Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1200

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
201703978/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:2976, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 mei 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot huurtoeslag over 2015 opnieuw berekend en vastgesteld op € 1.432,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/171 met annotatie van R. Ortlep
JOM 2018/380
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703978/1/A2.

Datum uitspraak: 11 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2017 in zaak nr. 16/7773 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot huurtoeslag over 2015 opnieuw berekend en vastgesteld op € 1.432,00.

Bij besluit van 27 mei 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] toegekende huurtoeslag over 2014 definitief berekend en vastgesteld op € 271,00.

Bij besluit van 8 november 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 november 2016 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft hierop gereageerd en nadere stukken ingediend.

Bij brief van 10 februari 2018 heeft [appellant] de Afdeling medegedeeld dat hij een getuige naar de zitting wil meebrengen.

Bij brief van 22 februari 2018 heeft de Afdeling aan [appellant] te kennen gegeven dat zij vooralsnog geen aanleiding ziet om de door hem genoemde perso(o)n(en) als getuige(n) te horen en daartoe op te roepen.

Bij brief van 23 februari 2018 heeft [appellant] hierop gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2018, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] huurt sinds 1 januari 2012 van Ternessa B.V een zelfstandig deel van een woning, gelegen aan de [locatie 1], later gewijzigd in [locatie 2], te Leerdam. De activiteiten van Ternessa bestaan uit het verhuren van wooneenheden in een aantal panden aan de Nieuwstraat en de Bergstraat.

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan [appellant] voorschotten huurtoeslag over 2014 en 2015 toegekend.

Standpunt Belastingdienst/Toeslagen

2.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat [appellant] geen woonovereenkomst voor het adres [locatie 3] (lees: [locatie 2]) heeft overgelegd, dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tot 28 juli 2015 een zelfstandige woonruimte bewoonde en dat niet is gebleken dat hij in 2014 en 2015 kosten voor huur heeft gemaakt.

    In het verweerschrift in beroep heeft de Belastingdienst/Toeslagen dit standpunt gewijzigd. Volgens de dienst heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat de door hem bewoonde woning aan de [locatie 1] en de [locatie 2] één en dezelfde woning betreft, zodat hij geen nieuwe huurovereenkomst hoefde in te dienen en dat het ging om een zelfstandige woning. [appellant] heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat hij in 2014 en 2015 de verschuldigde huurprijs heeft betaald, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft, gelet op het gewijzigde standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen, het besluit op bezwaar vernietigd. De rechtbank heeft evenwel de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant] niet in 2014 en 2015 alle huurpenningen heeft voldaan. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:412, heeft de rechtbank overwogen dat er zich in het geval van [appellant] geen omstandigheden voordoen op grond waarvan aanleiding bestaat om uitzondering te maken op het uitgangspunt dat hij, als degene die aanspraak op huurtoeslag maakt, in beginsel de verschuldigde huurprijs daadwerkelijk ten tijde van of kort na het verstrijken van de periode waarop de betalingsverplichting betrekking heeft, moet voldoen.

Hoger beroep

4.    Het hoger beroep van [appellant] is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen.

Horen getuigen

5.    [appellant] betoogt, mede onder verwijzing naar een arrest van  het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 15 maart 2016, Gillissen tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609, dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om een drietal getuigen op te roepen en te horen, onder wie [persoon A] en [persoon B], heeft afgewezen.

    Volgens [appellant] was het cruciaal om [persoon B] te horen.

[persoon B] was werkzaam als belastinginspecteur en in die hoedanigheid betrokken bij een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de door Ternessa over 2014 gedane aangifte vennootschapsbelasting. Hij kan inzichtelijk maken welke huurverplichtingen [appellant] jegens Ternessa had en op welke wijze de verwerking van de huurbetalingen in de administratie heeft plaatsgevonden, aldus [appellant].

5.1.    Anders dan [appellant] kennelijk veronderstelt, kan uit het door hem genoemde arrest van het EHRM niet worden afgeleid dat het beginsel van "fair trail" het recht voor een partij met zich brengt om in alle gevallen door de rechter getuigen te laten oproepen. Voor het inroepen van dit recht is het in ieder geval noodzakelijk dat het horen van een getuige dient ter ondersteuning van de zaak ("support of their case"). De rechter heeft bij de toepassing van artikel 8:60, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, beoordelingsruimte (vergelijk ook punt 50, onder c van het door [appellant] genoemde arrest). De rechter mag afzien van het oproepen van getuigen ingeval de verklaring van de op te roepen getuige niet noodzakelijk is voor de vaststelling van de relevante en in geschil zijnde feiten.

5.2.    [appellant] heeft de rechtbank verzocht om [persoon B] als getuige te horen, omdat, zoals hij in een brief van 31 januari 2017 nader heeft toegelicht, hij daarmee de "gevolgen van ambtelijke incompetentie" kan aantonen. Ter verduidelijking hiervan heeft hij e-mails, brieven en een klacht, die betrekking hebben op het door [persoon B] verrichte onderzoek, alsmede enkele, deels onleesbare, pagina’s van een rapport van oktober 2016, waarin [persoon B] de resultaten van zijn onderzoek heeft neergelegd, bij de rechtbank overgelegd.

    In geschil is de aan [appellant] toegekende huurtoeslag over 2014 en 2015. [appellant] heeft in beroep bij de rechtbank niet nader toegelicht waarom een verklaring van [persoon B] over het onderzoek naar Ternessa van belang is voor de beoordeling van zijn recht op huurtoeslag. Ook uit de door hem in beroep overgelegde gegevens blijkt dit niet. Gelet hierop mocht de rechtbank tot de conclusie komen dat de verklaring van [persoon B] niet noodzakelijk was voor de vaststelling van de relevante en in geschil zijnde feiten.

    Dat, zoals [appellant] heeft aangevoerd, hij in zijn bewijslast is gefrustreerd of dat de rechtbank ten onrechte zijn bewijsaanbod heeft afgewezen, is niet gebleken. Het was in de eerste plaats aan [appellant] om zijn verzoek om [persoon B] als getuige op te roepen, te onderbouwen en om aan de rechtbank kenbaar te maken, dat de door hem overgelegde pagina’s afkomstig waren uit het rapport van [persoon B].

5.3.    In beroep bij de rechtbank heeft [appellant] naar voren gebracht dat [persoon A] een nadere toelichting kan geven op het tussen de gemachtigde van [appellant] en de gemeente Leerdam ontstane conflict over het toekennen van adressen aan objecten, die worden verhuurd door Ternessa.

    Nu de Belastingdienst/Toeslagen in beroep de grondslag, dat [appellant] geen nieuwe huurovereenkomst voor [locatie 2] heeft overgelegd, heeft verlaten, mocht de rechtbank tot de slotsom komen dat de verklaring van [persoon A] niet noodzakelijk was voor de vaststelling van de relevante en in geschil zijnde feiten.

5.4.    Gelet op het voorgaande mocht de rechtbank het verzoek van [appellant] om de door hem genoemde getuigen op te roepen, afwijzen.

    Het betoog faalt.

6.    In hoger beroep heeft [appellant] de Afdeling verzocht om, voor zover nodig, [persoon B] alsnog op te roepen en te horen. Daarnaast heeft [appellant] in zijn brief van 10 februari 2018 aangekondigd dat hij [persoon A] als getuige meebrengt naar de zitting.

    [appellant] heeft in hoger beroep alsnog het volledige rapport van [persoon B] van oktober 2016 overgelegd en alsnog toegelicht waarom daaruit huurbetalingen en een betalingsovereenkomst zouden kunnen blijken. Daarnaast heeft hij toegelicht dat [persoon A] met Ternessa een hypotheekovereenkomst heeft gesloten en dat zij garant staat voor [appellant]. Ter nadere onderbouwing heeft hij in hoger beroep een overzicht van betalingen van en naar de betaalrekening van Ternessa overgelegd.

6.1.    Op pagina 10 van het rapport van oktober 2016 is vermeld dat Ternessa van [appellant] nog een bedrag van in totaal € 16.777,00 aan huurpenningen moet ontvangen en dat dit bedrag in de "post debiteuren" had moeten worden opgenomen. Op pagina 11 is vermeld dat is gebleken dat in 2014 een bedrag van € 1.574,00 aan huurtoeslag van [appellant] is gestort door de Belastingdienst/Toeslagen op de bankrekening van Ternessa. Nu echter volgens het huurcontract de verschuldigde huur jaarlijks € 9.300,00 bedroeg en op de balans per 31 december 2014 geen achterstanden in huurbetalingen zijn vermeld, moet worden aangenomen dat het ontbrekende deel contant is ontvangen. Daarom dient een correctie op de verantwoorde omzet plaats te vinden ter hoogte van € 7.726,00 in 2014, in totaal voor een bedrag van € 16.777,00 over 2013 en 2014, aldus het rapport van oktober 2016.  

    Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit het voorgaande dat [persoon B] een aanname heeft gedaan met betrekking tot de omzet van Ternessa in 2014, in het kader van de vaststelling van de grondslag voor de heffing van de vennootschapsbelasting. Dat [appellant] daadwerkelijke huurbetalingen heeft gedaan aan Ternessa of dat hij uitstel van betaling met Ternessa is overeengekomen, zoals door [appellant] is aangevoerd, kan daaruit niet worden afgeleid.     

    Gelet hierop is ook de Afdeling van oordeel dat de verklaring van [persoon B] niet noodzakelijk is voor de vaststelling van de relevante en in geschil zijnde feiten en heeft de Afdeling bij brief van 22 februari 2018 het verzoek van [appellant] om [persoon B] alsnog als getuige op te roepen vooralsnog afgewezen. Nu [appellant] niet naar de zitting is gekomen om zijn verzoek nader toe te lichten, ziet de Afdeling geen aanleiding om [persoon B] als getuige op te roepen. De Afdeling wijst zijn verzoek daarom definitief af.    

6.2.    [appellant] is niet verschenen ter zitting bij de Afdeling, zodat de Afdeling niet (definitief) heeft beslist op zijn verzoek om [persoon A] te horen.

    De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] in hoger beroep naar voren heeft gebracht geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en alsnog [persoon A] op te roepen als getuige. Nu uit het door [appellant] overgelegde overzicht geen huurbetalingen blijken, is de Afdeling van oordeel dat ook een verklaring van [persoon A] niet noodzakelijk is voor de vaststelling van de relevante en in geschil zijnde feiten.

Recht op huurtoeslag 2014 en 2015

7.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zich hier omstandigheden voordoen, als bedoeld in de hiervoor in 3 genoemde uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2017 en dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen daarom zijn recht op huurtoeslag in 2014 en 2015 ten onrechte op lagere bedragen heeft berekend en vastgesteld.  

7.1.    Niet in geschil is dat [appellant] de verschuldigde huurprijs niet volledig ten tijde van of uiterlijk kort na het verstrijken van de periode waar de betalingsverplichting betrekking op heeft, heeft voldaan.

7.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het belang van controle op een juiste besteding van overheidsgelden meebrengt dat degene die aanspraak op huurtoeslag maakt in beginsel de verschuldigde huurprijs daadwerkelijk ten tijde van of kort na het verstrijken van de periode waarop de betalingsverplichting betrekking heeft, moet voldoen. De rechtbank heeft evenzeer terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van 15 februari 2017, overwogen dat het voorgaande onverlet laat dat zich omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan aanleiding bestaat om op dit uitgangspunt een uitzondering te maken. De vraag ligt voor of zich in deze zaak dergelijke omstandigheden voordoen.

7.3.    De rechtbank heeft deze vraag terecht ontkennend beantwoord. Zij heeft daartoe terecht overwogen dat, anders dan in de uitspraak van 15 februari 2017 het geval was, niet is gebleken van enige betaling van de huurprijs door [appellant] en dat evenmin is gebleken van een getroffen betalingsregeling met Ternessa. [appellant] heeft geen kwitanties, bankafschriften of een afschrift van een betalingsregeling overgelegd ten bewijze van zijn stelling dat Ternessa bedragen bij hem heeft geïncasseerd ten aanzien van de door hem verschuldigde huur, waarbij de opgelopen betalingsachterstand werd ingelopen. Hij heeft evenmin stukken overgelegd ten bewijze van zijn stelling dat hij een betalingsregeling is overeengekomen met verhuurster. Uit het hiervoor in 6.1 en 6.2 overwogene volgt dat betalingen van de huurprijs en/of een betalingsregeling ook niet uit het rapport van [persoon B] of uit de door [appellant] stukken ten aanzien van [persoon A] kan worden afgeleid.

     Gelet hierop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de in de uitspraak van 15 februari 2017 bedoelde omstandigheden zich hier niet voordoen.

    Van feitelijke onjuistheden in de aangevallen uitspraak, zoals door [appellant] is aangevoerd, is niet gebleken.

    Het betoog faalt.

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Slump    w.g. Nales

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018

680.