Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1215

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
201707080/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5702, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2016 heeft de burgemeester de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie van [appellante] geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707080/1/V6.

Datum uitspraak: 11 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2017 in zaak nr. 17/7009 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2016 heeft de burgemeester de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie van [appellante] geweigerd.

Bij besluit van 14 september 2016 heeft de burgemeester het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juli 2017 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, is verschenen. Teven is verschenen [begeleidster] van [appellante].

Overwegingen

1.    De burgemeester heeft aan zijn besluit van 21 januari 2016, dat hij bij besluit van 14 september 2016 heeft gehandhaafd, ten grondslag gelegd dat door [appellante] niet wordt voldaan aan de voorwaarden die gelden voor de bevestiging van haar optieverklaring. [appellante] heeft geen geldig buitenlands reisdocument kunnen tonen en zij heeft niet aangetoond dat zij in bewijsnood verkeert, aldus de burgemeester.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat van [appellante] in beginsel verwacht mag worden een buitenlands reisdocument over te leggen. Tegen dat oordeel is in hoger beroep niet opgekomen, zodat thans van de juistheid daarvan wordt uitgegaan.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet in bewijsnood verkeert. Zij heeft een aantal keren contact opgenomen met het Marokkaanse consulaat-generaal in Rotterdam teneinde een geldig Marokkaans paspoort te verkrijgen. Uit de verklaring van het consulaat-generaal van 20 oktober 2014 blijkt dat het voor haar niet mogelijk is om een Marokkaans paspoort aan te vragen, omdat zij niet in de Marokkaanse geboorteregisters staat ingeschreven. Voorts heeft de consul-generaal haar medegedeeld dat zij slechts een Marokkaans paspoort kan krijgen indien haar moeder een daartoe strekkend verzoek indient. Volgens de consul-generaal kan zij niet zelf een dergelijk verzoek in dienen, aldus [appellante].

3.1.    Anders dan [appellante] stelt heeft zij met de door haar overgelegde stukken niet aangetoond dat zij in bewijsnood verkeert.

    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellante] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij een aanvraag heeft gedaan om zich alsnog in de registers in Marokko te doen inschrijven. Zolang zij niet heeft gepoogd om zich aldaar te laten inschrijven, heeft, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, [appellante] niet alles gedaan wat in haar macht ligt om een buitenlands reisdocument over te leggen. Daarbij komt dat, zoals de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen, [appellante] de omstandigheid dat haar grootvader is overleden, samen met de andere persoonlijke feiten en omstandigheden, bij de Marokkaanse autoriteiten naar voren kan brengen, opdat deze een beslissing over de inschrijving in het register aldaar kunnen nemen.

    De verwijzing naar het gesprek met de consul-generaal van Marokko, dat naar gesteld op 3 augustus 2016 heeft plaatsgevonden, vormt evenmin steun voor haar betoog dat zij in bewijsnood verkeert, reeds omdat zij geen daartoe strekkende verklaring van de consul-generaal heeft overgelegd. Zij heeft slechts een weergave van dat gesprek, opgesteld door haar gemachtigde, overgelegd, zodat daaraan niet die waarde kan worden gehecht die [appellante] daaraan gehecht zou willen zien.

    De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij in bewijsnood verkeert, zodat de burgemeester geen ontheffing heeft hoeven verlenen voor het vereiste bezit van een buitenlands reisdocument. De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat nu [appellante] geen buitenlands reisdocument heeft overgelegd, de burgemeester het verkrijgen van het Nederlanderschap door optie terecht aan haar heeft geweigerd. Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Woestenburg-Bertels

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018

501.