied via de voorziene weg langs de woning van [appellante sub 2] op de Runsdijk het aantal verkeersbewegingen over deze weg zal toenemen. Zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de ontsluitingen op Het Nieuwland en de Willibrordusweg niet kunnen worden gerealiseerd of in gebruik genomen. Ook geeft het aangevoerde geen reden om te twijfelen aan de ter zitting door de raad gegeven toelichting dat de bestaande weginrichting van Het Nieuwland en de Willibrordusweg zo nodig zal worden gewijzigd met het oog op hun nieuwe functie als ontsluitingswegen van het plangebied. Gelet op het vorenstaande geeft hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet heeft kunnen baseren op de berekening waaruit volgt dat de Dorpsstraat en de Runsdijk voldoende capaciteit hebben om de verwachte verkeersbewegingen van de voorziene 75 woningen te verwerken. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een situatie op de Runsdijk die vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid onaanvaardbaar is, waarbij zo nodig maatregelen kunnen worden genomen om de verkeersveiligheid te waarborgen. Het betoog slaagt niet.

Hinder en verkeersveiligheid in de bouwperiode

7.    [appellante sub 2] vreest dat zij gedurende zeven jaar aanzienlijke overlast zal ondervinden van de bouwwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de voorziene woningen. Zij voert aan dat het hele plangebied met ongeveer 2,50 meter moet worden opgehoogd, dat heiwerkzaamheden moeten plaatsvinden en dat vrijwel al het bouwverkeer met zware bouwmaterialen over de voorziene weg direct langs haar woning moet rijden. Daarnaast stelt [appellante sub 2] dat de Runsdijk gedurende zeven jaar de enige weg voor het bouwverkeer van en naar het plangebied wordt. Zij vreest dat, mede vanwege de fietsende scholieren over deze weg, gevaarlijke situaties zullen ontstaan.

7.1.    De raad heeft onderkend dat [appellante sub 2] overlast zal ondervinden door de bouwwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de woningen en dat in dat verband maatregelen dienen te worden getroffen, zoals het in overleg beperken van de tijden waarop werkzaamheden plaatsvinden. De bezwaren van [appellante sub 2] tegen de bouwwerkzaamheden kunnen echter in deze procedure niet aan de orde komen. In deze procedure ligt uitsluitend het plan ter beoordeling voor. Het betoog van [appellante sub 2] dat zij overlast zal ondervinden van de bouwwerkzaamheden die tijdelijk zullen worden verricht om de voorziene woningen te realiseren, betreft niet het plan zelf maar de uitvoering daarvan. Dergelijke uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Dat geldt ook voor de door [appellante sub 2] gevreesde gevolgen van het bouwverkeer voor de verkeersveiligheid op de Runsdijk. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven.

Waterloop

8.    [appellante sub 2] kan zich niet met het plan verenigen voor zover dat niet voorziet in het verleggen van het thans op haar perceel gelegen deel van de waterloop genoemd BEDO-OS-05 (hierna: de waterloop). Zij voert aan dat het waterschap De Dommel heeft besloten om, gelet op de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, de waterloop niet langer aan te merken als zogenoemd A-water maar als B-water. [appellante sub 2] stelt dat het onderhoud van de waterloop hierdoor niet langer voor rekening komt van het waterschap, maar voor haar rekening. Nu deze waterloop volgens de plantoelichting een belangrijke functie heeft in de waterhuishouding van het plangebied, dient het plan volgens [appellante sub 2] erin te voorzien dat de waterloop ongeveer 3 meter in oostelijke richting wordt verlegd naar gronden van de gemeente, voor wiens rekening het onderhoud dan komt, of het dempen van de waterloop en het in plaats daarvan aanleggen van een zogenoemde drain.

8.1.    In deze procedure staat uitsluitend het plan ter beoordeling. De kwalificatie van oppervlaktewateren en het aanwijzen van onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, met name op grond van artikel 5.1 van de Waterwet en artikel 78 van de Waterschapswet. Voor zover de beroepsgrond van [appellante sub 2] betrekking heeft op het op 19 juni 2017 gepubliceerde ontwerpbesluit tot wijziging van de legger van het waterschap De Dommel en de aanwijzing van haar als onderhoudsplichtige, blijft deze daarom buiten beschouwing.

8.2.    Blijkens de verbeelding van het plan is aan de grond op het perceel van [appellante sub 2] waarover de waterloop loopt, de bestemming "Groen" toegekend. De bestemming "Groen" voorziet mede in het gebruik van de grond voor voorzieningen voor de waterhuishouding. Aan de strook grond met een breedte van ongeveer 10 meter ten oosten daarvan, die niet tot het perceel van [appellante sub 2] behoort, is de bestemming "Verkeer" toegekend. De bestemming "Verkeer" voorziet mede in het gebruik van de strook grond voor waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen. Gelet op het vorenstaande voorziet het plan zowel in de huidige waterloop als de door [appellante sub 2] gewenste verlegging daarvan tot buiten haar perceel of de aanleg van een drain. In hetgeen [appellante sub 2] overigens heeft aangevoerd, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de bestaande waterloop op het perceel van [appellante sub 2] in zijn geheel binnen het plan op te nemen en weg te bestemmen. Het betoog slaagt niet.

Inlassen zienswijze

9.    [appellante sub 2] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

10.    Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.M.J. Stolk, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Stolk

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2018

743. BIJLAGE

Planregels van het bestemmingsplan "Reigerskant, Esch"

Artikel 7 Wonen

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, waarbij uitsluitend vrijstaande woningen, geschakelde woningen, twee-onder-een-kapwoningen en aaneengebouwde woningen zijn toegestaan en het aantal woningen binnen de bestemming maximaal 75 bedraagt;

b. aan huis verbonden beroepen […]

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen, erven en water en waterhuishoudkundige voorzieningen."

7.2 Bouwregels

7.2.1 Hoofdgebouwen

Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

a. gebouwd binnen het bouwvlak, met dien verstande dat de van de weg afgekeerde begrenzing van het bouwvlak door hoofdgebouwen mag worden overschreden met maximaal 5 m ten behoeve van patiowoningen;

b. de voorgevel wordt gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' […];

c. […];

d. goothoogte maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte;

e. in afwijking van het onder d bepaalde bedraagt de goothoogte, daar waar ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' een maximum goothoogte van 6 m is voorgeschreven, maximaal 8 m ten aanzien van maximaal 50% van de gevelbreedte van een woonhuis;

f. in afwijking van het bepaalde onder d bedraagt de goothoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)', daar waar een maximum goothoogte van 6 m is voorgeschreven, maximaal 8 m over een lengte van maximaal 50% van de gevelbreedte;

g. bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;

h. […]

i. voorzien van een kap, met dien verstande dat een lessenaarsdaken of afgeknotte daken niet zijn toegestaan;

[…].