Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1253

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
201708107/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2016 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708107/1/V1.

Datum uitspraak: 16 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister van Veiligheid en Justitie, thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 september 2017 in zaak nr. 17/8767 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2016 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij besluit van 27 maart 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend.

Bij uitspraak van 29 september 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. V. Sarkisian, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    De vreemdeling is een Kosovaarse man aan wie met ingang van 15 augustus 2012 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend voor verblijf bij zijn toenmalige echtgenote (hierna: de ex-echtgenote). Tijdens dit huwelijk zijn twee kinderen geboren die Nederlander zijn. De staatssecretaris heeft de verblijfsvergunning van de vreemdeling met terugwerkende kracht per 4 juni 2016 ingetrokken, naar aanleiding van een melding van de ex-echtgenote dat hun relatie op die dag is beëindigd. Bij besluit van 27 maart 2017 heeft de staatssecretaris de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, onder de beperking "verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon]". De staatssecretaris heeft deze vergunning met ingang van 5 december 2016 verleend, omdat de vreemdeling op die dag heeft aangetoond dat hij invulling geeft aan het gezinsleven met zijn kinderen. Hierdoor is een verblijfsgat ontstaan.

3.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling heeft moeten aantonen dat hij invulling aan het gezinsleven geeft met zijn uit reëel huwelijk geboren minderjarige kinderen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat dit vereiste volgens paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) niet voor een dergelijk geval geldt. Volgens paragraaf 7.1 van Werkinstructie 2015/4 had de staatssecretaris een verblijfsvergunning kunnen verlenen met een ingangsdatum die direct aansluit op de datum van intrekking van de verblijfsvergunning, aldus de rechtbank.

Grief van de staatssecretaris

4.    De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank het beleid neergelegd in hoofdstuk B7/3.8 en verder van de Vc 2000 onjuist heeft uitgelegd. Volgens de staatssecretaris ziet paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 uitsluitend op de vraag of sprake is van familie- en gezinsleven, terwijl voor de verlening van een verblijfsvergunning volgens paragraaf B7/3.8.3 van de Vc 2000 ook een belangenafweging nodig is.

De staatssecretaris betoogt dat in de situatie waarbij de ouders niet langer bij elkaar zijn en een omgangsregeling met de kinderen bestaat, hij terecht van de vreemdeling heeft verlangd dat hij daadwerkelijk feitelijke invulling geeft aan de omgangsregeling.

Beoordeling van de grief

4.1.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1110) volgt dat de staatssecretaris in het geheel van de in het kader van artikel 8 van het EVRM te maken belangenafweging terecht de intensiteit van het gezinsleven als relevant aspect in zijn beoordeling heeft betrokken. In dit verband heeft de staatssecretaris terecht gewezen op paragraaf B7/3.8.3 van de Vc 2000. Uit het besluit van 27 maart 2017 en het ter toelichting daarop uitgebrachte verweerschrift van 11 juli 2017 komt ook naar voren dat de staatssecretaris in het kader van die belangenafweging heeft beoordeeld of de vreemdeling daadwerkelijk feitelijk invulling geeft aan de omgangsregeling met zijn kinderen en niet ter beantwoording van de vraag of tussen hen familie- en gezinsleven bestaat. De staatssecretaris heeft aldus overeenkomstig zijn beleid gehandeld.

4.2.    De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris in het besluit van 27 maart 2017 een onjuist criterium heeft gehanteerd.

Conclusie hoger beroep

5.    De grief slaagt. Het hoger beroep is kennelijk gegrond en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 27 maart 2017 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

Beroepsgronden van de vreemdeling

6.    De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat hij onmogelijk vanaf zijn vertrek uit de echtelijke woning rond 15 augustus 2016 gezinsleven met zijn kinderen met bewijsstukken kon aantonen en dat hij al vóór 5 december 2016 begin van bewijs daarvan aan de staatssecretaris heeft verzonden. Verder kon hij door het ontstane verblijfsgat niet langer op 12 augustus 2017 met succes een naturalisatieverzoek indienen en komt hij evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd dan wel als langdurig EU-ingezetene, aldus de vreemdeling.

Beoordeling van de beroepsgronden

6.1.    De staatssecretaris heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij ingevolge artikel 26 van de Vreemdelingenwet 2000 de verblijfsvergunning per 5 december 2016 heeft moeten verlenen, omdat de vreemdeling pas op die datum met overgelegde stukken heeft aangetoond dat beschermenswaardig gezinsleven bestaat. Uit de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2005 in zaak nr. 200501628/1 (JV 2005/323), volgt immers dat deze bepaling geen betrekking heeft op het ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

6.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 13 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3081), moet de staatssecretaris bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van privéleven en familie- en gezinsleven een 'fair balance' vinden tussen het belang van een vreemdeling en de gezinsleden enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moet hij alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken. De rechter moet desgewenst toetsen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, zo ja, of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen enerzijds het belang van een vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.

6.3.    Niet in geschil is dat de vreemdeling al vanaf 4 juni 2016 het ouderlijk gezag over zijn kinderen met de ex-echtgenote heeft gedeeld. Daarnaast is niet langer in geschil dat de vreemdeling vanaf juli 2016 kinderalimentatie heeft overgemaakt. Verder heeft de staatssecretaris niet betwist dat er communicatieproblemen waren tussen de vreemdeling en de ex-echtgenote, waardoor de vaststelling van een omgangsregeling werd bemoeilijkt. In dit kader is van belang dat tussen het vertrek van de vreemdeling uit de gezamenlijke woning en de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 november 2016 uiteindelijk een korte periode van ongeveer drie maanden zit. Hieruit blijkt dat de vreemdeling zich heeft ingespannen om de omgang met zijn kinderen zo snel mogelijk te realiseren. In voornoemde beschikking heeft die rechtbank bepaald dat de vreemdeling en zijn kinderen gerechtigd zijn tot begeleide omgang met elkaar, waarbij de verdere invulling zal geschieden in nader overleg tussen hem, de ex-echtgenote en de uitvoerster van de intensieve omgangsbegeleiding. Verder heeft die rechtbank bepaald dat de vreemdeling tot die tijd tweewekelijks informatie over en foto's van zijn kinderen ontvangt en gerechtigd is tot wekelijks contact met hen door middel van Skype. De staatssecretaris heeft niet gemotiveerd wat de vreemdeling meer had kunnen doen om de omgangsregeling met zijn kinderen sneller te bewerkstelligen.

6.4.    In dit samenstel van omstandigheden is geen plaats voor het oordeel dat het familie- en gezinsleven tussen de vreemdeling en zijn kinderen in de periode vóór 5 december 2016 niet beschermenswaardig is geweest.

6.5.    Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de reguliere verblijfsvergunning niet heeft verleend met een ingangsdatum die aansluit op de intrekkingsdatum van de vorige verblijfsvergunning. De staatssecretaris heeft de verblijfsvergunning ten onrechte met ingang van 5 december 2016 verleend en daarmee onnodig een verblijfsgat gecreëerd. Hieruit blijkt dat de staatssecretaris de door de vreemdeling aangevoerde nadelige gevolgen van de gekozen ingangsdatum niet in zijn besluit van 27 maart 2017 heeft betrokken.

Conclusie beroep

7.    Het beroep is gegrond.

8.    Het besluit van 27 maart 2017, voor zover de staatssecretaris daarbij de reguliere verblijfsvergunning met ingang van 5 december 2016 aan de vreemdeling heeft verleend, komt wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen over de ingangsdatum van de ambtshalve verleende verblijfsvergunning, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

9.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 september 2017 in zaak nr. 17/8767;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 27 maart 2017, kenmerk V-nummer […], voor zover de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met ingang van 5 december 2016 ambtshalve is verleend;

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.505,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Schuurman

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2018

282-862. BIJLAGE - Wettelijk kader

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8

1.    Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2.    Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:4

1.    Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.

2.    De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Artikel 7:12

1.    De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.

[…]

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 26

1.    De verblijfsvergunning, die van rechtswege rechtmatig verblijf inhoudt, wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

[…]

Vreemdelingencirculaire 2000

Paragraaf B7/3.8.1

De IND neemt in ieder geval aan dat sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM tussen:

• echtgenoten in een reëel huwelijk (lawful and genuine marriage);

• partners in een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen (homo- of heteroseksuele) relatie; of

• ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige kinderen.

De IND neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen een minderjarig kind en zijn:

• erkenner;

• biologische vader (wiens kind niet uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie is geboren);

• adoptiefouder(s);

• pleegouder(s); of

• opvangouders,

mits aan de relatie voldoende invulling wordt gegeven.

[…]

Paragraaf B7/3.8.3

Om te kunnen bepalen of weigering van (voortzetting van) het verblijf van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 EVRM, neemt de IND alle relevante feiten en omstandigheden in ogenschouw en brengt deze tot uitdrukking in een belangenafweging. Welke belangen de IND bij de belangenafweging betrekt, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus verschilt. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, heeft de IND hierbij een zekere beoordelingsvrijheid.

Bij de weigering van voortgezet verblijf is de uitgangspositie van de vreemdeling sterker dan bij eerste toelating van de vreemdeling tot het Nederlandse grondgebied. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf betrekt de IND ten nadele van de vreemdeling bij deze belangenafweging.

Dit laat onverlet dat ook als geen sprake is van inmenging de IND een belangenafweging maakt tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling

Paragraaf B7/5

[…]

De IND beschouwt bescheiden waaruit blijkt dat invulling wordt gegeven aan het gezinsleven tussen de vreemdeling en de referent als bewijsmiddel van de feitelijke invulling.

[…]