Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1211

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
201703013/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2016 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van kunststof binnenwanden in de stal op het perceel [locatie 1] te Harskamp (hierna: het perceel) afgewezen. Bij besluit van 4 oktober 2016 heeft het college de motivering van het besluit van 14 juli 2016 gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2018/94 met annotatie van P.M.J. de Haan
JOM 2018/397
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703013/1/A1.

Datum uitspraak: 11 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Harskamp, gemeente Ede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 april 2017 in zaak nr. 17/146 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2016 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van kunststof binnenwanden in de stal op het perceel [locatie 1] te Harskamp (hierna: het perceel) afgewezen. Bij besluit van 4 oktober 2016 heeft het college de motivering van het besluit van 14 juli 2016 gewijzigd.

Bij besluit van 20 december 2016 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 14 juli 2016 gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2018, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Mol, mr. L.M. Scheuter, L.W. Oosterom en J. Bosveld, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [persoon] (hierna: [persoon]) verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont op het perceel [locatie 2] ter Harskamp. Dit perceel grenst aan het perceel waarop [persoon] een fokzeugenbedrijf exploiteert. In 2012 is een omgevingsvergunning aan [persoon] verleend voor de bouw van een stal op het perceel. In 2014 is aan hem een omgevingsvergunning verleend voor wijzigingen van het bouwplan waarvoor in 2012 vergunning is verleend. [persoon] heeft een deel van de stal op het perceel gebouwd en daarin binnenwanden geplaatst van kunststof. Volgens [appellant] voldoen deze wanden niet aan de brandveiligheidseisen als bedoeld in de artikelen 2.66 en 2.67 van het Bouwbesluit 2012. [appellant] heeft het college verzocht om hiertegen handhavend op te treden. Het college heeft dit geweigerd, omdat hij van mening is dat in deze situatie de belangen die over en weer spelen en de bijkomende omstandigheden maken dat handhaving onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de nota van toelichting bij het Bouwbesluit 2012 (Stb.2011, 416, p.223) (hierna: de nota van toelichting), overwogen dat de artikelen 2.66 en 2.67 van het Bouwbesluit 2012 kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van [appellant]. Deze artikelen zien naar het oordeel van de rechtbank op de belangen van de gebruikers van de stal. Gelet op artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de rechtbank dan ook geen inhoudelijk oordeel gegeven over de afwijzing van het verzoek om handhaving.

Relativiteitsvereiste

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de artikelen 2.66 en 2.67 van het Bouwbesluit 2012 niet tot bescherming van zijn belangen strekken. Hij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1796), waarin is overwogen dat de in paragraaf 2.9.2 van het Bouwbesluit 2012 opgenomen normen strekken tot bescherming van eigenaren van belendende gebouwen. Het verschil tussen paragraaf 2.9.1 van het Bouwbesluit 2012, waarin de artikelen 2.66 en 2.67 zijn opgenomen, en paragraaf 2.9.2 van het Bouwbesluit 2012 is volgens [appellant] dat de eerste paragraaf gaat over nieuwbouw en de laatste over bestaande bouw. Beide paragrafen bevatten normen die betrekking hebben op brandveiligheid en die ook strekken tot bescherming van eigenaren van belendende gebouwen, aldus [appellant]. Hij betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het handhavingsverzoek en het beroep bij de rechtbank was ingegeven door zijn vrees voor sterkere brand- en rookontwikkeling dan als [persoon] volgens de regels van het Bouwbesluit 2012 had gebouwd. De rechtbank had de rechtsgronden, gelet op artikel 8:69 van de Awb, ambtshalve moeten aanvullen en moeten onderzoeken of het college gehouden was handhavend op te treden tegen schending van de brandveiligheidsnormen, zoals neergelegd in de paragrafen 2.10.1 en 2.11.1. van het Bouwbesluit 2012, aldus [appellant].

3.1.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

3.2.    In de hiervoor genoemde uitspraak van 29 juni 2016 kon aan de appellant artikel 8:69a van de Awb niet worden tegengeworpen, voor zover hij een beroep had gedaan op de paragrafen 2.9.2, 2.10.2, 2.11.2 en 2.12.2 van het Bouwbesluit 2012, omdat hij had aangevoerd waarom strijd bestaat met de in deze paragrafen genoemde normen en deze normen strekken tot bescherming van eigenaren van belendende gebouwen. Anders dan de situatie aan de orde in voormelde uitspraak, heeft [appellant] zich evenwel in deze zaak beperkt tot twee concrete artikelen van het Bouwbesluit 2012, te weten de artikelen 2.66 en 2.67. Het verzoek om handhaving ziet uitsluitend op de gestelde overtreding van die artikelen.

In bezwaar noch beroep heeft [appellant] gesteld dat het verzoek ruimer had moeten worden opgevat en dat hij ook heeft willen opkomen tegen andere overtredingen van het Bouwbesluit 2012. Eerst in zijn hogerberoepschrift heeft [appellant] verwezen naar de paragrafen 2.10.1 en 2.11.1 van het Bouwbesluit 2012, overigens zonder te motiveren waarom strijd bestaat met de in die paragrafen genoemde normen.

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het handhavingsverzoek van [appellant] ruimer had moeten worden opgevat en dat ook onderzocht had moeten worden of sprake is van overtreding van andere normen van het Bouwbesluit 2012 die gaan over brandveiligheid. De rechtbank heeft zich dan ook terecht beperkt tot de beoordeling van de vraag of de door [appellant] ingeroepen artikelen 2.66 en 2.67 van het Bouwbesluit 2012 strekken tot zijn bescherming.

    Uit de nota van toelichting blijkt dat voormelde artikelen erop zijn gericht te voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het binnenoppervlak van constructieonderdelen respectievelijk dat zich snel een te grote rookdichtheid ontwikkelt. Beide aspecten spelen een belangrijke rol bij het veilig kunnen vluchten uit een bouwwerk en het beperken van de ontwikkeling van de omvang van de brand. Als niet aan deze eisen is voldaan zou voor gebruikers van dat bouwwerk onvoldoende tijd kunnen overblijven om het bouwwerk bij brand veilig te verlaten, aldus de nota van toelichting. Gelet op deze toelichting strekken de artikelen 2.66 en 2.67 van het Bouwbesluit 2012 slechts tot bescherming van de gebruikers van het bouwwerk. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat deze artikelen kennelijk niet beogen de belangen van [appellant] als omwonende te beschermen en dat hij zich, gelet op het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste, dus niet met succes op die artikelen kan beroepen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3408).

    Het betoog faalt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Van der Spoel    w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018

531-870.