Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1260

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
201703399/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:1116, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2016 heeft het college geweigerd aan [appellant A] omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van vlonders en een hekje op het dak van een woning op het adres [locatie A] te 's-Hertogenbosch.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2018-0089
TBR 2018/77 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JOM 2018/432
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703399/1/A1.

Datum uitspraak: 18 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te 's-Hertogenbosch,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 maart 2017 in zaak nr. 16/3724 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2016 heeft het college geweigerd aan [appellant A] omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van vlonders en een hekje op het dak van een woning op het adres [locatie A] te 's-Hertogenbosch.

Bij besluit van 1 november 2016 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

[partij] en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2018, waar [appellant B], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. H. van Goch, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. M.M.H. van Kuijk, gehoord.

Overwegingen

1.    Het adres [locatie A] betreft een bovenwoning op de tweede en derde verdieping van een jaren-dertig pand. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van vlonders en een hek ter hoogte van de tweede verdieping op het platte dak van het gedeelte van de bebouwing dat aan de achterzijde van de woning is gelegen ten behoeve van het gebruik als terras. Het college heeft geweigerd omgevingsvergunning te verlenen omdat het bouwplan volgens hem in strijd is met het in artikel 11.2.3, onder k, van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Muntel-De Vliert" opgenomen verbod om dakterrassen op een aanbouw op het erf op te richten. Het college is niet bereid om voor de afwijking van het bestemmingsplan een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te verlenen. Volgens [appellant A] en [appellant B] is het plaatsen van een dakterras niet in strijd met het bestemmingsplan.

2.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat er geen strijd is met het bestemmingsplan en dat het achterdeel van de bebouwing waarop het dakterras is voorzien geen aanbouw is in de zin van artikel 1 van de planregels. Volgens hen behoort het achterdeel van de bebouwing tot het hoofdgebouw en zijn de planregels over erfbebouwing, waaronder het verbod op dakterrassen, niet van toepassing. Zij stellen dat de bouwkundige aard van het achterdeel van de bebouwing in combinatie met de gebruiksfunctie in de vorm van de aanwezigheid van een keuken, slaapkamer en trap op de begane grond en de slaapkamer op de eerste verdieping die uitsluitend toegankelijk is via die trap in dat bouwdeel, maakt dat de achterbebouwing niet kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant A] en [appellant B] miskend dat de woning op het adres [locatie A] geen erf heeft als bedoeld in de planregels en ook om die reden de erfbebouwingsregeling niet van toepassing is. Alleen de tuin behorende bij het adres [locatie B] is het erf. Bovendien hoort volgens de definitie een erf slechts bij één woning, aldus [appellant A] en [appellant B].

3.    Op het perceel rust de bestemming "Wonen" met de nadere aanduiding "Wonen gestapeld".

    Artikel 11.2.2 van de planregels luidt:

"Hoofdbebouwing/Hoofdgebouw

a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden opgericht ten dienste van deze bestemming, binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken met inachtneming van de op de plankaart aangegeven bebouwingstypologieën (…).

    Artikel 11.2.3 luidt:

" Erfbebouwingsregeling

Op het erf mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde en bijgebouwen in de vorm van aan- en uitbouwen van het hoofdgebouw of in de vorm van vrijstaande bijgebouwen worden opgericht ten dienste van de bestemming. Daarbij dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

    a-j    (…)

    k.    dakterrassen zijn niet toegestaan

    l-n    (…).:

    Artikel 1 luidt:

"In deze voorschriften wordt verstaan onder:

aanbouw: een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het al dan niet in directe verbinding staat en welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat qua massa en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mens toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

gestapelde woning: een woning die geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning is gelegen.

hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht."

4.    De rechtbank heeft overwogen dat gelet op de begripsbepalingen het gedeelte van het gebouw waarop het dakterras is aangebracht moet worden aangemerkt als aanbouw in de zin van de planregels. Dit deel onderscheidt zich, aldus de rechtbank, immers door zijn vorm van het andere deel van het gebouw dat als hoofdgebouw moet worden aangemerkt. Dat de aanbouw en het hoofdgebouw in het verleden zijn gebouwd als één gebouw leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel. De planwetgever heeft nadien de keuze gemaakt om door middel van de definities een planologisch onderscheid tussen beide delen van het pand aan te brengen, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft verder overwogen dat de aanbouw zich op het erf bevindt omdat het zich buiten het bouwvlak bevindt waar geen hoofdgebouw is of mag worden opgericht.

4.1.    Om te bepalen of het achterste gedeelte van het gebouw een aanbouw is als bedoeld in het bestemmingsplan, dient gelet op de definitie van het begrip ‘aanbouw’ eerst te worden bepaald wat het hoofdgebouw is. Uit de definitie van het begrip ‘hoofdgebouw’ volgt dat dit een gebouw is dat door constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht. Door alleen de constructie en afmetingen bepalend te achten voor beantwoording van de vraag of het gedeelte waarin het dakterras is voorzien als aanbouw is aan te merken, heeft de rechtbank met het college miskend dat uit de definitie van het begrip ‘hoofdgebouw’ volgt dat het gaat om een nevenschikking. Het gaat om een gebouw dat door constructie, afmetingen óf functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. Aan de functie van het bouwwerk komt, anders dan de rechtbank heeft overwogen en waar het college van uit gaat, derhalve wel betekenis toe. Daarnaast geldt blijkens de definitie van het begrip ‘hoofdgebouw’ als cumulatieve eis dat in het gebouw de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht. De hoofdfunctie ingevolge de bestemming is "Wonen" met de nadere aanduiding "Gestapeld wonen". De hoofdfunctie is mede ondergebracht in het achterste gedeelte van het gebouw. In dat deel bevindt zich op de begane grond de keuken en een slaapkamer en op de bovengelegen appartementen het grootste deel van de keuken. Deze functies zijn essentieel voor het realiseren van de bestemming. Het achterste gedeelte van het gebouw maakt derhalve gelet op de definitie van het begrip ‘hoofdgebouw’ onderdeel uit van dat hoofdgebouw. Dat het achterste gedeelte van het gebouw wat betreft massa en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan de rest van het gebouw doet, gelet op vermelde nevenschikking en het cumulatief vereiste, aan dit oordeel niet af. Ook het samenstel van de planregels doet dat, anders dan het college ter zitting heeft gesteld, niet, nu uit de definitie van het begrip ‘aanbouw’ volgt dat het gaat om een afzonderlijke ruimte gebouwd aan een hoofdgebouw.

    Nu het achterste gedeelte van het gebouw onderdeel uitmaakt van het hoofdgebouw, is de erfbebouwingsregeling van artikel 11.2.3 van de planregels, waaronder het verbod op dakterrassen, niet van toepassing. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

5.    De overige door [appellant A] en [appellant B] aangevoerde gronden behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 1 november 2016 vernietigen. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant A] en [appellant B] te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

7.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op het door [appellant A] en [appellant B] gemaakte bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

8.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 maart 2017 in zaak nr. 16/3724;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch van 1 november 2016, kenmerk: SO/JUR 6167016 pv. 160292;

V.    bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.050,74 (zegge: tweeduizendvijftig euro en vierenzeventig cent), waarvan € 2.004,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2018

414.