Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1212

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
201703607/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de kelder op het perceel [locatie] te 't Goy (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703607/1/A1.

Datum uitspraak: 11 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te 't Goy, gemeente Houten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Houten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de kelder op het perceel [locatie] te 't Goy (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 maart 2017 heeft het college, opnieuw beslissend op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 15 juli 2014, het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 15 juli 2014 herroepen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 5 december 2017 heeft het college aan [vergunninghouder] opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de kelder op het perceel.

Tegen dit besluit heeft [appellant] gronden ingediend.

Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door A.R.E. Maris en mr. P.J. van der Laan, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde], gehoord. Ter zitting zijn voorts inlichtingen verstrekt door ing. H. van Avendonk.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 11 maart 2013 is de woning van [vergunninghouder] afgebrand. Voor het herbouwen van de woning is bij besluit van het college van 18 september 2013 een omgevingsvergunning verleend. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Nadat de bouw van de woning was voltooid, is geconstateerd dat in afwijking van de omgevingsvergunning de kelder groter is uitgevoerd en dat de kelder vanaf het erf kan worden betreden. [vergunninghouder] heeft op 11 juni 2014 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend om dit te legaliseren. [appellant] is eigenaar van de naastgelegen percelen. Hij woont daar en oefent daar een fruitteeltbedrijf uit. [appellant] vreest dat realisering van het bouwplan ertoe leidt dat hij in de uitoefening van zijn bedrijf wordt beperkt. Het college heeft het bezwaar van [appellant] tegen de aan [vergunninghouder] verleende omgevingsvergunning aanvankelijk bij besluit van 18 november 2014 niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] volgens hem geen belanghebbende was. De Afdeling heeft dat besluit in de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2455, vernietigd en bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Nadat de Afdeling in een uitspraak van 3 maart 2017 (zaaknr. 201701145/2/A1) het beroep van [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard en het college op straffe van verbeurte van een dwangsom heeft opgedragen om binnen twee weken na verzending van de uitspraak te beslissen op het bezwaar van [appellant] heeft het college het besluit op 21 maart 2017 genomen. Omdat het besluit van 15 juli 2014 in het besluit van 21 maart 2017 is herroepen waardoor opnieuw moest worden beslist op de aanvraag om omgevingsvergunning, heeft het college bij besluit van 5 december 2017 met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure aan [vergunninghouder] opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor de uitbreiding van de kelder op het perceel.

Het besluit van 21 maart 2017

2.    [appellant] betoogt dat het besluit van 21 maart 2017 in strijd is met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Volgens hem heeft het college met het nemen van het besluit van 21 maart 2017 dan ook niet voldaan aan de opdracht van de Afdeling in de uitspraak 3 maart 2017 om binnen twee weken na verzending van de uitspraak te beslissen op het bezwaar. Om die reden zijn dwangsommen verbeurd tot het college alsnog een besluit heeft genomen, aldus [appellant].

2.1.    Anders dan [appellant] betoogt, vormt de gegrondverklaring van het bezwaar en de herroeping van een primair besluit een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dat betekent dat het college op 21 maart 2017 een besluit heeft genomen op het bezwaar. Daargelaten of dat besluit voldoet aan de in artikel 7:11 van de Awb gestelde eisen heeft het college reeds om die reden vanaf die datum geen dwangsommen meer verbeurd.

    Het betoog faalt.

3.    Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd in zijn beroepschrift richt zich tegen de motivering van het college waarom het niet instemt met het advies van de bezwaarschriftencommissie van 19 december 2016. Nu in het besluit van 21 maart 2017 het besluit van 15 juli 2014 is herroepen, komt aan deze motivering van het college geen betekenis meer toe. Hetgeen [appellant] hierover heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking.

Het besluit van 5 december 2017

4.    Bij besluit van 5 december 2017 heeft het college aan [vergunninghouder] opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de kelder op het perceel. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

5.    Voor zover het college in de schriftelijke uiteenzetting heeft aangevoerd dat [appellant] geen belanghebbende is bij het besluit van 5 december 2017 waarmee opnieuw is beslist op de aanvraag om omgevingsvergunning van 11 juni 2014 wordt overwogen dat de Afdeling in deze zaak bij uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2455, reeds onherroepelijk heeft geoordeeld dat [appellant] belanghebbende is bij het besluit op die aanvraag. Aan dat oordeel is het college in deze procedure gebonden, evenals de andere partijen en de Afdeling. Hetgeen het college ter zitting van de Afdeling heeft aangevoerd, geeft geen grond daarover thans anders te oordelen.

6.    [appellant] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het perceel een zelfstandige woonfunctie heeft. Volgens hem blijkt uit de ter plaatse geldende beheersverordening "Buitengebied en Schonauwenseweg" (hierna: de beheersverordening) dat een woonfunctie alleen is toegestaan als deze ondergeschikt is aan een agrarische functie. [vergunninghouder] heeft echter meermaals bevestigd dat het perceel niet agrarisch wordt gebruikt, aldus [appellant]. Volgens hem betekent dit dat het de verlening van de omgevingsvergunning slechts mogelijk is als ook ten aanzien van het gebruik wordt afgeweken van de beheersverordening. Nu het perceel is gelegen op een afstand van minder dan 50 m van een fruitteeltbedrijf, kan de omgevingsvergunning alleen worden verleend als is gemotiveerd dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bestaat, aldus [appellant].

6.1.    In de ter plaatse geldende beheersverordening valt het perceel binnen het besluitvlak "Buitengebied".

Artikel 2 van de beheersverordening luidt:

"In het verordeningsgebied geldende de volgende regels:

a. ter plaatse van de besluitvlakken geldt ten aanzien van het gebruik, het bouwen en het uitvoeren van werken en werkzaamheden het bepaalde in de volgende tabel: […]"

In de tabel is opgenomen dat in het besluitvak "Buitengebied" de regels van bijlage 1 gelden en de kaarten van de bijlage 2, 3 en 4 van toepassing zijn.

Uit de als bijlage 2 bij de beheersverordening gevoegde kaart blijkt dat op het perceel de bestemming "Landelijk gebied I" rust.

Artikel 5.1 van bijlage 1 van de beheersverordening luidt:

"De als zodanig op de plankaart aangegeven gronden zijn bestemd voor:

Hoofddoeleinden:

- uitoefening van het agrarisch bedrijf;

- behoud en herstel van natuur- en landschapswaarden;

Ondergeschikte doeleinden:

- […]

- wonen;

- […].

In het doel "wonen" is de uitoefening van agrarische nevenactiviteiten inbegrepen, uitsluitend voor zover op de plankaart aangegeven met "agrarische nevenactiviteiten toegestaan".

Artikel 5.2, onder d, luidt:

"Voor de bebouwing ten dienste van wonen gelden de volgende bepalingen:

1. […];

5. de maatvoering van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan aangegeven in de volgende regels dan wel de bestaande maatvoering indien deze meer is:

[…]."

6.2.    Het college heeft in het besluit van 5 december 2017 het standpunt ingenomen dat het perceel op de kaart van bijlage 2 bij de beheersverordening de bestemming "Landelijk Gebied 1" heeft en de aanduidingen "wonen" en "agrarische nevenactiviteiten toegestaan". Volgens het college is het gebruik van de kelder in overeenstemming met de aanduiding "wonen". De uitbreiding van de kelder is volgens het college echter wel in strijd met artikel 5.2, onder d, sub 5, van bijlage 1 van de beheersverordening, omdat de uitbreiding van de kelder leidt tot een vergroting van de bestaande inhoud.

6.3.    [appellant] voert terecht aan dat het college niet heeft onderkend dat het gebruik van de kelder voor woondoeleinden in dit geval niet in overeenstemming is met de beheersverordening. Daarbij is van belang dat ingevolge artikel 5.1 van bijlage 1 van de beheersverordening als hoofddoeleinden de uitoefening van het agrarisch bedrijf alsmede het behoud en herstel van natuur- en landschapswaarden zijn toegestaan. Wonen is als ondergeschikt doeleinde toegestaan. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2780), overweegt de Afdeling dat hieruit volgt dat wonen slechts is toegestaan indien dit ondergeschikt is aan één van de twee hoofddoeleinden. Dat op de plankaart op het perceel de aanduidingen "wonen" en "agrarische nevenactiviteiten toegestaan" zijn opgenomen, geeft geen aanleiding daarover anders te oordelen, omdat deze aanduidingen het in artikel 5.1 van bijlage 1 bij de beheersverordening gemaakte onderscheid tussen hoofddoeleinden en ondergeschikte doeleinden niet opheffen en omdat aan de aanduiding "wonen" in de planregels niet de betekenis is toegekend dat gebruik van het perceel voor alleen wonen is toegestaan.

    Niet in geschil is dat het perceel niet wordt gebruikt voor een van de hoofdoeleinden, maar alleen voor wonen. Nu de uitbreiding van de kelder betrekking heeft op deze woonfunctie, heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat dat het gebruik van de kelder in overeenstemming is met de beheersverordening.  

    Het betoog slaagt.

Conclusie

7.    Het beroep tegen het besluit van 21 maart 2017 is ongegrond. Het beroep tegen het besluit van 5 december 2017 is gegrond. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de aanvraag om omgevingsvergunning en daarbij te bezien of het bereid is de omgevingsvergunning te verlenen om het gebruik in afwijking van de beheersverordening toe te staan.

    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

8.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Houten van 5 december 2017, kenmerk UV14201, gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Houten van 5 december 2017, kenmerk UV14201;

III.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Houten van 21 maart 2017, kenmerk C/143697, ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Houten tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Houten aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duifhuizen, griffier.

w.g. Drop    w.g. Duifhuizen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018

724.