Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1256

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
201703275/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:2200, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij e-mail van 10 oktober 2014 heeft [appellant] het college op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verzocht om informatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703275/1/A3.

Datum uitspraak: 18 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Schiedam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 maart 2017 in zaak nr. 15/589 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venray.

Procesverloop

Bij e-mail van 10 oktober 2014 heeft [appellant] het college op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verzocht om informatie.

Bij brief van 10 november 2014 heeft [appellant] het college in gebreke gesteld en verzocht om alsnog een besluit te nemen op zijn Wob-verzoek.

Bij besluit van 18 november 2014 heeft het college de ingebrekestelling afgewezen en geweigerd een besluit te nemen op het Wob-verzoek.

Bij brief van 15 januari 2015 heeft [appellant] het college verzocht om een besluit te nemen op zijn Wob-verzoek.

Bij besluit van 16 januari 2015 heeft het college geweigerd een besluit te nemen op het Wob-verzoek.

Bij uitspraak van 9 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2018, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. L.A. Pronk, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] zou per e-mail van 10 oktober 2014 alle 403 gemeenten met een beroep op de Wob hebben verzocht om:

- alle documenten met betrekking tot het onderwerp "grensoverschrijdend onderzoek vermogen buitenland" of onderzoeken van die strekking;

- alle documenten met betrekking tot het onderwerp "resmi senet"; en

- alle documenten met betrekking tot het aantal WWB-zaken, waarbij expliciet is verzocht om een "resmi senet", meer concreet het aantal zaken waarbij om een "resmi senet" is verzocht.

2.    Bij brief van 10 november 2014 heeft [appellant] het college in gebreke gesteld en verzocht om binnen veertien dagen alsnog een besluit te nemen op zijn Wob-verzoek van 10 oktober 2014. Hierbij heeft [appellant] vermeld wat het verzoek concreet inhield.

3.    Het college heeft zich bij het besluit van 18 november 2014 op het standpunt gesteld dat het geen verzoek van [appellant] heeft ontvangen en er daarom geen aanleiding was om een besluit te nemen. Van een overschrijding van de beslistermijn is derhalve geen sprake. Verder heeft het college bij dit besluit geweigerd een besluit te nemen op het Wob-verzoek.

Besluitvorming

4.    Bij brief van 15 januari 2015 heeft [appellant] een schermprint van het per e-mail ingediende verzoek van 10 oktober 2014 overgelegd en heeft hij het college wederom verzocht om een besluit te nemen op het Wob-verzoek.

5.    Bij besluit van 16 januari 2015 heeft het college geweigerd een besluit te nemen op het Wob-verzoek. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] geen rechtsgeldig verzoek heeft ingediend.

Aangevallen uitspraak

6.    De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. De rechtbank acht hierbij van belang dat [appellant] en zijn gemachtigde door hun wijze van procederen er geen blijk van hebben gegeven dat zij op een adequate manier de gevraagde documenten hebben getracht te verkrijgen. [appellant] heeft het Wob-verzoek niet alsnog op een juiste manier ingediend vanaf het moment dat hij op de hoogte was geraakt van de gang van zaken bij het college aangaande dergelijke verzoeken. Het had volgens de rechtbank voorts in de rede gelegen dat [appellant] anders had gereageerd op het besluit van 18 november 2014. Gelet op de handelwijze van [appellant] en zijn gemachtigde is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde hoogte van de dwangsom van € 300,00 per dag dat niet alsnog op het verzoek wordt beslist eveneens kan worden aangemerkt als een aanwijzing dat het [appellant] en zijn gemachtigde te doen is geweest om geld en niet om informatie. Ten slotte kan ook het verzoek van [appellant] om een proceskostenvergoeding niet anders worden geduid dan een manier om geld te verdienen, aldus de rechtbank. [appellant] is immers zélf advocaat en heeft samen met zijn gemachtigde, tevens echtgenote, een advocatenkantoor. Het Besluit proceskosten bestuursrecht biedt in dit geval geen grond voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank acht het zeer laakbaar dat [appellant] en zijn gemachtigde, beide professionals, kennelijk hebben getracht de Wob te gebruiken om geld te genereren.

Hoger beroep

7.    [appellant] bestrijdt dat hij het Wob-verzoek heeft ingediend met een financieel motief. Hij stelt zich als advocaat bezig te houden met sociaal zekerheidsrecht en dat de onderzoeken in het kader van de Participatiewet naar eventueel verzwegen vermogen in het buitenland valt onder zijn expertise. Meer specifiek betreft dit onderzoeken naar Turkse en/of Turks-Nederlandse bijstandsgerechtigden met een bijstandsuitkering, welke onderwerp zijn van grensoverschrijdende vermogensonderzoeken in het buitenland, met name Turkije. Hij heeft aangevoerd dat hij het Wob-verzoek heeft gedaan om gemeenten te wijzen op een wijziging in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op dit gebied en om inzicht te krijgen in hun werkwijze.

    Misbruik van recht

7.1.    Artikel 3, eerste lid, van de Wob luidt:

"Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf."

    Artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt: "Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt."     

    Het tweede lid luidt: "Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen."

    Artikel 15 luidt: "De artikelen 11-14 vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet."

7.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129) kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

7.3.    Naar het oordeel van de Afdeling kan uit de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden niet worden afgeleid dat [appellant], of zijn [gemachtigde], de bevoegdheid om het Wob-verzoek in te dienen en tegen de reactie daarop van het college rechtsmiddelen aan te wenden heeft gebruikt zonder redelijk doel of uitsluitend om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant], die bij de rechtbank niet was verschenen, in hoger beroep aannemelijk heeft gemaakt dat hij de desbetreffende documenten heeft opgevraagd in het kader van zijn werkzaamheden als advocaat, in welke hoedanigheid hij zich bezighoudt met het sociale zekerheidsrecht. Ter zitting heeft hij een nadere toelichting gegeven op zijn werkwijze als advocaat. [appellant] is weliswaar in weerwil van het standpunt van het college dat geen rechtsgeldig Wob-verzoek is ontvangen, toch doorgegaan met procederen over dit aspect, terwijl hij tegen de afwijzing van de ingebrekestelling geen bezwaar had gemaakt, maar het had daarentegen op de weg van het college gelegen om naar aanleiding van de brief van 10 november 2014 inhoudelijk op het Wob-verzoek van [appellant] te beslissen. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de Afdeling sprake van onvoldoende objectieve aanknopingspunten om vast te stellen dat voor het procesgedrag van [appellant] of zijn gemachtigde geen andere plausibele verklaring kan worden gegeven dan dat hij beoogde ten laste van de overheid dwangsommen en proceskosten te incasseren en aldus misbruik heeft gemaakt van een wettelijke bevoegdheid.

7.4.    Het betoog slaagt.

8.    Het hoger beroep is gegrond. De overige hogerberoepsgronden behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] beoordelen.

Beroep

9.    Zoals ook door [appellant] ter zitting is bevestigd, heeft hij tegen het besluit van 18 november 2014 geen bezwaar gemaakt. Daarmee is dat besluit onherroepelijk geworden. Het besluit van 16 januari 2016 dient derhalve te worden geduid als een herhaalde weigering van het college om een besluit te nemen op het Wob-verzoek. Hiertegen heeft [appellant] beroep ingesteld bij de rechtbank.

10.    [appellant] heeft in beroep betoogd dat hij een rechtsgeldig Wob-verzoek heeft ingediend. Voorts is het college volgens [appellant] op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een dwangsom verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op dat verzoek.

    Procesbelang

11.    Ter zitting is komen vast te staan dat [appellant] in een andere procedure namens cliënten een Wob-verzoek heeft ingediend bij het college dat uitgebreider was dan het onderhavige verzoek en dat de desbetreffende stukken in dat kader aan hem zijn verstrekt. Voorts heeft [appellant] ter zitting verklaard dat hij niet langer aanspraak wil maken op enige door het college verbeurde dwangsom. Onder deze omstandigheden heeft [appellant] geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen de weigering van het college om een besluit te nemen op het Wob-verzoek.

12.    Het beroep is niet-ontvankelijk.

Proceskosten

13.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

14.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 maart 2017 in zaak nr. 15/589;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

IV.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Venray aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Polak    w.g. Ley-Nell

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2018

597.