Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1210

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
201608976/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6728, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2015 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen twaalf weken na verzending van het besluit de illegale bewoning van het bijgebouw op het perceel [locatie 1] te Bergen op Zoom, te beëindigen, alsmede alle voorzieningen die het mogelijk maken te wonen in de appartementen in het bijgebouw te verwijderen, en de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met de laatst verleende omgevingsvergunning van 12 juni 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/285 met annotatie van T.N. Sanders
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608976/1/A1.

Datum uitspraak: 11 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bergen op Zoom,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 oktober 2016 in zaak nr. 16/1450 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2015 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen twaalf weken na verzending van het besluit de illegale bewoning van het bijgebouw op het perceel [locatie 1] te Bergen op Zoom, te beëindigen, alsmede alle voorzieningen die het mogelijk maken te wonen in de appartementen in het bijgebouw te verwijderen, en de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met de laatst verleende omgevingsvergunning van 12 juni 2009.

Bij besluit van 25 september 2015 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van door [appellant] verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 5.000,00.

Bij besluit van 20 oktober 2015 heeft het college opnieuw besloten over te gaan tot invordering van door [appellant] verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 5.000,00.

Bij besluit van 29 januari 2016 heeft het college de door [appellant] tegen de besluiten van 17 juni 2015, 25 september 2015 en 20 oktober 2015 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en deze besluiten in stand gelaten.

Bij uitspraak van 21 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.J.M. Marcus, en het college, vertegenwoordigd door mr. G. van Muyen, zijn verschenen.

Na de zitting heeft het college op verzoek van de Afdeling, en met toestemming van [appellant], nadere stukken overgelegd. [appellant] heeft daarop schriftelijk gereageerd.

Geen der partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht opnieuw ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek bij brief van 9 november 2017 heeft gesloten.

Bij brief van 6 februari 2018 heeft de Afdeling het onderzoek heropend en het college om aanvullende informatie verzocht. Het college heeft de gevraagde aanvullende informatie bij brief van 15 februari 2018 verstrekt. [appellant] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, daarop bij brief van 13 maart 2018 gereageerd.

De Afdeling heeft, met instemming van partijen, bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek bij brief van 5 april 2018 gesloten.  

Overwegingen

Inleiding

1.    [bedrijf A] is eigenaar van het pand op het perceel [locatie 1] te Bergen op Zoom. Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf A] is [bedrijf B]. [appellant] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf B].

    Uit de gedingstukken blijkt dat op de begane grond van het pand op het perceel het kantoor van [bedrijf A] is gevestigd. [appellant] is woonachtig op de bovenste etage. Aan de achterzijde van het perceel bevinden zich twee appartementen. Deze worden als afzonderlijke woningen verhuurd.

2.    Op 30 september 2014 hebben twee toezichthouders van de gemeente een bezoek gebracht aan het pand. Blijkens het controlerapport "Checklist onrechtmatige bewoning" van 14 oktober 2014 dat van dit bezoek is gemaakt, hebben zij ter plaatse geconstateerd dat één van de twee aanwezige appartementen op dat moment werd verhuurd. Het college heeft [appellant] daarop bij brief van 12 november 2014 medegedeeld voornemens te zijn handhavend tegen de bewoning van de appartementen op te treden, nu dit volgens het college in strijd is met het bestemmingsplan. Daarna heeft het college, nadat het blijkens een controlerapport van 1 april 2015 op 24 februari 2015 opnieuw een controle op het perceel heeft uitgevoerd, het eerdergenoemde besluit van 17 juni 2015 genomen.

Het oordeel van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft het college gevolgd in het standpunt dat het college bevoegd was handhavend op te treden, nu zich een overtreding van de geldende bestemmingsplanregels voordoet. Deze overtreding bestaat er in dat ingevolge de bestemmingsplanregels het perceel mag worden gebruikt voor één woning, bedoeld voor één huishouden en dat daaraan niet wordt voldaan.

    De rechtbank heeft het betoog van [appellant], dat de bouw en de bewoning van de appartementen zijn toegestaan nu daarvoor een vergunning is verleend, niet gevolgd. Zij heeft in het verder in beroep aangevoerde evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het handhavingsbesluit van het college voor vernietiging in aanmerking komt.

    Wat de invorderingsbesluiten betreft heeft de rechtbank geoordeeld dat de controlerapporten waarop deze besluiten zijn gebaseerd, anders dan [appellant] heeft betoogd, zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat daaruit blijkt dat [appellant] ten tijde van die controles niet had voldaan aan de last. Ook in hetgeen [appellant] ten aanzien van deze besluiten verder in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen grond gevonden voor vernietiging daarvan.

4.    Het wettelijk kader is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

De gronden van het hoger beroep

De last onder dwangsom

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden, nu hij geen overtreding heeft begaan. Hij wijst daarbij op de op 12 juni 2009 aan [bedrijf A] verleende bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning) voor het verbouwen en vernieuwen van het pand op het perceel, waarin het verbouwen is toegestaan. Met deze vergunning is volgens [appellant] impliciet ook het gebruik van de gerealiseerde appartementen voor bewoning toegestaan, nu op de bouwtekening met nummer b.0851, behorend bij de verleende vergunning, woonvoorzieningen zoals een toilet en een keuken zijn ingetekend.   

5.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat bij de reguliere bouwvergunning van 11 juni 2009, verzonden 12 juni 2009, die zich onder de gedingstukken bevindt, blijkens de bijbehorende bouwtekening met nummer b.0851, ter plaatse van de twee gerealiseerde appartementen atelierruimten zijn vergund. Dat op genoemde tekening op de begane grond in de atelierruimte een pantry en een toilet, en op de eerste verdieping in de atelierruimte een keukenblok en een badkamer zijn ingetekend, heeft de rechtbank terecht niet tot het oordeel geleid dat bij de bedoelde vergunning het realiseren van twee appartementen bestemd voor zelfstandige bewoning is vergund.

    Die omstandigheid heeft de rechtbank eveneens terecht niet tot het oordeel geleid dat het college met het verlenen van die vergunning impliciet het gebruik van de atelierruimten als zelfstandige woningen heeft toegestaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2519), kan een vrijstelling voor gebruik dat in strijd is met het bestemmingsplan (thans: een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) worden geacht rechtstreeks voort te vloeien uit een voor dat pand verleende bouwvergunning, als uit de bouwaanvraag zonder meer kan worden afgeleid dat het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan zal worden gebruikt, en het bevoegde bestuursorgaan, zich bewust van het voorgenomen gebruik, de vergunning in weerwil van de planregels heeft verleend.

    Anders dan [appellant] betoogt, doet die situatie zich hier niet voor. Dat op de bij de aanvraag behorende bouwtekening met nummer b.0851 in de atelierruimten voorzieningen als een pantry, een keukenblok, een toilet en een badkamer zijn ingetekend, maakt niet dat het college zonder meer uit de bouwaanvraag kon afleiden dat deze gedeelten van het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan als zelfstandige woningen zouden worden gebruikt. Het college heeft dan ook niet de vergunning in weerwil van de planregels verleend.

    Het beroep van [appellant] op de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP6315) baat hem niet. Dat de Afdeling, onder de omstandigheden van dat geval, heeft geoordeeld dat door een in het verleden verleende bouwvergunning een legale horecabestemming aan de orde was, maakt niet dat onder de omstandigheden van dit geval de met het bestemmingsplan strijdige situatie eveneens moet worden geacht te zijn vergund. Ook het beroep op de uitspraken van de Afdeling van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2338) en 6 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1875) baat [appellant] niet. Ten aanzien van de eerstgenoemde uitspraak geldt daarbij dat het college in dit geval, in tegenstelling tot dat geval, geen aanknopingspunt had om redelijkerwijs aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zou worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. In de uitspraak van 6 juli 2016 heeft de Afdeling overwogen dat niet handhavend kan worden opgetreden tegen een bouwwerk dat in strijd is met het bestemmingsplan, maar in overeenstemming is met een in rechte onaantastbare vergunning. In tegenstelling tot in die zaak, zijn in deze zaak de bouw en het gebruik van de appartementen, zowel in strijd met het bestemmingsplan, als met de in rechte onaantastbare vergunning. De zaken zijn dan ook niet vergelijkbaar.

    De conclusie is dat de rechtbank het betoog dat geen sprake is van een overtreding en het college derhalve niet bevoegd was handhavend op te treden, terecht niet heeft gevolgd.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij ten onrechte als overtreder is aangemerkt. Hij voert daartoe aan dat hij gebruiker, noch eigenaar is van de appartementen in het pand op het perceel. De eigendom van het pand berust bij [bedrijf A] en de appartementen worden niet door hem, maar door de huurders gebruikt. Hij stelt het daarom niet in zijn macht te hebben om de overtreding te beëindigen.

6.1.    Uit een huurovereenkomst van 28 december 2012 die betrekking heeft op één der appartementen en die zich onder de gedingstukken bevindt, blijkt dat [appellant] in persoon de appartementen verhuurt. De rechtbank heeft daarover, in hoger beroep niet bestreden, overwogen dat [appellant] dit ter zitting in beroep heeft bevestigd, ook ten aanzien van het andere appartement. Reeds daarom moet worden vastgesteld dat [appellant] de bestemmingsplanregels heeft geschonden en als overtreder kan worden aangemerkt.

    [appellant] heeft gesteld dat [bedrijf A] eigenaar is van het pand waarin de appartementen zijn gerealiseerd en niet hijzelf, zodat hij het niet in zijn macht heeft de overtredingen te beëindigen.

Daargelaten of die omstandigheid relevant is voor het antwoord op de vraag of hij als overtreder kan worden aangemerkt, kan dit betoog niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Daarbij is van belang dat uit de hiervoor onder 1 omschreven constructie blijkt dat [appellant] als enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf B], via [bedrijf B] feitelijk leiding geeft aan en volledige zeggenschap heeft over [bedrijf A].

    De conclusie is dat de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat het college [appellant] ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit tot het opleggen van de last niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Hij voert daartoe aan dat het college het advies van de commissie voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie) niet had mogen overnemen, omdat dit advies verschillende omissies bevat.

    Volgens [appellant] heeft de commissie ten onrechte niet onderzocht of de controlerapporten waarop het besluit is gebaseerd door daartoe bevoegde toezichthouders zijn opgesteld. [appellant] betwist dat de personen die de controles op het perceel hebben uitgevoerd daartoe bevoegd zijn. Volgens hem is daarvoor vereist dat zij zijn aangewezen als toezichthouder in de zin van artikel 5:11 van de Awb. Het college heeft nooit, ondanks verschillende verzoeken van [appellant] daartoe, de betreffende aanwijzingsbesluiten in het geding gebracht, zodat ervan moet worden uitgegaan dat deze personen niet als toezichthouder zijn aangewezen en dus onbevoegd waren de controles uit te voeren.

    De commissie is er verder volgens [appellant] ten onrechte aan voorbijgegaan dat de rapporten andere onzorgvuldigheden bevatten en te laat in de procedure aan hem ter beschikking zijn gesteld, zodat hij zich daartegen niet adequaat heeft kunnen verweren. De commissie heeft er daarnaast ten onrechte geen gevolg aan verbonden dat het college ten onrechte geen besluit heeft genomen op zijn verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn, aldus [appellant].

7.1.    Over de bevoegdheid van de personen die de controles op het perceel hebben uitgevoerd, overweegt de Afdeling het volgende.

    Wat betreft de personen die de aan het besluit van 17 juni 2015 ten grondslag gelegde controles van 30 september 2014 en 24 februari 2015 op het perceel hebben uitgevoerd, heeft het college na de zitting in hoger beroep aanvullende informatie verstrekt, waaruit naar het oordeel van de Afdeling genoegzaam blijkt dat deze personen bij het aanwijzingsbesluit van 7 oktober 2010 door het college zijn aangewezen als toezichthouder in de zin van artikel 5:11 van de Awb.

    Dat, zoals [appellant] stelt, uit de door het college overgelegde aanvullende stukken niet is gebleken dat het aanwijzingsbesluit van 7 oktober 2010 op geschikte wijze is bekendgemaakt, brengt niet met zich dat het college hun controles en rapporten niet aan het besluit van 17 juni 2015 ten grondslag mocht leggen. Het betoog faalt dan ook in zoverre.

7.2.    Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het college het advies van de commissie niet mocht overnemen, omdat de commissie andere onzorgvuldigheden in de controlerapporten niet heeft onderkend, slaagt evenmin. Dat in het rapport van 1 april 2015 wordt vermeld dat is aangebeld terwijl het betreffende appartement volgens [appellant] geen deurbel heeft, alsmede dat in het rapport van 14 oktober 2014 wordt vermeld dat de appartementen zich in een bijgebouw bevinden terwijl deze zich volgens [appellant] in het hoofdgebouw bevinden, is niet van dien aard dat dit de rapporten ondeugdelijk maakt. Wat het laatste betreft heeft de rechtbank terecht overwogen dat blijkens de bestemmingsplanregels meer dan één zelfstandige woonruimte op het perceel niet is toegestaan. Nu door de zelfstandige bewoning van de appartementen zich wel meer dan één zelfstandige woonruimte op het perceel bevindt, wordt het bestemmingsplan overtreden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet ter zake doet of de verschillende zelfstandige woonruimten zich in het hoofdgebouw, een bijgebouw, een aanbouw of in een ander bijbehorend bouwwerk bevinden.

    Dat [appellant] niet tijdig van de controlerapporten kennis heeft kunnen nemen is niet gebleken. Het college heeft onweersproken gesteld dat de rapporten gedurende een week voorafgaand aan de hoorzitting van de bezwarencommissie ter inzage hebben gelegen. [appellant] had deze kunnen inzien op het gemeentehuis.

    Het betoog dat de commissie er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het college geen besluit heeft genomen op het verzoek van [appellant] om verlenging van de begunstigingstermijn, slaagt evenmin. Uit een brief van het college van 28 september 2015 aan de gemachtigde van [appellant], die zich onder de gedingstukken bevindt, blijkt onweersproken, dat op dit in het pro forma bezwaarschrift van 29 juli 2015 gedane verzoek, op 3 augustus 2015 door het college is gereageerd door, bij afwezigheid van de gemachtigde van [appellant], aan zijn secretaresse nadrukkelijk mede te delen dat de begunstigingstermijn niet zou worden verlengd maar zou worden gehandhaafd. De secretaresse heeft daarop geantwoord dat zij dit bericht begreep en tevens begreep dat het in dat geval op de weg van de gemachtigde lag om eventueel tijdig een voorlopige voorziening te vragen tegen het besluit. Mede gelet op dit gesprek, valt uit het besluit op bezwaar af te leiden dat negatief op dit verzoek is besloten.

    Dat de last voorts niet in stand kan blijven omdat onduidelijk is op welk adres deze ziet, zoals [appellant] betoogt, slaagt evenmin. Gelet op de omstandigheden dat de appartementen waar het om gaat zich bevinden op het perceel [locatie 2] te Bergen op Zoom, de controles door het college steeds daar hebben plaatsgevonden, soms in aanwezigheid van [appellant] zelf, en de besluiten van het college met betrekking tot deze zaak, zoals het voornemen tot handhaving en de invorderingsbesluiten, steeds aan dat adres zijn toegezonden, is duidelijk op welk adres de last ziet. Dat het college het primaire besluit tot oplegging van de last, nadat het het voornemen daartoe juist had geadresseerd, per abuis heeft geadresseerd aan het adres [locatie 3] te Bergen op Zoom, leidt niet tot de door [appellant] gestelde onduidelijkheid. Gesteld noch gebleken is dat dit besluit [appellant] door een onjuiste adressering niet of niet tijdig heeft bereikt. Daarbij is van belang dat [appellant] tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit, waarbij evenmin is gebleken dat hem niet duidelijk was om welk adres het ging.  

7.3.    Gelet op het voorgaande is de conclusie dat de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat het college het advies van de commissie van 14 december 2015 niet aan zijn besluit van

29 januari 2016 ten grondslag mocht leggen.

    Het betoog faalt.

De invorderingsbesluiten

8.    [appellant] betoogt dat het college niet meer bevoegd is om tot invordering over te gaan. Hij voert daartoe aan dat - als daadwerkelijk dwangsommen zouden zijn verbeurd, hetgeen hij bestrijdt - de bevoegdheid tot invordering inmiddels, op grond van het bepaalde in artikel 5:35 van de Awb, is verjaard.

8.1.    Bij het besluit van 25 september 2015 is het college overgegaan tot invordering van twee verbeurde dwangsommen ten bedrage van ieder € 2.500,00 per week. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat op 22 september 2015 is geconstateerd dat niet aan de last was voldaan.

    Bij het besluit van 20 oktober 2015 is opnieuw overgegaan tot invordering van twee verbeurde dwangsommen van € 2.500,00 per week. Het college heeft daaraan een controle op 8 oktober 2015 op het perceel ten grondslag gelegd.

8.2.    Ter beoordeling van de vraag of de bevoegdheid tot invordering is verjaard zoals [appellant] stelt, is van belang of het college tijdig geldige stuitingshandelingen heeft verricht.

8.3.    Uit de gedingstukken blijkt dat nadat de invorderingsbesluiten zijn genomen, [appellant] op 23 februari 2016, 30 juni 2016, 9 november 2016 en 22 december 2016, namens het college brieven zijn toegezonden met betrekking tot de invordering, waarover het college zich met uitzondering van laatstgenoemde brief, op het standpunt stelt dat het aanmaningen als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb zijn. Daarmee zijn dit volgens het college tevens geldige stuitingshandelingen als bedoeld in artikel 4:106 van de Awb. Blijkens de stukken is voorts op 12 december 2016 aan [appellant] een dwangbevel uitgevaardigd.

    [appellant] bestrijdt dat stuitingshandelingen zijn verricht. Hij betoogt daartoe dat genoemde brieven niet zijn aan te merken als aanmaningen in de zin van artikel 4:112 van de Awb, nu deze niet voldoen aan de daarvoor geldende vereisten. Zo zijn de brieven niet verstuurd door het college zelf, maar door een daartoe volgens [appellant] onbevoegd deurwaarderskantoor en is daarin ten onrechte niet vermeld dat het gaat om een aanmaning. De brieven houden volgens [appellant] ook slechts een verzoek en geen sommatie tot betalen in. Ook voldoen de brieven niet aan de eis dat daaruit dient te blijken dat bij niet betaling dwanginvordering zal volgen.

8.4.      Daargelaten de kwalificatie van de brieven van 30 juni 2016, 9 november 2016 en 22 december 2016, stelt het college zich terecht op het standpunt dat de aan [appellant] gerichte brief van 23 februari 2016 is aan te merken als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb. Daartoe wordt onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2301 en 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1142), overwogen dat deze brief onmiskenbaar een herinnering is om te betalen, waarin [appellant] in gebreke wordt gesteld en hem een korte termijn wordt geboden om alsnog te betalen. Ook wordt [appellant] in deze brief verzocht om indien hij het niet eens is met de vordering dit binnen vijf dagen schriftelijk te laten weten, dan wel, indien hij meent niet ineens te kunnen betalen, daartoe verifieerbare gegevens te verstrekken. Het college vergewist zich daarmee van de redenen waarom [appellant] weigert te betalen. De brief waarschuwt verder voor rechtsmaatregelen, die zullen volgen als [appellant] niet tijdig betaalt, dan wel niet anderszins reageert.

    Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het niet om een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112, gelezen in verbinding met artikel 4:106 van de Awb gaat. Dat de brief niet het woord "aanmaning" vermeldt, alsmede dat [appellant] daarin slechts wordt verzocht om te betalen, is daarvoor niet doorslaggevend. [appellant] wordt in de brief namens het college dringend verzocht te betalen, waarbij wordt vermeld dat bij gebreke daarvan rechtsmaatregelen zullen volgen. Dat deze rechtsmaatregelen zoals hij stelt voorts niet worden gespecificeerd, maakt evenmin dat geen sprake is van een aanmaning. De bedoelde gerechtelijke maatregelen volgen uit de wet. Dat de brief, zoals [appellant] betoogt, afkomstig is van het Gerechtsdeurwaarderskantoor AGIN Timmermans te Bergen op Zoom en niet van het college zelf, staat er evenmin aan in de weg de brief van 23 februari 2016 als een aanmaning aan te merken. Het staat het college vrij om na het nemen van een invorderingsbesluit de daadwerkelijke incasso van de verschuldigde bedragen uit te besteden aan een deurwaarderskantoor. Uit de bij brief van 15 februari 2018 door het college overgelegde stukken, waaronder een brief van het college aan deurwaarderskantoor Agin Timmermans van 19 februari 2016, ondertekend door de burgemeester en de secretaris, waarin Agin Timmermans wordt verzocht de invordering met betrekking tot de vorderingen op [appellant] ter hand te nemen, alsmede wordt gemachtigd om zo nodig daartoe een rechtsgeding aanhangig te maken, volgt dat de aanmaning rechtsgeldig namens het college is gedaan.

    Nu de verjaring als bedoeld in artikel 5:35 van de Awb door de aanmaning van 23 februari 2016 is gestuit, en het college daarnaast op 12 december 2016 een dwangbevel met betrekking tot de vordering heeft laten uitvaardigen, hetgeen eveneens een geldige stuitingshandeling is als bedoeld in artikel 4:106 van de Awb, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet meer bevoegd is om tot invordering over te gaan.

De Afdeling overweegt daarbij dat het oordeel ter zake is gebaseerd op de ter zake doende stukken, zoals die tot de sluiting van het onderzoek op 5 april 2018 door partijen in het geding zijn gebracht.

    Het betoog faalt.

9.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de invorderingsbesluiten ten onrechte zijn genomen, omdat naar hij stelt geen dwangsommen zijn verbeurd. Ten tijde van de controles waren volgens hem de appartementen niet verhuurd. Volgens [appellant] moesten voorts, omdat verbeurte per week of deel van de week aan de orde is, meerdere controles worden uitgevoerd om te kunnen vaststellen of de last werd overtreden. Dit kon volgens hem niet worden vastgesteld naar aanleiding van één controle voor een periode van twee weken, zoals is gebeurd.

9.1.    Bij de controle van 22 september 2015 is blijkens het daarvan opgemaakte rapport vastgesteld dat het appartement op de begane grond ondanks de opgelegde last, nog altijd werd verhuurd en bewoond. Wat betreft het appartement op de eerste verdieping is bij die controle binnen geconstateerd dat dit wat betreft aankleding en indeling en de aanwezigheid van bad, toilet, keuken en een eigen opgang, nog altijd diende als zelfstandige woning. [appellant] heeft over dat appartement volgens het rapport tijdens de controle verklaard dat ook dat binnen enkele weken weer zou worden verhuurd. Bij de controle van 8 oktober 2015 werd opnieuw vastgesteld dat het appartement op de begane grond werd verhuurd. Het appartement op de eerste verdieping kon op dat moment niet worden gecontroleerd, omdat niemand aanwezig was.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] niet heeft voldaan aan de last die bestond uit het beëindigen van de illegale bewoning en het verwijderen van alle voorzieningen die het mogelijk maken te wonen in de appartementen, alsmede de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met de laatst verleende omgevingsvergunning van juni 2009. Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat geen dwangsommen zijn verbeurd, omdat geen overtreding aan de orde was kan derhalve niet worden gevolgd.

    Het betoog dat, omdat verbeurte per week aan de orde is, meerdere malen had moeten worden gecontroleerd, in plaats van éénmaal voor een periode van twee weken, heeft de rechtbank eveneens terecht niet gevolgd. Zij heeft daarbij terecht overwogen dat hiervoor geen noodzaak bestond, omdat het gaat om een voortdurende overtreding. Het college heeft er daarom in dit geval met de genoemde twee controles vanuit mogen gaan dat niet voldaan was aan de last, niet alleen in de direct aan de controle voorafgaande week, maar ook in de daaraan voorafgegane week.

    Het betoog faalt.

9.2.    Ook in hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd met betrekking tot de invorderingsbesluiten, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

    Voor zover hij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de invordering ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 5:33 van de Awb, heeft de rechtbank terecht overwogen dat in het besluit op bezwaar deze bepaling niet meer wordt genoemd als grondslag voor het verbeuren van de dwangsommen, maar het overtreden van de last. Daarmee is derhalve, voor zover de invorderingsbesluiten een verwijzing naar een onjuist artikel bevatten, die omissie in het besluit op bezwaar rechtgezet.

    De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat, anders dan [appellant] stelt, de invorderingsbesluiten niet prematuur en daardoor onbevoegd zijn genomen. Zij heeft terecht overwogen dat de artikelen 5:33 en 5:37 van de Awb het college er niet toe verplichtten eerst de in artikel 5:33 genoemde betalingstermijn van zes weken af te wachten, alvorens bij besluit tot invordering van de verbeurde dwangsommen kon worden overgegaan.

    Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat aan de invordering niet de controlerapporten van 22 september en 8 oktober 2015 ten grondslag konden worden gelegd omdat deze niet voldoen aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen, slaagt dat betoog evenmin. De genoemde controlerapporten bevatten een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden van het geval, gedaan door een medewerker van het bevoegd gezag, waarbij deze een inzichtelijke beschrijving heeft gegeven van de door hem gehanteerde werkwijze en van hetgeen hij heeft waargenomen. Onder verwijzing naar hetgeen hierover is overwogen onder 7.1 hiervoor, is de conclusie dan ook dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de genoemde controlerapporten aan de invorderingsbesluiten ten grondslag mochten worden gelegd.

    Het betoog faalt.

10.    Het hoger beroep is ongegrond.

11.    Voor proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. van den Broek    w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018

641. BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:104

1. De rechtsvordering tot betaling van een geldsom verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken.

Artikel 4:105

1. De verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4:106

Het bestuursorgaan kan de verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112, een beschikking tot verrekening of een dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.

Artikel 4:110

1. Door stuiting van de verjaring begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag.

2. De nieuwe termijn is gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren.

Artikel 4:112

1. Het bestuursorgaan maant de schuldenaar die in verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden.

3. De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen.

Artikel 5:1

1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

2 Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

3 Overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:32

Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Artikel 5:33

Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

Artikel 5:35

In afwijking van artikel 4:104 verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

Artikel 5:37

1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, luidt:

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. (…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).

Bestemmingsplan "Binnenstad"

    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad" rust op het perceel de bestemming "Centrum-4".

    Artikel 7.1 van de bestemmingsplanregels luidt:

De voor Centrum-4 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. t/m c. (…);

d. wonen in een woning;

e. t/m r. (…).

    Artikel 7.2 luidt, voor zover van belang:

Op de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in dat lid bedoelde bestemmingen worden gebouwd, met dien verstande dat:

a. de hoofdgebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen het aangegeven bouwvlak;

e. buiten het bouwvlak gronden mogen worden gebruikt en bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en overkappingen mogen worden opgericht tevens ten behoeve van de in het bouwvlak al dan niet specifiek aangeduide functies (…);

    Artikel 1.34 luidt:

Bijgebouw: een vrijstaand gebouw dat een functionele eenheid vormt met en dienstbaar is aan een woning of een ander hoofdgebouw, en dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw, waaronder in ieder geval begrepen een huishoudelijke bergruimte, garage of hobbyruimte.

    Artikel 1.59 luidt:

Hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

    Artikel 1.62 luidt:

Huishouden: de bewoning door een persoon of meerdere personen in de vorm van een vast samenlevingsverband, niet zijnde kamerverhuur of een bijzondere woonvorm, van een woning.

    Artikel 1.86 luidt:

Woning: een gebouw of een zelfstandig gedeelte van een gebouw, dat dient voor de huisvesting van een huishouden, niet zijnde kamerverhuur of een bijzondere woonvorm.