Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1250

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
201705977/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2016 (hierna: besluit 1) heeft de staatssecretaris de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingaande op 26 april 2016, verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705977/1/V1.

Datum uitspraak: 13 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

2.    [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 28 juni 2017 in zaken nrs. 16/16510 en 16/18104 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2016 (hierna: besluit 1) heeft de staatssecretaris de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingaande op 26 april 2016, verleend.

Bij besluit van 21 juli 2016 (hierna: besluit 2) heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling bij besluit van 28 april 2014 verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 5 juni 2015.

Bij uitspraak van 28 juni 2017 heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen besluit 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het door de vreemdeling tegen besluit 2 ingestelde beroep gegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.J.M. Oomen, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    De bij besluit 2 ingetrokken vergunning is verleend krachtens artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voor verblijf van de vreemdeling bij haar partner.

    De bij besluit 1 verleende vergunning is verleend krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade.

In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling

3.    Hetgeen in het incidenteel hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

4.    Het incidenteel hoger beroep is kennelijk ongegrond.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

5.    De rechtbank heeft overwogen dat volgens onderdeel C2/10.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) de staatssecretaris bij het nemen van besluit 2 moest onderzoeken of ten tijde van de verlening van de in te trekken vergunning één of meer andere gronden voor verlening als bedoeld in artikel 29, eerste of tweede lid, van de Vw 2000 van toepassing waren, in welk geval die vergunning niet wordt ingetrokken. Omdat niet is gebleken dat de staatssecretaris dit onderzoek heeft verricht kleeft aan besluit 2 een zorgvuldigheidsgebrek, aldus de rechtbank.

6.    In de enige grief, gericht tegen deze overweging van de rechtbank, klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in dit geval niet onderdeel C2/10.4 maar onderdeel C2/10.6 van de Vc 2000 van toepassing is, waarin geen onderzoeksplicht is opgenomen.

6.1.    Besluit 2, gelezen in samenhang met het voornemen daartoe, vermeldt dat de bij het besluit van 28 april 2014 verleende verblijfsvergunning wordt ingetrokken krachtens artikel 32, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, omdat de relatie tussen de vreemdeling en haar partner is verbroken en zij niet langer op hetzelfde adres verblijven.

6.2.    Volgens de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1694, moet de staatssecretaris bij de intrekking van een krachtens artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wegens het verschaffen van onjuiste gegevens, onderzoeken of bij de desbetreffende vreemdeling asielmotieven bestaan. Er bestaat geen grond om tot een ander oordeel te komen indien de reden voor de intrekking is gelegen in het niet of niet langer onderhouden van een werkelijk huwelijks- of gezinsleven met de vreemdeling, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

6.3.    De staatssecretaris heeft, teneinde de Vc 2000 in overeenstemming te brengen met de uitspraak van 21 mei 2015, bij besluit van 21 juni 2017 (WBV 2017/5) aan onderdeel C1/3 van de Vc 2000 toegevoegd, onder verwijzing naar onderdeel C2/10.6 van de Vc 2000, dat bij de intrekking van een afgeleide verblijfsvergunning op grond van artikel 32, eerste lid en onder e, van de Vw 2000, de IND de desbetreffende vreemdeling in het intrekkingsgehoor in de gelegenheid stelt om zelfstandige asielgronden naar voren te brengen.

    Volgens de toelichting bij dit onderdeel van WBV 2017/5 wordt bij de beoordeling van de intrekking van de afgeleide verblijfsvergunning tevens meegewogen of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vw 2000, waartoe de vreemdeling in het intrekkingsgehoor in de gelegenheid wordt gesteld de zelfstandige gronden naar voren te brengen. De vreemdeling kan er echter ook voor kiezen om een zelfstandige aanvraag in te dienen. In die gevallen wordt de intrekkingsprocedure tijdelijk aangehouden tot de zelfstandige aanvraag is ingediend, aldus de toelichting.

6.4.    Gelet op het voorgaande en nu besluit 2 dateert van na de uitspraak van 21 mei 2015, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris bij het nemen van dat besluit ten onrechte niet met toepassing van onderdeel C2/10.4 van de Vc 2000 heeft beoordeeld of één of meer andere gronden voor verlening als bedoeld in artikel 29, eerste of tweede lid, van de Vw 2000 van toepassing waren.

6.5.    De grief faalt.

7.    De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht het door de vreemdeling tegen besluit 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het door de vreemdeling tegen besluit 2 ingestelde beroep gegrond verklaard.

Ambtshalve overweging

8.     De rechtbank heeft in haar beslissing in strijd met artikel 8:72, eerste lid, van de Awb nagelaten besluit 2 te vernietigen. Gelet hierop zal de Afdeling het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaren, de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigen en, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, besluit 2 alsnog vernietigen. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

9.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gegrond;

II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 28 juni 2017 in zaken nrs. 16/16510 en 16/18104, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 juli 2016, kenmerk [...], te vernietigen;

IV.    vernietigt dit besluit;

V.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Verheij    w.g. De Groot

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2018

210. BIJLAGE

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 29

1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

(…)

b.    die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1°    doodstraf of executie;

2°    folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°    ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

(…)

b.    de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin;

(…)

(…)

Artikel 32

1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan kan worden afgewezen indien:

(…)

c.    de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen;

(…)

e.    het een vergunning betreft die is verleend aan een gezinslid als bedoeld in artikel 29, tweede lid, en dat gezinslid niet of niet langer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven onderhoudt met de vreemdeling, bedoeld in het artikel 29, eerste lid.

(…)

Vreemdelingencirculaire 2000

C1/3. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd

(…)

Het intrekkingsgehoor

Het gehoor als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Vw wordt aangeduid als het intrekkingsgehoor.

(…)

De IND stelt de vreemdeling tijdens het intrekkingsgehoor in de gelegenheid om zijn zienswijze op het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd mondeling toe te lichten.

Bij de intrekking van een afgeleide verblijfsvergunning op grond van artikel 32, eerste lid en onder e, Vw stelt de IND de vreemdeling in het intrekkingsgehoor in de gelegenheid om zelfstandige asielgronden naar voren te brengen (zie paragraaf C2/10.6).

(…)

De IND past de beleidsregels omtrent het intrekkingsgehoor overeenkomstig toe bij andere gehoren die de IND afneemt in het kader van de (beoordeling van de mogelijkheid tot) intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd.

(…)

C2/10.4. De grond voor verlening is komen te vervallen

Algemeen

Als de IND vaststelt dat de grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is komen te vervallen en de wijziging van de omstandigheden ingevolge artikel 3.37g VV een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter hebben onderzoekt de IND in ieder geval:

• of op het moment van verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ook één of meerdere andere grond(en) voor verlening als bedoeld in artikel 29, eerste of tweede lid Vw van toepassing waren;

• of de vreemdeling op het moment van het beoordelen van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste of tweede lid Vw (tenzij de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28, eerste lid onder d Vw ambtshalve is verleend);

• of de vreemdeling dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging of daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw kan aanvoeren om te weigeren terug te keren naar zijn land van herkomst; en,

• (…)

Als tenminste één van deze omstandigheden zich voordoet, trekt de IND de verblijfsvergunning niet in.

(…)

C2/10.6. De huwelijks- of gezinsband is verbroken

Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, b of c, Vw

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend op grond van artikel 29, tweede lid, Vw in op grond van artikel 32, eerste lid, onder e Vw juncto artikel 3.106 Vb als de huwelijks- of gezinsband is verbroken.

De IND neemt aan dat de huwelijks- of gezinsband is verbroken in de situaties als opgesomd in paragrafen B7/3.1 en B7/3.2.1 van de Vc.