Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1203

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
201703050/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijmegen Midden 2015 - 3 (AH/voormalig Smitdraadterrein)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7848
JOM 2018/396
JBO 2018/118 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JBO 2018/119 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703050/1/R1.

Datum uitspraak: 11 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    Coop Vastgoed B.V., gevestigd te Velp, en anderen (hierna: Coop en anderen),

2.    [appellant sub 2], wonend te Nijmegen,

3.    [appellant sub 3], wonend te Nijmegen,

4.    [appellant sub 4], wonend te Nijmegen,

5.    Wijkraad Hazenkamp, gevestigd te Nijmegen,

en

1.    de raad van de gemeente Nijmegen en

2.    het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijmegen Midden 2015 - 3 (AH/voormalig Smitdraadterrein)" vastgesteld.

Bij besluit van 20 maart 2017 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een supermarkt en twee andere winkels.

De besluiten zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt.

Tegen deze besluiten hebben Coop en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en Wijkraad Hazenkamp beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2018, waar Coop en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.P. Hoegee, advocaat te Nijmegen, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. K. de Wit, rechtsbijstandverlener te Leusden, [appellant sub 4], Wijkraad Hazenkamp, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. L.C.G. Hoenselaar en drs. M. van Gerwen, zijn verschenen. Tevens is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. I.E. Nauta, advocaat te Deventer, en [persoon], gehoord.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Het plan voorziet in de herontwikkeling van een inmiddels braakliggend terrein aan de Groenestraat in Nijmegen, waar voorheen het bedrijf Smit Draad gevestigd was. Het terrein, plaatselijk bekend als het Smitdraadterrein, maakt onderdeel uit van de wijk Hazenkamp. Op 26 februari 2014 heeft de raad al eerder een bestemmingsplan voor dit terrein vastgesteld. Dat bestemmingsplan voorzag voor een deel van de gronden in de bestemming "detailhandel" met als doel de Albert Heijn, die op dit moment nog aan de Groenestraat 193 is gevestigd, naar het terrein te verplaatsen. Verder voorzag het bestemmingsplan in de bouw van zorgwoningen. Dat bestemmingsplan is bij uitspraak van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:847, door de Afdeling vernietigd. Het hier aan de orde zijnde plan voorziet opnieuw in de verplaatsing van de Albert Heijn naar het Smitdraadterrein en een uitbreiding daarvan met 283 m2. Volgens de plantoelichting is verplaatsing van de supermarkt wenselijk omdat deze op de huidige locatie niet kan uitbreiden en daar bovendien voor verkeer- en parkeeroverlast zorgt. Verder maakt het plan de bouw van twee andere winkels in de dagelijkse sector op het terrein mogelijk. Het voorliggende plan voorziet niet langer in de bouw van zorgwoningen. De omgevingsvergunning waartegen de beroepen tevens zijn gericht maakt de realisering van het bouwplan van [belanghebbende] voor een supermarkt en twee winkels mogelijk.

Procedurele aspecten

Ontvankelijkheid Coop en anderen

2.    [belanghebbende] voert aan dat niet alle ondernemers aan de Groenestraat, de Steenbokstraat en de leden van de winkeliersvereniging Hazenkamp, waarvoor Coop mede beroep heeft ingesteld, concurrenten zijn van de in het plan voorziene supermarkt en dat zij daarom ook niet allemaal als belanghebbenden bij de bestreden besluiten kunnen worden aangemerkt.

2.1.    Het plan maakt de komst van een supermarkt en twee dagwinkels op de planlocatie aan de Groenestraat, in de wijk Hazenkamp, mogelijk.

    Wat betreft de ondernemers die ook aan de Groenestraat zijn gevestigd overweegt de Afdeling dat zij in hetzelfde verzorgingsgebied als de in het plan voorziene supermarkt en dagwinkels werkzaam zijn. Als gevolg van het plan zal de Groenestraat worden heringericht en zal de verkeers- en parkeersituatie in het gebied waar die winkeliers zijn gevestigd wijzigen. Gelet hierop is aannemelijk dat zij, voor zover zij al niet als concurrenten van de voorziene supermarkt en dagwinkels kunnen worden aangemerkt, ook daarom gevolgen van enige betekenis kunnen ondervinden van het plan. Zij dienen derhalve allen als belanghebbenden te worden aangemerkt.

    Voor de leden van de winkeliersvereniging Hazenkamp en de ondernemers aan de Steenbokstraat geldt dat ook zij in hetzelfde verzorgingsgebied als de nieuwe supermarkt en dagwinkels en daarnaast in de directe omgeving van de directe concurrent van de supermarkt, de Coop, werkzaam zijn. Nu een mogelijk teruglopende klantenkring van de Coop als gevolg van de komst van de supermarkt mogelijk ook gevolgen kan hebben voor de klandizie van de omliggende winkeliers, zijn om die reden ook zij als belanghebbenden bij het bestreden besluit aan te merken.

    Het betoog faalt.

2.2.    Het beroep van Coop en anderen is ontvankelijk.

Ontvankelijkheid Wijkraad Hazenkamp

3.    De raad en het college en [belanghebbende] voeren aan dat het beroep van de Wijkraad Hazenkamp buiten de beroepstermijn is ingediend, zodat het beroep om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.1.    De termijn voor het instellen van beroep liep tot en met 4 mei 2017. Het beroepschrift van Wijkraad Hazenkamp is op 22 mei 2017 door de Afdeling ontvangen. Derhalve is het beroep te laat ingediend. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of deze termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

    De bestreden besluiten zijn op 22 maart 2017 bekend gemaakt. In de bekendmaking staat dat de raad op 21 oktober 2015 heeft ingestemd met een coördinatiebesluit om de procedure voor het plan en de omgevingsvergunning voor het bouwen te coördineren en dat dit betekent dat de terinzagelegging gelijktijdig zal plaatsvinden. Verder staat in de bekendmaking dat tot en met donderdag 4 mei 2017 beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling. Tegelijk met deze bekendmaking hebben de indieners van zienswijzen een brief gekregen met daarin dezelfde informatie. Zoals de raad heeft toegelicht is daarna door de Omgevingsdienst Regio Nijmegen een brief verstuurd met daarin de mededeling dat vanwege een technische storing de omgevingsvergunning op 10 april opnieuw wordt gepubliceerd en dat de nieuwe beroepstermijn zal lopen tot en met 23 mei 2017. Deze brief zag volgens de raad niet op de omgevingsvergunning voor bouwen waartegen het beroep zich richt, maar op een omgevingsvergunning voor een uitweg, die apart in procedure is gebracht. In de nieuwe publicatie staat echter dat de verleende omgevingsvergunning betrekking heeft op de activiteiten "het bouwen van een bouwwerk" en "het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het veranderen van het gebruik daarvan". Onder het kopje "procedure" wordt voorts verwezen naar de gemeentelijke coördinatieregeling die op het plan en de omgevingsvergunning voor bouwen is toegepast. De Afdeling is van oordeel dat uit de inhoud van de nieuwe publicatie, mede in aanmerking genomen de eerder aan indieners van zienswijzen verzonden brief, niet duidelijk blijkt dat alleen voor de omgevingsvergunning voor de uitweg een nieuwe beroepstermijn is gaan lopen. Gelet hierop kan Wijkraad Hazenkamp de oorzaak van de termijnoverschrijding niet worden toegerekend en acht de Afdeling de termijnoverschrijding voor het indienen van beroep verschoonbaar. Het betoog faalt.

3.2.    Het beroep van Wijkraad Hazenkamp is ontvankelijk.

Distributie planologie

4.    Coop en anderen voeren aan dat in de DPO-onderzoeken die aan het plan ten grondslag zijn gelegd is geconcludeerd dat het vanuit distributie-planologisch oogpunt onwenselijk is dat er zich opnieuw een reguliere supermarkt in het oude pand aan de Groenestraat 193 zal vestigen, na de verplaatsing van de Albert Heijn. In de plantoelichting staat dat er daarom in het bestemmingsplan dat ziet op de gronden waar de Albert Heijn op dit moment nog is gevestigd zal worden bepaald dat zich hier geen supermarkt mag vestigen door de aanduiding "supermarkt uitgesloten" voor die gronden op te nemen. Volgens Coop en anderen staat dit er echter niet aan in de weg dat de Albert Heijn toch in het oude pand blijft en daarnaast de nieuwe vestiging, die dit plan mogelijk maakt, opent, of dat zich na het vertrek van de Albert Heijn snel een nieuwe supermarkt vestigt in het oude pand aan de Groenestraat 193, zodat het overgangsrecht van toepassing is. De raad had volgens Coop en anderen daarom in dit plan de voorwaardelijke verplichting moeten opnemen dat de supermarkt op het Smitdraadterrein pas in gebruik mag worden genomen als het gebruik van het pand aan de Groenestraat 193 als supermarkt duurzaam is beëindigd. Alleen op die manier kan volgens hen worden voorkomen dat het oude pand als supermarkt in gebruik blijft, terwijl er tevens een nieuwe supermarkt wordt geopend.

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat met de uitsluiting van een supermarkt in het bestemmingsplan dat ziet op de gronden waar de bestaande Albert Heijn aan de Groenestraat is gevestigd voldoende is gewaarborgd dat er na de verplaatsing geen nieuwe supermarkt komt en een voorwaardelijke verplichting in dit plan dus overbodig is. Een nieuwe supermarkt op de oude locatie is volgens de raad ook erg onwaarschijnlijk, omdat de Albert Heijn een privaatrechtelijke overeenkomst met de nieuwe eigenaar van de locatie heeft gesloten waarin staat dat er geen nieuwe supermarkt in het pand mag worden gevestigd en gezien de beperkte oppervlakte van het perceel, die mede reden was voor de bestaande supermarkt om het pand te verlaten.

4.2.    In het rapport "Actualisering DPO Groenestraat" van BRO van september 2009 staat dat het achterblijvende winkelpand aan de Groenestraat ingevuld dient te worden met een andere functie dan detailhandel in de dagelijkse artikelensector, omdat anders de berekende ruimte voor die sector sterk wordt overschreden. Bij een sterke overschrijding van de ruimte zijn er effecten te verwachten op het aanbod in de dagelijkse artikelensector, zowel op het aan de Groenestraat zelf aanwezige aanbod als op het aanbod in omringende centra als de Willemsweg of de Steenbokstraat.

4.3.    Door de raad wordt niet bestreden dat het niet wenselijk is dat zich opnieuw een supermarkt vestigt in het pand aan de Groenestraat 193. In het bestemmingsplan "Nijmegen Midden 2015-4" dat op 23 november 2017 door de raad is vastgesteld is voor de gronden van het perceel Groenestraat 193 daarom ook de aanduiding "supermarkt uitgesloten" opgenomen. Coop en anderen voeren op zich terecht aan dat hiermee niet volledig is uitgesloten dat zich opnieuw een supermarkt op die locatie kan vestigen. Op grond van de planregels met betrekking tot het overgangsrecht is het gebruik als supermarkt immers pas verboden indien het gebruik na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken. Indien zich derhalve binnen een jaar na het vertrek van de Albert Heijn een nieuwe supermarkt in het pand zal vestigen is dit op grond van het overgangsrecht toegestaan.

    Zoals de raad heeft toegelicht is het pand van de Albert Heijn aan de Groenestraat echter verkocht en is er door middel van een kettingbeding in een privaatrechtelijke overeenkomst vastgelegd dat de koper geen nieuwe supermarkt in het pand mag vestigen. Voorts is het pand, gelet op de tendens tot schaalvergroting onder supermarkten en de beperkte oppervlakte, die er mede de reden van is dat de Albert Heijn het pand verlaat, niet goed geschikt voor een nieuwe supermarkt. Er zijn geen uitbreidingsmogelijkheden aan de Groenestraat en er zijn op dit moment al verkeers- en parkeerproblemen. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich onder deze omstandigheden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het zeer onwaarschijnlijk is dat zich een nieuwe supermarkt in het pand zal vestigen en er geen noodzaak bestaat in het plan een voorwaardelijke verplichting op te nemen inhoudende dat de supermarkt op het Smitdraadterrein pas in gebruik mag worden genomen als het gebruik van het pand aan de Groenestraat 193 als supermarkt duurzaam is beëindigd. En dergelijke voorwaardelijk verplichting acht de Afdeling onder deze omstandigheden tevens onredelijk bezwarend, nu dit zou betekenen dat de Albert Heijn gedurende een periode van minimaal een jaar op geen van beide locaties een supermarkt zou kunnen exploiteren.

    Het betoog faalt.

5.    Coop en anderen voeren aan dat er door BRO ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen die de verplaatsing van de Albert Heijn heeft voor de overige winkeliers aan de Groenestraat die hun belangrijkste publiekstrekker kwijtraken. Coop en anderen hebben een notitie van Droogh Trommelen en Partners (hierna: DTNP) hierover overgelegd waarin wordt ingegaan op de zogeheten combinatiebezoeken, dat wil zeggen dat bezoekers van een supermarkt ook de naastgelegen winkels bezoeken. Deze combinatiebezoeken nemen af naar mate de onderlinge afstand tussen de supermarkt en de andere winkels groter wordt en de zichtrelatie minder. Volgens DTNP kan worden aangenomen dat indien de Albert Heijn aan de Groenestraat verdwijnt het winkelend publiek ook niet langer de andere winkels in de omgeving zal bezoeken. Dit zal leiden tot relevante leegstand en gevolgen voor het woon- en leefklimaat en het ondernemersklimaat ter plaatse. Uit het onderzoek van DTNP blijkt volgens Coop en anderen dat het beeld dat in de plantoelichting wordt geschetst, namelijk dat de omliggende winkels toekomstperspectief behouden, onjuist is. Uit de besluitvorming blijkt volgens hen niet dat deze notitie bij de beoordeling van het plan is betrokken. Volgens Coop en anderen had de raad in deze notitie aanleiding moeten zien het plan niet vast te stellen en de Albert Heijn niet buiten de bestaande winkelconcentratie op een solitaire locatie te plaatsen.

5.1.    BRO heeft in 2009 een distributie-planologisch onderzoek gedaan, dat in 2015 is geactualiseerd. In dit onderzoek is volgens de raad de gehele winkelstructuur in de dagelijkse sector in de omgeving van de planlocatie (inclusief de Steenbokstraat en de Willemsweg) onderzocht. Daarnaast is in dit onderzoek aandacht besteed aan het draagvlak voor de ontwikkeling en wordt de behoefte aan de supermarkt ruimtelijk onderbouwd aan de hand van de duurzaamheidsladder. De notitie van DTNP heeft volgens de raad slechts betrekking op het winkelgebied in het oostelijk deel van de Groenestraat. Alleen deze winkeliers kunnen mogelijk te maken krijgen met een verminderd combipubliek. In beide rapporten is onderkend dat er effecten kunnen zijn op het bestaande aanbod. De mogelijke winkel-leegstand en de gevolgen voor het ondernemersklimaat voor de Groenestraat zijn volgens de raad onderkend en meegewogen. Deze gevolgen zijn volgens de raad niet uitsluitend toe te schrijven aan de verplaatsing van de supermarkt, maar ook aan de gewijzigde winkelmarkt. Deze mogelijke gevolgen hebben echter niet geleid tot de beslissing om de Albert Heijn niet te verplaatsen. Er is voor een verplaatsing gekozen omdat de supermarkt op de huidige locatie niet kan uitbreiden, hetgeen noodzakelijk is voor het voortbestaan, en er op deze plek problemen zijn voor het doorgaand verkeer en het parkeren. Anders dan de Coop en anderen stellen verhuist de Albert Heijn volgens de raad niet naar een solitaire locatie. Ook nabij de nieuwe locatie liggen immers winkels. De komst van de Albert Heijn zal daarop een positief effect hebben volgens de raad. Voorts hebben de gronden rondom de oude locatie een ruime bestemming gekregen en zijn woningen op de begane grond niet toegestaan, zodat er volgens de raad voor de achterblijvende winkels genoeg kansen zijn en er geen uit planologisch oogpunt onaanvaardbare leegstand zal ontstaan.

    De Afdeling is van oordeel dat de raad de mogelijke gevolgen voor het ondernemersklimaat aan de Groenestraat ten gevolge van de verplaatsing van de bestaande supermarkt voldoende heeft onderkend en dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de verplaatsing niet tot uit een ruimtelijke oogpunt onaanvaardbare leegstand zal leiden. Gelet op bovenstaande motivering heeft de raad in redelijkheid het belang dat is gediend met de verplaatsing van de bestaande supermarkt van de oude naar de nieuwe locatie mogen laten prevaleren boven het door Coop en anderen omschreven belang bij het behoud van een supermarkt op de oude locatie.

    Het betoog faalt.

Parkeren

6.    Coop en anderen, [appellant sub 4] en Wijkraad Hazenkamp voeren aan dat er niet voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein kan worden gerealiseerd. Uit de berekeningen volgt volgens hen dat er 86 parkeerplaatsen nodig zijn, terwijl er op eigen terrein maar 83 kunnen worden gerealiseerd. Verder voeren Coop en anderen aan dat bij de vaststelling van het aantal benodigde parkeerplaatsen ten onrechte alleen is uitgegaan van het concrete bouwplan en niet van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het plan. De raad is er verder ten onrechte vanuit gegaan dat er 19 parkeerplaatsen, die in de Groenestraat verdwijnen, moeten worden gecompenseerd. Dit zijn er volgens hen 4 meer, omdat er ook aan de noordelijke kant parkeerplaatsen vervallen door twee oversteekplaatsen die in het verkeerskundig ontwerp zijn voorzien.

6.1.    Uit de plantoelichting volgt dat er is uitgegaan van een parkeernorm van 3,25 parkeerplaatsen per 100 m2 detailhandel. Deze norm wordt door appellanten niet bestreden. Er zijn 66 parkeerplaatsen nodig voor de voorziene supermarkt en de dagwinkels. Daarnaast worden er 19 parkeerplaatsen gecompenseerd voor het verlies van parkeerplaatsen aan de Groenestraat, zodat in totaal 85 parkeerplaatsen nodig zijn voor de uitvoering het plan.

    Bij de vaststelling van het benodigde aantal parkeerplaatsen is uitgegaan van het concrete bouwplan zoals dit ook is vergund. Naar het oordeel van de Afdeling betreft dit een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het plan. Dat, zoals Coop en anderen stellen op grond van artikel 6, lid 6.4 van de planregels ook onder peil mag worden gebouwd, biedt geen grond voor een ander oordeel. Dit is overigens tevens toegestaan ten behoeve van ondergrondse parkeervoorzieningen.

    Voorts heeft de raad ter zitting aan de hand van een tekening toegelicht welke parkeerplaatsen aan de Groenestraat zullen verdwijnen en dus moeten worden gecompenseerd. Volgens de tekening verdwijnen er 18 parkeerplaatsen. De geplande oversteekplaatsen zijn hierbij, anders dan appellanten menen, reeds betrokken. In de praktijk wordt een voormalige inrit ook als parkeerplaats gebruikt. Om die reden worden er in totaal 19 parkeerplaatsen gecompenseerd. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze toelichting en tekening van de raad te twijfelen. De raad is er gelet daarop terecht vanuit gegaan dat er 85 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd.

    De Afdeling heeft voorts ter zitting vastgesteld dat uit de tekening met de definitieve inrichting van het plangebied blijkt dat er ruimte is voor 86 parkeerplaatsen op eigen terrein. Het plan voorziet daarmee in voldoende parkeergelegenheid.

    Het betoog faalt.

Verkeer

7.    Coop en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en de Wijkraad voeren aan dat de afwikkeling van het toenemende verkeer als gevolg van het plan onvoldoende is geregeld en dat dit tot gevaarlijke situaties zal leiden. Er heeft ten onrechte geen onafhankelijk verkeersonderzoek plaatsgevonden. Uit het advies van Goudappel-Coffeng volgt voorts dat er in de Groenestraat een middenstrook nodig is om de verkeersveiligheid te verbeteren. Deze maakt ten onrechte geen onderdeel uit van het plan. Daarnaast is volgens hen in het plan niet gewaarborgd dat deze er zal komen voordat de supermarkt in gebruik mag worden genomen en dient op dit punt een voorwaardelijke verplichting in het plan te worden opgenomen. Voorts is volgens appellanten ten onrechte niet onderzocht welke gevolgen het plan zal hebben voor de verkeers- en parkeersituatie van het Bedrijvencentrum aan de Groenestraat 294. Door de komst van de supermarkt zullen er meer opstoppingen ontstaan op het nabij gelegen kruispunt, waar het in de huidige situatie al erg druk is. Het vrachtverkeer en het winkelend publiek op de locatie zelf worden in het plan niet van elkaar gescheiden, hetgeen zal leiden tot gevaarlijke situaties. Ook het uitrijden van vrachtwagens zal leiden tot gevaarlijke situaties voor het winkelende publiek en fietsers die langs de uitrit komen.

7.1.    Ten aanzien van het betoog dat er geen onafhankelijk onderzoek is gedaan overweegt de Afdeling als volgt. Goudappel-Coffeng heeft onderzoek gedaan naar de verkeerskundige effecten van het plan. De conclusies daarover zijn neergelegd in een rapport van 5 september 2012. In aanvulling daarop is de onderbouwing van de voor dit plan gekozen ontsluiting neergelegd in de notitie "Toelichting bij aangepaste ontsluiting" van 7 mei 2015 van Goudappel-Coffeng. Het rapport uit 2012 is in 2017 geactualiseerd. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat deze rapporten en de notitie niet onafhankelijk tot stand zijn gekomen.

    Ten aanzien van het betoog dat er in het plan een voorwaardelijke verplichting had moeten worden opgenomen om te waarborgen dat er een middenstrook wordt aangelegd overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft toegezegd dat deze middenstrook er zal komen. Nu de gemeente eigenaar is van de gronden waarop dit moet worden gerealiseerd bestaat er geen noodzaak hierover een voorwaardelijk verplichting in het plan op te nemen.

    De stelling van Coop en anderen dat het Bedrijvencentrum Groenestraat 294 na de aanpassing niet meer te bereiken zou zijn vanaf de zuidelijke rijstrook is volgens de raad onjuist. Dit was abusievelijk opgenomen in de zienswijzennota, maar het plan is niet van invloed op de parkeer- en verkeerssituatie aldaar. De Afdeling volgt de raad hierin. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de situatie van het bedrijvencentrum.

    In het geactualiseerde verkeersonderzoek wordt voorts ingegaan op de verwachte verkeerstoename als gevolg van het plan. Voor de bevoorrading van de winkel wordt uitgegaan van maximaal 6 vrachtwagens per dag. Deze bevoorrading zal plaatsvinden op tijdstippen waarop er weinig bezoekers zijn en het dus rustig is op de weg. Gelet hierop wordt er als gevolg van de bevoorrading geen extra hinder of drukte verwacht bij de kruisingen. Het aantal autoklanten van de winkels leidt verder tot 162 extra autobewegingen in het drukste uur. Ten opzichte van de totale verkeersintensiteit is dit maar een zeer beperkte toename. Het effect van de winkels op de verkeersintensiteit komt gemiddeld uit op 5% in de avondspits. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan gelet op het reeds bestaand verkeersaanbod niet zal leiden tot een forse verkeerstoename.

    Voorts heeft Goudappel-Coffeng ter zitting aan de hand van tekeningen toegelicht dat de westelijke ontsluiting zal worden gebruikt door het vrachtverkeer van het bedrijf Alfa Lavel, gemotoriseerd vervoer van het winkelend publiek en bewoners, voetgangers en fietsers. De oostelijke ontsluiting zal worden gebruikt door vrachtverkeer van de Albert Heijn, gemotoriseerd vervoer van bewoners, voetgangers en fietsers. Uit de situatietekening uit de notitie van Goudappel-Coffeng volgt dat het vrachtverkeer van de Albert Heijn niet over de parkeerplaats, maar over een daarvan gescheiden weg zal rijden. De raad heeft toegelicht dat tussen de weg en de parkeerplaats een hekwerk zal worden geplaatst. Het winkelend publiek wordt op die manier gescheiden van het vrachtverkeer. Voorts is het fietspad op enige afstand van de Groenestraat gepositioneerd om een overzichtelijke verkeerssituatie te creëren. Ook wordt de Groenestraat voorzien van een middensstrook voor fietsers en voetgangers om te zorgen voor een veilige oversteek.

    Gelet hierop, en gezien de situatietekening waarop voldoende ruimte is weergegeven om de noodzakelijk manoeuvres en keerbewegingen te maken, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersveiligheid in het plan voldoende is gewaarborgd.

    Het betoog faalt.

8.    [belanghebbende] heeft aangevoerd dat het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan vernietiging van de bestreden besluiten in de weg staat voor zover de hiervoor besproken beroepsgronden over de situatie in de Groenestraat zijn aangevoerd door ondernemers, die niet in die straat gevestigd zijn. Nu deze beroepsgronden falen, ziet de Afdeling geen aanleiding dit betoog te bespreken.

Bomen

9.    [appellant sub 4] en Wijkraad Hazenkamp voeren aan dat als gevolg van het plan vier gezichtsbepalende bomen aan de Groenestraat moeten verdwijnen. Dit zorgt voor een verslechtering van het woon- en leefklimaat van omwonenden, waarmee volgens hen bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen rekening is gehouden.

9.1.    De raad heeft toegelicht dat bij nadere bestudering van de feitelijke herinrichting van de Groenestraat is gebleken dat het bevoorradingsverkeer moeite heeft om de bocht te maken vanwege bomen aan de Groenestraat. Daarom moeten deze op die plek weg, maar deze bomen worden elders gecompenseerd.

    Gelet op deze toelichting van de raad is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij de in het plan voorziene ontwikkelingen dan aan het belang bij het behoud van de bomen. Het betoog faalt.

Zorgwoningen

10.    [appellant sub 4] en Wijkraad Hazenkamp betogen dat de ontwikkeling van de winkels op het Smitdraadterrein ten onrechte is losgekoppeld van de eveneens beoogde zorgwoningen in het plangebied. Een integrale besluitvorming op dit punt was volgens hen eerder toegezegd.

10.1.    [appellant sub 4] en de Wijkraad hebben niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad een toezegging is gedaan dat een integraal bestemmingsplan voor het gebied zou worden vastgesteld. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Overige beroepsgronden

Coop en anderen

11.    Coop en anderen voeren aan dat de omgevingsvergunning ziet op de activiteit bouwen en op het aanleggen of veranderen van een uitrit. Echter in de bekendmaking van de vergunning is ten onrechte niet aangegeven dat de omgevingsvergunning ook ziet op de aanleg van een uitrit.

11.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de coördinatieregeling die is toegepast alleen ziet op het plan en de omgevingsvergunning voor bouwen en niet op de omgevingsvergunning voor een uitrit. Voor de uitrit is een aparte procedure doorlopen. Daarom is deze ook niet in de publicatie vermeld.

11.2.    Hoewel de publicaties niet eenduidig op dit punt waren blijkt uit de besluiten zelf dat de coördinatieregeling is toegepast voor het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor bouwen. Het betoog van Coop en anderen mist dan ook feitelijke grondslag.

12.    Coop en anderen voeren aan dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de archeologische waarden van de gronden waarop gaat worden gebouwd. In verband met de archeologische waarden van de gronden geldt een bouwverbod. Op grond van artikel 2.7 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) had de aanlegvergunning die in verband daarmee noodzakelijk is gelijktijdig met de omgevingsvergunning voor bouwen moeten worden aangevraagd. Dit is ten onrechte niet gebeurd.

12.1.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

12.2.    Coop en anderen richten zich tegen de in het plan voorziene supermarkt omdat zij gevrijwaard wensen te blijven van meer concurrentie en parkeer- en verkeeroverlast. Niet is gebleken dat zij worden getroffen door een ander belang. Het bouwverbod waarop zij een beroep doen en de vergunning die in dat verband had moeten worden aangevraagd strekt tot bescherming van de archeologische waarden van de gronden en kennelijk niet tot bescherming van het belang waarvoor Coop en anderen opkomen. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond achterwege te laten.

13.    Het beroep van Coop en anderen is ongegrond.

14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

[appellant sub 3]

15.    [appellant sub 3] voert aan dat de openbare stukken niet allemaal zijn getekend en dat de door de raad toegezegde wijziging ten aanzien van het vrachtverkeer en het aangepaste verkeersplan niet bij de terinzage gelegde stukken zat.

15.1.    Zoals de raad heeft toegelicht, zijn het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning ondertekend. Alle overige stukken hoefden niet te worden ondertekend. Het geactualiseerde verkeersonderzoek van Goudappel Coffeng van 13 januari 2017 met de toegezegde wijzigingen is als bijlage toegevoegd aan het collegevoorstel van 10 januari 2017 dat ook bij de stukken ter visie is gelegd. Het betoog van [appellant sub 3] slaagt dan ook niet.

16.    [appellant sub 3] voert aan dat door de komst van de supermarkt de geluidsbelasting ernstig zal toenemen. Volgens [appellant sub 3] zijn er verschillende aanpassingen van het plan mogelijk om dit te voorkomen.

16.1.    De raad verwijst naar het akoestisch onderzoek van 14 oktober 2013 dat ten behoeve van het plan is uitgevoerd. Gezien de beperkte frequentie van maximaal 6 vrachtwagenbewegingen per dag en de hoogte van het geluidsniveau ten opzichte van het omgevingsgeluid door het verkeer is de verwachting dat dit bij de bestaande woningen naast de inrit aan de Groenestraat niet zal leiden tot geluidhinder. In de avondperiode wordt voldaan aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit. De woning van [appellant sub 3] maakt als B-lijst pand deel uit van een gesubsidieerd geluidsisolatieproject. Hierbij wordt gekeken naar de geluidsbelasting van de woning door verkeerslawaai en naar de huidige geluidwering van de gevel. Als de geluidsbelasting in de woning door verkeerslawaai te hoog is dan worden volgens de raad geluidwerende voorzieningen aangebracht op kosten van de overheid. Vanwege de beperkte toename van het verkeer als gevolg van het plan in verhouding tot het bestaande verkeersaanbod zijn er volgens de raad geen extra voorzieningen nodig om geluidsoverlast in de bestaande woning te voorkomen.

16.2.    Gelet op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek bestaat er geen grond voor het oordeel dat de raad het plan niet heeft mogen vaststellen vanwege geluidhinder.

    Het betoog faalt.

17.    Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

18.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

[appellant sub 2]

19.    [appellant sub 2] woont aan de [locatie] in Nijmegen. Dit perceel grenst aan het plangebied. [appellant sub 2] voert aan dat de raad zijn woning ten onrechte heeft gekwalificeerd als bijgebouw, waardoor er volgens de raad geen rekening hoeft te worden gehouden met aantasting van zijn woongenot als gevolg van het plan. [appellant sub 2] wijst er in dit verband op dat de woning een huisnummer heeft, dat er inschrijvingen in de GBA zijn, hij hypotheekrenteaftrek geniet, vuilcontainers kan krijgen en een duurzaamheidsvoorziening heeft gekregen. [appellant sub 2] vreest verder dat zijn grond als sluiproute voor voetgangers zal gaan fungeren.

19.1.    In de uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1628, heeft de Afdeling reeds geoordeeld dat de raad het pand van [appellant sub 2] niet als woning heeft hoeven bestemmen. In zoverre heeft de raad dan ook geen rekening hoeven houden met de belangen van [appellant sub 2] bij de vaststelling van het plan. Voor zover hij vreest dat zijn grond als sluiproute zal gaan fungeren heeft de raad ter zitting toegelicht dat zijn gronden door een hekwerk en groen zijn afgescheiden van het plangebied, zodat een sluiproute via zijn gronden niet mogelijk is.

    Het betoog faalt.

20.    Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

21.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

[appellant sub 4]

22.    [appellant sub 4] voert verder aan dat zij ten onrechte niet de mogelijkheid heeft gehad om in te spreken op de zienswijzenota.

22.1.    Zoals de raad heeft toegelicht zijn de indieners van de zienswijzen steeds uitgenodigd om bij de behandeling van het ontwerpplan aanwezig te zijn. [appellant sub 4] is hierbij ook aanwezig geweest en heeft ingesproken. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad het besluit op dit punt niet zorgvuldig heeft voorbereid.

    Het betoog faalt.

23.    [appellant sub 4] betoogt dat de oplossing voor de gevaarlijke bouwresten en vervuiling op het Smitdraadterrein niet is gewaarborgd.

23.1.    Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven.

24.    [appellant sub 4] voert aan dat zij geen vertrouwen heeft in de bodemsanering. Volgens haar is het plangebied sterk verontreinigd en heeft dit gevolgen voor de volksgezondheid.

24.1.    De aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet kon vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

    De raad heeft toegelicht dat de bouwwerkzaamheden eerst zullen plaatsvinden nadat de gronden zijn gesaneerd. In dit verband is een saneringsplan vastgesteld. Dit omvat de aanleg van een leidingtracé, het verleggen van de leidingen en de saneringswerkzaamheden zelf. Naar verwachting zullen er na de sanering geen significante risico’s meer aanwezig zijn die samenhangen met de verontreinigde grond.

    Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezige bodemverontreiniging op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

    Het betoog faalt.

25.    Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.

26.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Wijkraad Hazenkamp

27.    Wijkraad Hazenkamp voert aan dat het rapport van 17 september 2013 waarin de luchtverontreiniging is onderzocht gedateerd is, omdat sinds 2013 de intensiteit van het verkeer op de Groenestraat volgens hem aanzienlijk is gestegen. De luchtverontreiniging moet volgens hem dan ook opnieuw worden onderzocht.

27.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de resultaten van voormeld onderzoek nog steeds valide zijn. Uit dit onderzoek volgt dat er in geen geval sprake is van een normoverschrijding voor stikstofdioxide en fijnstof. De berekende toename is niet groter dan 1,2 ug/m3 en draagt derhalve niet bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In dit onderzoek is nog rekening gehouden met de bouw van 86 zorgwoningen. Nu dit plan deze zorgwoningen niet mogelijk maakt zijn de effecten van de planontwikkeling nog iets gunstiger. Bovendien komen de verkeersintensiteiten uit het onderzoek naar luchtkwaliteit volgens de raad overeen met de intensiteiten uit het geactualiseerde verkeersonderzoek uit 2017. De Afdeling ziet geen reden om de raad niet in dit standpunt te volgen.

    Het betoog faalt.

28.    Wijkraad Hazenkamp voert aan dat het gemeentebestuur de belangen van de eigenaar van de gronden en van de Albert Heijn ten onrechte heeft laten prevaleren boven de belangen van de omwonenden. Dit blijkt volgens hem uit de omstandigheid dat de gemeente contractueel heeft beloofd dat er op de huidige locatie geen nieuwe supermarkt mag komen. Bovendien schaadt het gemeentebestuur de belangen van de winkels die in de buurt van de huidige locatie van de Albert Heijn liggen. Het gemeentebestuur zou volgen Wijkraad Hazenkamp juist de belangen van [appellant sub 2]ere winkelier en andere zelfstandigen moeten beschermen.

28.1.    Er bestaat naar het oordeel van de Afdeling, ook gelet op hetgeen reeds eerder in de uitspraak is overwogen, geen grond voor het oordeel dat de raad bij de voorbereiding en vaststelling van het plan niet zorgvuldig alle belangen tegen elkaar heeft afgewogen.

    Het betoog faalt.

28.2.    Het beroep van Wijkraad Hazenkamp is ongegrond.

28.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, griffier.

w.g. Helder    w.g. Brock

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018

603.