Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1190

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
201702327/1/A1 en 201702331/1A
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2015 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit milieu verleend voor het oprichten van een varkenshouderij (hierna: de inrichting) op het perceel [locatie] te Zeeland (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2018-0075
Milieurecht Totaal 2018/6792
Milieurecht Totaal 2018/6791
Milieurecht Totaal 2018/6790
JOM 2018/398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702327/1/A1 en 201702331/1A1

Datum uitspraak: 11 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

[appellant A] en anderen, wonend te Zeeland, gemeente Landerd,

tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2017 in de zaken nrs. 15/2789 en 16/2013 in de gedingen tussen:

[appellant A] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Landerd.

Procesverloop

Omgevingsvergunning voor de activiteit milieu

Bij besluit van 22 juli 2015 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit milieu verleend voor het oprichten van een varkenshouderij (hierna: de inrichting) op het perceel [locatie] te Zeeland (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 31 januari 2017 in zaak nr. 15/2789 heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F], [appellant G], [appellant H] en [appellant I], niet-ontvankelijk verklaard, en voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld.

Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen

Bij besluit van 12 mei 2016 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning tweede fase voor de activiteit bouwen verleend voor het bouwen van vleesvarkensstallen en een biggenstal op het perceel.

Bij uitspraak van 31 januari 2017 in zaak nr. 16/2013 heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], [appellant J], [appellant K], [appellant L], [appellant M], [appellant N], [appellant O], [appellant P] en [appellant Q], niet-ontvankelijk verklaard, en voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld.

Behandeling hoger beroepen

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant A] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting gevoegd behandeld op 15 januari 2018, waar [appellant A] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Verwaaijen en ing. M.M.J. Pijnenburg, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Inleiding

2.    [belanghebbende] heeft het voornemen om op het perceel een varkenshouderij te exploiteren. Daartoe heeft hij een omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit milieu, en een omgevingsvergunning tweede fase voor de activiteit bouwen gevraagd. Het college heeft de beide omgevingsvergunningen verleend.

    De omgevingsvergunning voor de activiteit milieu omvat het veranderen van de bestaande inrichting op het perceel door het afbreken van de op het perceel bestaande vleesvarkensstallen en biggenstal en het realiseren van een nieuwe stal voor maximaal 6.160 gespeende biggen en in totaal maximaal 10.896 vleesvarkens. Het betreft een omgevingsvergunningplichtige inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. In de stal wordt een brijvoerinstallatie gerealiseerd. De omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ziet op het bouwen van een gebouw met vleesvarkensstallen en een biggenstal.

    [appellant A] en anderen kunnen zich niet met de verlening van de omgevingsvergunningen verenigen. Zij vrezen onder meer dat de inrichting zal leiden tot een onaanvaardbare toename van geurhinder en geluidhinder.

Procedure

Intrekking hogerberoepsgronden

3.    Ter zitting hebben [appellant A] en anderen de hogerberoepsgrond over de gestelde tegenstrijdigheid van de aan de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu verbonden geluidsvoorschriften 3.2.1 en 3.3.1, en de hogerberoepsgrond over geluidsvoorschrift 3.4.1, voor zover daarbij het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de dagperiode voor de woning aan de Langstraat 1a is gesteld op 40 dB(A), ingetrokken. Voorts hebben [appellant A] en anderen ter zitting de hogerberoepsgrond over het percentage van het bouwvlak dat ingevolge het bestemmingsplan "Graspeel" (hierna: het bestemmingsplan) landschappelijk dient te worden ingepast, ingetrokken.

Procesorde

4.    [appellant A] en anderen hebben zich op het standpunt gesteld dat de schriftelijke uiteenzetting van het college van 8 december 2017 buiten beschouwing dient te blijven wegens strijd met een goede procesorde, nu deze volgens hen onredelijk laat en kort voor de feestdagen in december is ingezonden. Mede gelet op de omvang van deze reactie van 25 pagina's, is hen een reële mogelijkheid om daarop te reageren ontnomen, aldus [appellant A] en anderen.

4.1.    Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken indienen, ter onderbouwing van eerder naar voren gebrachte standpunten. Het college heeft de nadere stukken meer dan tien dagen voor de zitting van 15 januari 2018 ingediend, zodat de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb gestelde termijn in acht is genomen.

     Dit neemt niet weg dat het overleggen van stukken in strijd met de goede procesorde kan zijn, indien deze verwijtbaar zodanig laat zijn ingediend dat de andere partij wordt belemmerd daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. Dat is in dit geval niet aan de orde. De schriftelijke uiteenzetting is door de Afdeling ontvangen op 15 december 2017, oftewel een maand voor de zitting van de Afdeling, en is door de Afdeling op 19 december 2017 in afschrift aan de andere partijen toegezonden. Mede in aanmerking genomen dat de schriftelijke uiteenzetting voor een belangrijk deel bestaat uit een integrale weergave van de aangevoerde hogerberoepsgronden, is deze niet van zodanige inhoud en omvang dat [appellant A] en anderen daarop niet uiterlijk ter zitting adequaat hebben kunnen reageren of dat de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins is belemmerd. Gelet hierop zal de Afdeling de schriftelijke uiteenzetting in de beoordeling van de hoger beroepen betrekken.

Behandeling beroep door de rechtbank

5.    [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank de zaak in beroep ten onrechte niet heeft aangehouden. Volgens hen had aanhouding van de zaak kunnen bijdragen aan finale geschilbeslechting, nu hangende het beroep overleg gaande was, dat tot een minnelijke oplossing had kunnen leiden.

5.1.     Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7558), betreft het aanhouden van een zaak een bevoegdheid van de rechtbank, bij het gebruik waarvan haar een grote mate van vrijheid toekomt. De rechtbank heeft in de door [appellant A] en anderen gestelde omstandigheid in redelijkheid geen aanleiding hoeven te vinden om de zaak aan te houden. Dit reeds omdat zij, zoals zij ter zitting hebben bevestigd, niet om aanhouding van de zaak om deze reden hebben verzocht.

    Het betoog faalt.

Omgevingsvergunning voor de activiteit milieu

Bevoegdheid; doorzet en opslag van brijvoer

6.    [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om te beslissen op de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. Volgens hen mocht het college niet afgaan op de vermelding in de aanvraag dat de opslagcapaciteit voor bijproducten 450 m3 bedraagt en de totale aanvoer van bijproducten 14.979 ton per jaar bedraagt, nu de aanvraag onvoldoende informatie bevat om ervan uit te kunnen gaan dat deze hoeveelheden niet zullen worden overschreden. Volgens hen is de hoeveelheid aan te voeren bijproducten onderschat, gelet op het aantal dieren dat zal worden gehouden. Ter zitting hebben zij daaraan toegevoegd dat de aanvoer van het bij te mengen droogvoer had moeten worden meegeteld bij het bepalen van de totale afvalverwerkingscapaciteit. Bovendien is volgens hen ten onrechte niet in vergunningvoorschriften vastgelegd dat geen overschrijdingen zullen plaatsvinden, in welk geval het college volgens hen niet meer bevoegd zal zijn handhavend op te treden.

6.1.    Op het aanvraagformulier voor de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu staat dat de jaarlijkse doorzet van het bijproduct waarmee brijvoer wordt gemaakt 14.797 m3 (lees: ton) en de maximale opslaghoeveelheid voor het bijproduct 450 m3 bedraagt. Ook in het van de aanvraag deel uitmakende bedrijfsontwikkelingsplan en het milieueffectrapport is van deze hoeveelheden uitgegaan.

    Het college was gehouden te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Dat is niet anders voor zover het gaat om het bepalen van zijn bevoegdheid om daarop te beslissen. Niet is vereist dat in de aanvraag nader wordt uiteengezet hoe de opgegeven hoeveelheden zich verhouden tot het opgegeven aantal dieren. Overigens bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de opgegeven hoeveelheden, gelet op het aantal te houden dieren, evident te laag zijn. De enkele gestelde omstandigheid dat de hoeveelheid brijvoer in verschillende andere inrichtingen per dier groter is, is daarvoor onvoldoende, reeds omdat het brijvoer kan worden vermengd met ander voer, in dit geval droogvoer. Het college heeft het droogvoer terecht niet opgeteld bij de jaarlijkse doorzet van brijvoer voor de vraag of de in artikel 28.4, onderdeel c, onder 1o van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) bedoelde capaciteit niet wordt overschreden, nu niet is gebleken dat het droogvoer een afvalstof is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH0442) is het aan brijvoer toevoegen van voer dat geen afvalstof is, niet het mengen van afvalstoffen in de zin van categorie 28.4, aanhef en onder c, sub 1, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, thans artikel 28.4, onderdeel c, onder 1o van bijlage I van het Bor. Het college heeft zich dan ook terecht bevoegd geacht om op de aanvraag te beslissen.

6.2.    Nu de vergunde jaarlijkse doorzet en maximale opslaghoeveelheid is bepaald door de aanvraag en de aanvraag deel uitmaakt van de omgevingsvergunning, hoefde het college aan de omgevingsvergunning niet het voorschrift te verbinden dat de vermelde hoeveelheden niet mogen worden overschreden.

    Het betoog faalt.

Geur

7.    [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte heeft verleend, nu het een ontoereikende beoordeling van de te verwachten geurbelasting vanwege de inrichting heeft gemaakt. Dit mede gelet op de bijdrage die de inrichting zal leveren aan de reeds te hoge achtergrondbelasting op verschillende woningen en de gevolgen voor de volksgezondheid. Zij voeren aan dat het college de in de inrichting voorziene brijvoerinstallatie en opslag van brijvoer onvoldoende bij zijn beoordeling heeft betrokken. Volgens hen is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat steekvast brijvoer binnen een uur na het lossen naar binnen wordt gebracht, nu dit niet in een vergunningvoorschrift is vastgelegd.

7.1.    Het college heeft de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit milieu wat betreft geurbelasting in verband met de dierenverblijven getoetst aan de geurnormen die gelden op grond van de "Gewijzigde Verordening geurhinder en veehouderij 2014 gemeente Landerd" en de "Verordening geurhinder en veehouderij" van de gemeente Mill en Sint Hubert. Volgens het college volgt uit berekeningen, uitgevoerd met het verspreidingsmodel V-stacks, dat de geurbelasting vanwege de gevraagde inrichting op geurgevoelige objecten niet hoger is dan toegestaan. Wat betreft woningen behorende bij een (voormalige) veehouderij wordt volgens het college voldaan aan de toepasselijke afstandsnorm, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv). Verder is de afstand tussen de dierenverblijven en de dichtstbijzijnde woning volgens het college in overeenstemming met artikel 5 van die wet.

7.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1970), volgt uit artikel 3, eerste lid, van de Wgv, bezien in samenhang met artikel 2, eerste lid, dat bij toetsing van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu aan de daarin genoemde grenswaarden slechts de geurbelasting van de inrichting zelf in ogenschouw mag worden genomen. Dit wordt niet anders indien bij gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wgv andere grenswaarden zijn vastgesteld dan de waarden, genoemd in artikel 3, eerste lid. De Wgv voorziet niet in een beoordeling van eventuele cumulatieve geurbelasting, oftewel de achtergrondbelasting. Voor zover, zoals [appellant A] en anderen stellen, het aspect geur tevens relevant is voor een beoordeling van het aspect volksgezondheid, biedt de Wgv geen grondslag om met het oog daarop af te wijken van de daarin vervatte normen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college de geurbelasting van nabijgelegen bedrijven bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit milieu terecht niet heeft betrokken bij de geurberekening.

7.3.    Wat betreft de geurbelasting van de aangevraagde inrichting, is het college er blijkens het toetsingsdocument dat deel uitmaakt van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, van uitgegaan dat geuremissie van de brijvoerinstallatie niet is verdisconteerd in de geuremissie van de dierenverblijven. Volgens het college is, mede gelet op de afstand van de brijvoerinstallatie tot de omliggende woningen van meer dan 250 m, sprake van een wijziging van een zodanig geringe omvang dat niet onderzocht hoeft te worden of er, door de aangevraagde verandering van het aantal te houden dieren, sprake is van een uitbreiding van de geuremissie als gevolg van het gebruik van de brijvoerinstallatie. Binnen de inrichting worden alleen gangbare bijproducten opgeslagen die weinig tot geen geurhinder geven. Daarnaast is sprake van opslag in gesloten silo's en bunkers die binnen worden geplaatst en zijn er specifieke voorschriften opgenomen om geurhinder te voorkomen, aldus het college.

    Hetgeen [appellant A] en anderen hebben aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat het college de geurbelasting vanwege de brijvoerinstallatie en de opslag van brijvoer aldus onvoldoende bij zijn beoordeling heeft betrokken. Wat betreft het steekvaste brijvoer dat na het lossen enige tijd buiten kan blijven staan voordat het naar binnen wordt gebracht, overweegt de Afdeling dat het opslaan van steekvast brijvoer wordt gereguleerd door de bepalingen over het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen in artikel 3.45 en verder van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Geen reden bestaat voor het oordeel dat het college in zoverre nadere voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden. Voor het overige hebben [appellant A] en anderen hun betoog dat het college wat betreft de te verwachten geurbelasting onvoldoende rekening heeft gehouden met de geurbelasting ten gevolge van de opslag van brijvoer, niet nader toegelicht.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant A] en anderen betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat, voor zover in luchtwassers is voorzien, het college de technische deugdelijkheid daarvan ten onrechte niet heeft beoordeeld en dat het deugdelijk functioneren van de luchtwassers onvoldoende is gewaarborgd. Zij wijzen daarbij op artikel 6 van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PB 2010 L 334; hierna: de RIE), waaruit volgens hen volgt dat in de vergunning een verwijzing naar de algemeen verbindende voorschriften over luchtwassers had moeten worden opgenomen. Verder is een goede werking van de luchtwassers volgens [appellant A] en anderen onvoldoende gewaarborgd omdat het dimensioneringsplan niet houdbaar is. In dit verband hebben zij ter zitting naar voren gebracht dat voor stal B is uitgegaan van een ventilatiebehoefte van 55 m3 per uur per vleesvarken, terwijl volgens hen uit de richtlijnen van het Klimaatplatform blijkt dat dient te worden uitgegaan van 80 m3 per uur per vleesvarken.

8.1.    De technisch goede werking van de luchtwassers is gewaarborgd via de rechtstreeks op de inrichting van toepassing zijnde artikelen 3.123 en verder van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de artikelen 3.97 en verder van de Activiteitenregeling milieubeheer. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan het college, indien overtreding van die artikelen plaatsvindt, daartegen handhavend optreden. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de technische deugdelijkheid van de luchtwassers niettemin in zijn beoordeling van de aanvraag had moeten betrekken.

    Daargelaten de vraag of [appellant A] en anderen een rechtstreeks beroep op de RIE toekomt, kan uit artikel 6 van die richtlijn niet de verplichting worden afgeleid om in een omgevingsvergunning een verwijzing naar van toepassing zijnde algemeen verbindende voorschriften, zoals in dit geval de artikelen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer die betrekking hebben op luchtwassers, op te nemen. Het ontbreken van een dergelijke verwijzing doet niet af aan de gelding van die artikelen.

8.2.    In het dimensioneringsplan voor stal B staat dat in de huisvesting van 4.560 vleesvarkens met een hokoppervlak van niet meer dan 0,8 m2 is voorzien. Daarbij is uitgegaan van een ventilatiebehoefte per dierplaats van 55 m3 per uur. Voor andere stallen is voor vleesvarkens met een hokoppervlak van niet meer dan 0,8 m2 uitgegaan van een ventilatiebehoefte van 80 m3 per uur. Het college heeft ter zitting toegelicht dat uit de aanvraag blijkt dat de grootte van de dierplaatsen per stal verschilt en dat de te houden dieren, naar mate ze groter worden, naar een andere stal worden verplaatst. Stal B is bedoeld voor vleesvarkens die nog niet volgroeid zijn, zodat van een lagere ventilatiebehoefte kan worden uitgegaan.

    Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat een goede werking van de luchtwassers als gevolg van het dimensioneringsplan onvoldoende is gewaarborgd.

    Het betoog faalt.

9.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit milieu niet had mogen verlenen in verband met de te verwachten geurbelasting.

Geluid

10.    [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college in de vergunningvoorschriften onredelijk hoge grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau heeft toegestaan. Hiertoe stellen zij in de eerste plaats dat het college bij het bepalen van afwijkende grenswaarden in de representatieve bedrijfssituatie is uitgegaan van een referentieniveau van het omgevingsgeluid dat niet juist is vastgesteld. Volgens hen is onaannemelijk dat het omgevingsgeluid van het verkeer in de nachtperiode even hoog is als in de avondperiode, zoals het college heeft aangenomen. Bovendien is volgens hen voor de dichtst bij de inrichting gelegen woning ten onrechte volstaan met een schatting van het referentieniveau.

10.1.    Het college heeft bij de beoordeling van het door de inrichting veroorzaakte langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. In hoofdstuk 4 worden voor een landelijke omgeving richtwaarden aanbevolen van 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) voor achtereenvolgens de dag-, avond- en nachtperiode. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

    Het college heeft in vergunningvoorschrift 3.2.3, dat betrekking heeft op de representatieve bedrijfssituatie, grenswaarden gesteld voor de woningen aan de Langstraat 1 en 1a. In afwijking van de richtwaarden is voor de woning aan de Langstraat 1 voor de dagperiode een grenswaarde van 41 dB(A) gesteld en is voor beide woningen voor de avond- en nachtperiode een grenswaarde van respectievelijk 39 dB(A) en 35 dB(A) gesteld. Het college acht die afwijkende grenswaarden aanvaardbaar, omdat het referentieniveau van het omgevingsgeluid volgens het college in zoverre hoger is. Hierbij is het college afgegaan op de uitkomsten van het onderzoek van het voormalige Regionaal Milieubedrijf Brabant-Noordoost naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid, neergelegd in een rapport van 5 augustus 2013 (hierna: het rapport van het RMB).

10.2.    In het rapport van het RMB staat dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid bij de dichtstbij gelegen woningen ongeveer 45 tot 50 dB(A) etmaalwaarde bedraagt voor het wegverkeer. Ter plaatse van het cluster woningen aan de Langstraat 1, 1a, 2 en 3 bedraagt het referentieniveau volgens het rapport in de dagperiode 50 dB(A) en in zowel de avond- als de nachtperiode 41 dB(A). Dit referentieniveau is volgens het rapport bepaald volgens de handleiding IL-HR-15-01 "Richtlijnen voor karakterisering en meting van omgevingsgeluid". Het omgevingsgeluid is volgens het rapport slechts afkomstig van het wegverkeer op de provinciale weg N277, nu geen andere relevante geluidsbronnen in de omgeving aanwezig zijn. Het omgevingsgeluid is berekend aan de hand van de verkeersstroom op die weg in 2013. Deze verkeersstroom is bepaald aan de hand van via de provincie Noord-Brabant beschikbare verkeersgegevens voor het jaar 2011, welke zijn vermeerderd met 1,5%.

    Ter zitting heeft het college naar voren gebracht dat het niet onwaarschijnlijk is dat het geluidsniveau vanwege het verkeer in de nachtperiode even hoog is als in de avondperiode, nu in de omgeving verschillende agrarische bedrijven aanwezig zijn die transporten in de vroege ochtenduren uitvoeren. Gelet hierop, en nu in het rapport van het RMB is weergegeven dat een berekening is gemaakt aan de hand van verkeersgegevens die geacht kunnen worden objectief te zijn, leidt hetgeen [appellant A] en anderen hebben aangevoerd niet tot twijfel aan de juistheid van de uitkomsten van het rapport van het RMB. Nu het college uitsluitend voor de woningen aan de Langstraat 1 en 1a afwijkende grenswaarden heeft vastgesteld, waarbij het college aansluiting heeft gezocht bij het referentieniveau van het omgevingsgeluid, is voorts niet van belang dat voor het bepalen van het referentieniveau bij andere woningen is volstaan met een schatting.

    De conclusie is dat het college het rapport van het RMB aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kon het college in redelijkheid de in vergunningvoorschrift 3.3.1 gestelde, van de richtwaarden afwijkende grenswaarden voor de woningen aan de Langstraat 1 en 1a stellen, nu deze niet hoger zijn dan het referentieniveau van het omgevingsgeluid.

    Het betoog faalt.

11.    [appellant A] en anderen voeren voorts aan dat de grenswaarden die zijn gesteld voor de regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie, voor verschillende woningen voor de nachtperiode een onaanvaardbaar hoge overschrijding van de richtwaarden inhouden.

11.1.    In paragraaf 5.3 van de Handreiking is vermeld dat voor regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie met een beperkte frequentie, maar vaker dan 12 maal per jaar, met een bestuurlijke afweging een hogere geluidemissie kan worden toegestaan dan de geluidbelasting die optreedt in de representatieve bedrijfssituatie.

    Het college heeft in vergunningvoorschrift 3.3.1 voor de regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie voor zes woningen afwijkende grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau gesteld. Voor de nachtperiode bedragen deze grenswaarden tussen de 32 dB(A) en 38 dB(A). Het college heeft de afwijkende grenswaarden gesteld vanwege het afvoeren van vleesvarkens, dat eens per week plaatsvindt in een tijdvak van 4,5 uur in de nachtperiode en maximaal 3 uur in de dagperiode. Dit is volgens het college een met de bedrijfsvoering onlosmakelijke activiteit. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat gebruik wordt gemaakt van een laaddock om de geluidbelasting te minimaliseren.

11.2.    Het college heeft op deze wijze toereikend gemotiveerd waarom het de gestelde grenswaarden in dit geval aanvaardbaar acht. In de enkele omstandigheid dat de toegestane overschrijding van de richtwaarden voor de regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie in de nachtsituatie voor enkele woningen 2 dB(A) tot 8 dB(A) bedragen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college deze grenswaarden, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid niet had mogen stellen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de gestelde grenswaarde slechts voor een periode van enkele uren per week geldt, terwijl de in de Handreiking vermelde maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) met deze grenswaarden niet wordt overschreden.

    Het betoog faalt.

12.    [appellant A] en anderen betogen verder dat de gestelde grenswaarden voor de incidentele bedrijfssituatie op een onjuiste grondslag berusten, nu deze zijn gebaseerd op het eventuele gebruik van het noodstroomaggregaat waarvan niet is te voorzien wanneer deze zal worden gebruikt.

    [appellant A] en anderen hebben deze grond, die is gericht tegen vergunningvoorschrift 3.4.1 en verder, voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom het betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant A] en anderen dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen hadden behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

13.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college de vergunningvoorschriften over geluid in redelijkheid niet aan de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu had mogen verbinden.

Conclusie

14.    Het hoger beroep, gericht tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 15/2789, is ongegrond. Deze aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen

Geur, duurzame locatie

15.    [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de te bouwen stallen in strijd zijn met artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte 2014 (versie juli 2015) van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening ruimte) en met artikel 3, lid 3.4, onder 3.4.4, van de planregels van het bestemmingsplan.

    Hiertoe voeren zij in de eerste plaats aan dat het college een onjuiste uitleg aan artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte heeft gegeven door ervan uit te gaan dat een bijdrage aan de achtergrondbelasting op overbelaste situaties bij toetsing aan dat artikel buiten beschouwing kan worden gelaten, wanneer deze bijdrage niet significant is. Daarbij achten zij de door het college gehanteerde norm voor een niet significante bijdrage van 0,5 OuE/m3 bovendien willekeurig.

    Verder voeren [appellant A] en anderen aan dat het college de reeds bestaande achtergrondbelasting op verschillende geurgevoelige objecten heeft onderschat. Volgens hen had het college de conclusies over geur uit het rapport van de GGD van 25 augustus 2014 niet mogen overnemen. In dit verband beroepen zij zich op het rapport "Varianten analyse ontwikkeling intensieve veehouderij Graspeel gemeente Landerd" van februari 2016, uitgebracht door de GGD (hierna: het GGD-rapport van februari 2016) en op (naar de Afdeling begrijpt) de "Aanvulling op actualisatie plan-MER bestemmingsplan Graspeel gemeente Landerd" van 28 mei 2013. Ook blijkt volgens hen uit een wijziging van de geuremissiefactor voor vleeskuikens in de Regeling geurhinder en veehouderij vanaf 19 september 2016, dat de achtergrondbelasting als gevolg van de bijdrage van het pluimveebedrijf aan de Witte Dellen 2 hoger is dan is aangenomen. Verder heeft het college de woning aan de Spiestraat 22 te Langenboom volgens hen ten onrechte als bedrijfswoning aangemerkt en de achtergrondbelasting op die woning daarom ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

    Verder voeren [appellant A] en anderen aan dat het college de bijdrage van de aangevraagde inrichting op de achtergrondbelasting heeft onderschat en op onjuiste gronden heeft aangenomen dat de bijdrage van de aangevraagde inrichting niet tot een toename van de achtergrondbelasting op overbelaste geurgevoelige objecten zal leiden. Dit omdat wordt voorzien in een brijvoerinstallatie waarvan veel geuremissie is te verwachten en een goede werking van de luchtwassers niet is gewaarborgd. Bovendien is de geurbelasting vanwege de bestaande inrichting volgens hen overschat, nu had moeten worden uitgegaan van een vermindering van de geuremissie als gevolg van een wijziging van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: het Besluit huisvesting), die had genoopt tot aanpassing van de stallen van de bestaande inrichting.

15.1.    Het college is ervan uitgegaan dat het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 7.3, tweede lid, van de Verordening ruimte, zodat de aanvraag dient te worden getoetst aan de criteria van artikel 34, eerste lid. Het college heeft geen aanleiding gevonden om de vergunning in verband met geurbelasting wegens strijd met dat artikel te weigeren. Evenmin heeft het aanleiding gezien de vergunning wegens strijd met artikel 3, lid 3.4, onder 3.4.4, van de planregels te weigeren.

Artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte

15.2.    Het college heeft de toetsing aan artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte verricht aan de hand van het rapport "Geuronderzoek [locatie], Zeeland" van de Omgevingsdienst Brabant Noord van 11 april 2016 (hierna: het geurrapport). Het is ervan uitgegaan dat de in dit artikel bedoelde hinderpercentages overeenkomen met een norm voor de achtergrondbelasting van 10 ouE/m3 in de bebouwde kom en 20 ouE/m3 buiten de bebouwde kom. Het college heeft als uitgangspunt genomen dat indien binnen een afstand van 2 km van de inrichting in de bestaande situatie reeds geurgevoelige objecten aanwezig zijn waar de geurnorm wordt overschreden en waarbij de bijdrage van de inrichting aan die overschrijding significant is, is vereist dat de aangevraagde inrichting tot een proportionele afname van de bijdrage aan deze overschrijding leidt. Volgens het college kan ervan worden uitgegaan dat een bijdrage niet significant is, wanneer deze kleiner is dan 0,5 ouE/m3. Een dergelijke geringe bijdrage acht het college, afgezet tegen de norm van 10 ouE/m3 die geldt voor binnen de bebouwde kom, verwaarloosbaar, terwijl het bovendien de helft is van de waarde die nog kan worden geroken.

    In het geurrapport is vermeld dat de geurberekeningen zijn uitgevoerd met V-stacks en, wat betreft de achtergrondbelasting, aan de hand van verleende vergunningen voor veehouderijen in een straal van 4 km rondom het perceel. Voor de negen dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten in de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom is de achtergrondbelasting in de bestaande situatie en in de aangevraagde situatie berekend. De resultaten wijzen volgens het geurrapport uit dat, wat betreft geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom, zich in de bestaande situatie een overschrijding van de norm van 20 ouE/m3 voordoet op het adres Kleine Graspeel 13. De bestaande achtergrondbelasting bedraagt hier 30,5 ouE/m3. Binnen de bebouwde kom doet zich een overschrijding van de norm van 10 ouE/m3 voor op het adres Pinksterbloem 12. De bestaande achtergrondbelasting bedraagt hier 10,1 ouE/m3. Hoewel de in artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte gestelde normen aldus worden overschreden, hoeven volgens het college geen maatregelen te worden getroffen die leiden tot een daling van de achtergrondbelasting als bedoeld in dat artikellid. Dit omdat de bijdrage van de aangevraagde inrichting aan de achtergrondbelasting in beide gevallen minder dan 0,5 ouE/m3 bedraagt en dus niet significant is. Bovendien neemt de bijdrage ten opzichte van de bestaande situatie af. Volgens het college is de aanvraag dan ook in overeenstemming met artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte.

15.2.1.    In de toelichting op artikel 7.3 van de Verordening ruimte, waarnaar in de toelichting op artikel 34 is verwezen, staat:

"De geurnormen zijn opgenomen om ervoor te zorgen dat er op gebiedsniveau, geen nieuwe overbelastingen voor geurhinder ontstaan en om bij te dragen aan een afname van de belasting waar deze cumulatief te hoog is. Door voor het aspect geurhinder onder voorwaarde van een proportionele bijdrage aan de afname van geurhinder ontwikkelingen toe te staan neemt de overbelasting af. […]

Ten aanzien van het bepalen van een proportionele bijdrage aan de afname van de achtergrondbelasting, in de situaties waarin deze reeds hoger is dan de daarvoor gegeven normen, zorgt de provincie dat hiervoor nadere informatie ter beschikking wordt gesteld. Veehouderijen die, bijvoorbeeld door de afstand tot een geurgevoelig object, beperkt bijdragen aan een cumulatieve overbelasting (achtergrond) op dat object worden hierdoor niet beperkt. Gemeenten kunnen hiervoor een zogenaamde afkapwaarde gebruiken. In de nadere informatie wordt hier verder op ingegaan."

    De notitie "Afname overbelasting, nadere informatie over de proportionele bijdrage van een veehouderij aan de afname van een overbelasting" van de provincie Noord-Brabant van 24 april 2014 bevat de nadere informatie als bedoeld in de hiervoor aangehaalde toelichting en geeft daarmee een nadere invulling aan de wijze waarop artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte moet worden toegepast. Deze notitie bevat een stappenplan, waaruit volgt dat bedrijven die niet meer dan 0,5 ouE/m3 bijdragen aan de achtergrondbelasting op een overbelast geurgevoelig object, niet hoeven bij te dragen aan een afname van de overbelasting. Gelet hierop mocht het college ervan uitgaan dat, voor zover de bijdrage van de aangevraagde inrichting op de achtergrondbelasting op overbelaste geurgevoelige objecten niet meer dan 0,5 ouE/m3 bedraagt, de vergunning niet op grond van artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte hoefde te worden geweigerd.

15.2.2.    Uit de notitie "Afname overbelasting" kan worden afgeleid dat het college de bestaande achtergrondbelasting voor de toetsing aan artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte mocht berekenen met behulp van V-stacks en dat het zich mocht baseren op de verleende vergunningen voor veehouderijen in het gebied.

15.2.3.    Voor zover [appellant A] en anderen de conclusies uit het rapport van de GGD van 25 augustus 2014 betwisten, overweegt de Afdeling dat het college dit rapport niet aan zijn besluit tot het verlenen van omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ten grondslag heeft gelegd.

15.2.4.    Ter onderbouwing van hun standpunt dat het college van een te lage achtergrondbelasting is uitgegaan, hebben [appellant A] en anderen gewezen op de berekeningen in het GGD-rapport van februari 2016, waaruit volgens hen blijkt dat voor de geurgevoelige objecten aan de adressen Graspeel 41, Witte Dellen 1a en 3 en Langstraat 5 en 5a had moeten worden uitgegaan van een overschrijding van de daar geldende norm van 20 ouE/m3.

    De Afdeling overweegt dat dit GGD-rapport tot doel heeft om inzicht te verschaffen in de milieubelasting, waaronder geurbelasting, als gevolg van intensieve veehouderijen in het gebied Graspeel in de bestaande situatie, de autonome ontwikkeling en drie varianten hierop. Dit in verband met mogelijke knelpunten op het gebied van volksgezondheid en milieu die bij uitvoering van elk van de verschillende varianten kunnen optreden. In het rapport staat dat voor de bestaande situatie de vergunde situatie op 1 november 2015 is aangehouden, tenzij de feitelijke situatie daarvan aantoonbaar afwijkt. De autonome situatie is de situatie die in redelijkheid door ontwikkelingen is te verwachten, als in een convenant neergelegde afspraken niet worden uitgevoerd en het provinciebestuur geen maatregelen treft. Daarnaast zijn toekomstige autonome situaties beoordeeld bij uitvoering van het convenant en bij het nemen van maatregelen door het provinciebestuur. Verder staat in het rapport dat is getracht de geurbelasting zo realistisch mogelijk te beoordelen. Daarom is voor melkvee, in afwijking van de wetgeving waarin voor melkvee slechts afstandsnormen zijn gesteld, een emissiefactor gebruikt en is voor vleeskuikens een hogere geuremissiefactor dan de wettelijke toegepast. Daardoor wordt, zo is vermeld, in de gehanteerde rekenwijze een hogere geurbelasting berekend dan wanneer de geurbelasting wordt berekend in het kader van vergunningverlening.

    Nu de berekeningen in het GGD-rapport van februari 2016 niet tot stand zijn gekomen met behulp van V-stacks en uitgaande van de verleende vergunningen voor veehouderijen in het gebied, bieden deze geen aanleiding om aan te nemen dat het college de bestaande achtergrondbelasting op de bedoelde adressen heeft onderschat.

15.2.5.    In de "Aanvulling op actualisatie plan-MER bestemmingsplan Graspeel gemeente Landerd" staat dat de hoogst berekende achtergrondwaarde met inachtneming van het nieuwe bestemmingsplan 17,94 ouE/m3 bedraagt en dat daarmee voor alle burgerwoningen in de Graspeel sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat. Tabel 2, waarop [appellant A] en anderen zich hebben beroepen, bevestigt dit. Uit de bijbehorende kaart, waarop verschillende locaties zijn aangeduid waar de geurbeleving als slecht is beoordeeld, blijkt voorts niet dat het daarbij mede gaat om geurgevoelige objecten. Dit document biedt dan ook geen aanknopingspunt om aan te nemen dat het college de achtergrondbelasting heeft onderschat en geurgevoelige objecten waar de achtergrondbelasting wordt overschreden over het hoofd heeft gezien.

15.2.6.    De wijziging van de geuremissiefactor voor vleeskuikens in de Regeling geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 1 oktober 2016. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college deze gewijzigde geuremissiefactor reeds bij het nemen van het besluit op 12 mei 2016 had moeten betrekken bij het bepalen van de bestaande achtergrondbelasting.

15.2.7.     In het geurrapport staat dat de woning aan de Spiestraat 22 niet bij de beoordeling is betrokken, omdat deze in het bestemmingsplan als bedrijfswoning van een veehouderij is opgenomen in het bouwvlak, behorende bij Spiestraat 20.

    [appellant A] en anderen betogen terecht dat het bestemmingsplan zich niet uitstrekt tot de gronden waarop de bedoelde woning en veehouderij zijn gesitueerd, in de gemeente Mill en Sint Hubert. Niet is gebleken dat de woning aan de Spiestraat 22 als agrarische bedrijfswoning moet worden aangemerkt. Daar komt bij dat ook agrarische bedrijfswoningen tot de geurgevoelige objecten als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte moeten worden begrepen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2797). De woning aan de Spiestraat 22 is in het geurrapport dan ook op onjuiste gronden buiten beschouwing gelaten. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt in zoverre.

15.2.8.    Voor het oordeel dat het college de bijdrage van de gevraagde inrichting aan de achtergrondbelasting op de in aanmerking genomen geurgevoelige objecten heeft onderschat, ziet de Afdeling geen grond, gelet op hetgeen zij hiervoor ten aanzien van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu onder "geur" heeft overwogen. Wat betreft het betoog dat het college de te verwachten reductie van geurbelasting vanwege de bestaande inrichting als gevolg van het gewijzigde Besluit huisvesting in aanmerking had moeten nemen, merkt de Afdeling op dat een dergelijke reductie wat betreft de toetsing aan artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte niet tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Een dergelijke reductie zou immers niet afdoen aan de conclusie van het college dat de bijdrage van de gevraagde inrichting aan de achtergrondbelasting op overbelaste geurgevoelige objecten niet significant is.

15.2.9.    De conclusie is dat het betoog wat betreft de toetsing aan artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte slaagt, voor zover dat is gericht tegen het buiten beschouwing laten van het geurgevoelige object aan de Spiestraat 22. Voor het overige faalt het betoog.

Artikel 3, lid 3.4, onder 3.4.4 van de planregels

15.3.    Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Agrarisch-1", met functieaanduidingen "intensieve veehouderij" en "specifieke vorm van agrarisch-2".

    Het college heeft de aanvraag in overeenstemming met artikel 3, lid 3.4, onder 3.4.4 van de planregels geacht. Wat betreft het aspect geur heeft het college overwogen dat de geuremissie door maatregelen wordt gereduceerd met 84,8%. Verder heeft het college overwogen dat de voorgrondbelasting op het zwaarst belaste geurgevoelige object binnen de bebouwde kom 0,4 ouE/m3 bedraagt, en op het zwaarst belaste geurgevoelige object buiten de bebouwde kom 9,0 ouE/m3, hetgeen volgens het college aanvaardbaar is.

15.3.1.    [appellant A] en anderen betogen tevergeefs dat het college de reductie van de geurbelasting onjuist heeft berekend, gelet op de wijziging van het Besluit huisvesting die tot een vermindering van de geuremissie had moeten leiden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1530), verplicht het Besluit huisvesting niet tot een reductie van ammoniakemissie op bedrijfsniveau. Het Besluit huisvesting verplicht bedrijven hun bedrijfsvoering zodanig in te richten dat gemiddeld wordt voldaan aan de maximale emissiefactor die voor een diersoort is vastgesteld. De veehouder kan ervoor kiezen om bestaande stallen die niet aan de emissiefactor voldoen te verbouwen, maar hij kan ook gebruik maken van intern salderen door verdergaande technieken voor nieuwe stallen toe te passen, waardoor het niet nodig is om de bestaande stallen met een hoge emissie aan te passen. Gelet hierop mocht het college wat betreft geur in de bestaande situatie uitgaan van de vergunde situatie, zonder daarop een correctie toe te passen.

15.3.2.    Voor zover het betoog van [appellant A] en anderen ertoe strekt dat het college het GGD-rapport van februari 2016 had moeten betrekken bij de toetsing aan artikel 3, lid 3.4, onder 3.4.4 van de planregels, komt dit betoog erop neer dat het college in dit verband niet had mogen volstaan met een beoordeling van de voorgrondbelasting. De Afdeling ziet geen grond om [appellant A] en anderen hierin te volgen. Uit de definitie van het begrip "duurzame locatie" in artikel 1 van de planregels volgt niet dat de vraag of sprake is van een duurzame locatie mede afhankelijk is gesteld van de milieubelasting vanwege andere inrichtingen in het gebied. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen had moeten worden geweigerd wegens strijd met artikel 3, lid 3.4, onder 3.4.4 van de planregels.

    Het betoog faalt.

Oppervlakte van de stallen

16.    [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat uit de aanvraag niet eenduidig blijkt welke oppervlakte de op te richten bebouwing heeft. Zo wordt in het rapport over brandveiligheid uitgegaan van een oppervlakte van 13.055 m2, op de bouwtekeningen van een oppervlakte van 13.381 m2, in het aanvraagformulier van een oppervlakte van 12.956 m2 en in een bijlage bij het MER van een oppervlakte van 13.497 m2. Bovendien wordt in de aanvraag uitgegaan van het realiseren van ruimtes met het oog op brandveiligheid van 25 m aan de zuidzijde, 15 m aan de oostzijde en 12 m aan de westzijde, terwijl het landschappelijke inrichtingsplan op die gronden in begroeiing voorziet, aldus [appellant A] en anderen.

16.1.    Op de bij de vergunning behorende bouwtekening, blad 4, is vermeld dat de totale bebouwde oppervlakte na realisering van het bouwplan 13.381 m2 bedraagt en dat de bruto vloeroppervlakte 12.956 m2 bedraagt. Anders dan [appellant A] en anderen stellen, komen deze vermeldingen overeen met die op het aanvraagformulier onder 3 en onder 5. De bijlage bij het MER, die [appellant A] en anderen in beroep hebben overgelegd, maakt geen deel uit van de aanvraag of de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Voor zover de daarop vermelde totale bebouwde oppervlakte, die mede de oppervlakte van een woning omvat waarop de aanvraag niet ziet, al niet valt te verenigen met de aanvraag, komt daaraan dan ook geen betekenis toe. In de "Rapportage Beheersbaarheid van Brand T.B.V. [belanghebbende]" van Kling Brandbeveiliging van 20 december 2012 is verder vermeld dat de totale gebruiksoppervlakte 13.055 m2 bedraagt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, betreft deze oppervlakte een andere maat dan de totale bebouwde oppervlakte en de bruto vloeroppervlakte.

    Voor zover in dit rapport is uitgegaan van vrije ruimtes naast elk van de gevels, heeft de omgevingsvergunning geen betrekking op het realiseren van deze ruimtes. Dat het landschappelijke inpassingsplan ter plaatse in begroeiing voorziet, leidt reeds daarom niet tot het oordeel dat de aanvraag niet eenduidig is.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de aanvraag wat betreft de oppervlaktematen niet eenduidig is.

    Het betoog faalt.

17.    [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat bij realisering van het bouwplan onvoldoende ruimte resteert voor de vereiste landschappelijke inpassing van 10% van het bouwvlak. Deze is geheel aan de voorzijde voorzien, terwijl daar tevens erfverharding is voorzien ten behoeve van voertuigbewegingen. Ook langs de andere gevels, waar landschappelijke inpassing buiten het bouwvlak is voorzien, zal erfverharding aanwezig moeten zijn ten behoeve van de brandweer, aldus [appellant A] en anderen. Volgens hen zal het vereiste van landschappelijke inpassing dan ook niet kunnen worden nageleefd.

17.1.    De plicht om uitvoering te geven aan artikel 3, lid 3.4, onder 3.4.3 en onder b, van de planregels, volgt rechtstreeks uit het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ziet niet mede op de te realiseren landschappelijke inpassing en evenmin op het aanbrengen van erfverharding. Het bouwplan voorziet erin dat 10% van het bouwvlak niet wordt benut voor bebouwing, zodat dit geen belemmering vormt om de voorgeschreven landschappelijke inpassing te realiseren. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wegens strijd met deze planregel niet had mogen verlenen.

    Het betoog faalt.

Bestuurlijke lus

18.    Gelet op hetgeen onder 15.2.7 is overwogen, is het besluit van 12 mei 2016 genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb opdragen om het gebrek in het besluit van 12 mei 2016 binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak te herstellen. Het college dient daartoe het geuronderzoek van 11 april 2016 uit te breiden door de achtergrondbelasting op het object aan de Spiestraat 22 in de bestaande situatie te berekenen en, indien deze hoger is dan de ter plaatse geldende norm, de bijdrage van de gevraagde inrichting aan de achtergrondbelasting te bepalen. Aan de hand van de uitkomsten daarvan dient het college te beoordelen of maatregelen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte zijn vereist en of dit dient te leiden tot een ander besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

    Het college dient derhalve binnen de gestelde termijn van twaalf weken na verzending van deze uitspraak het besluit van 12 mei 2016 nader te motiveren, dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te stellen. Het college dient de Afdeling en andere partijen de aanvullende motivering mee te delen dan wel het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en dit de Afdeling mede te delen.

19.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak van 31 januari 2017 in zaak nr. 15/2789;

II.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Landerd op om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 15.2.7 en 18, het besluit van 12 mei 2016, kenmerk HZ-2014-0074, alsnog toereikend te motiveren, dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen, en

- de Afdeling en partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Slump    w.g. Van Driel

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018

414-727. BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

e. 1o. het oprichten,

    2o. het veranderen of veranderen van de werking of

    3o. het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk,

[…]

Besluit omgevingsrecht

Bijlage I, artikel 28.4

Onverminderd de artikelen 3.3, eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor:

a. het opslaan van de volgende afvalstoffen:

[…]

6o. andere dan de onder 1o tot en met 5o genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer;

[…]

c. 1o. het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen - anders dan verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.000.000 kg per jaar of meer;

[…]

Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies

Artikel 6

Onverminderd de verplichting om over een vergunning te beschikken, kunnen de lidstaten voor bijzondere categorieën installaties, stookinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties of afvalmeerverbrandingsinstallaties bijzondere verplichtingen opnemen in algemene bindende voorschriften.

Wanneer algemene bindende voorschriften worden vastgesteld, volstaat het dat in de vergunning een verwijzing naar die voorschriften wordt opgenomen.

Wet geurhinder en veehouderij

Artikel 2

1. Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot [en] met 9.

[…]

Artikel 3

1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:

a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;

b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;

c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;

d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij:

a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

[…]

Artikel 5

1. Onverminderd de artikelen 3 en 4 bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object:

a. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

[…]

Artikel 6

1. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde:

a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;

b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 35,0 odour units per kubieke meter lucht;

c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht;

d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 20,0 odour units per kubieke meter lucht.

Gewijzigde Verordening geurhinder en veehouderij 2014 gemeente Landerd

Artikel 3

In afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2 lid 1 van deze verordening:

A. Woonkern Zeeland 1,0 odour units.

B. Woonkernen Reek, Schaijk, 't Oventje 2,0 odour units.

C. Bedrijventerrein Voederheil II 6,0 odour units.

D. Bedrijventerrein Voederheil, De Roskam 1,0 odour units.

E. Bedrijventerrein De Louwstraat 2,0 odour units.

F. Buitengebied 9,0 odour units.

Verordening geurhinder en veehouderij (gemeente Mill en Sint Hubert)

Artikel 3

In afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2 lid 1 van deze verordening:

A Bebouwde kom stedelijk 2 odour units;

B Bebouwde kom landelijk 3 odour units;

C Buitengebied 12 odour units;

D Landbouwontwikkelingsgebied 14 odour units;

Verordening ruimte 2014 (versie juli 2015) (provincie Noord-Brabant)

Artikel 34

1. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met het bepaalde in […] artikel 7.3, tweede lid, gelden de volgende voorwaardelijke bepalingen:

a. een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen voor de uitoefening van een veehouderij is alleen toegestaan indien:

[…]

IV. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

[…]

Bestemmingsplan "Graspeel"

Artikel 1 (Begrippen)

[…]

duurzame locatie:

bestaand agrarisch bouwvlak met een zodanige ligging dat het zowel vanuit milieuoogpunt (ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen) als vanuit ruimtelijk oogpunt (in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie) verantwoord is om het ter plaatse uit te breiden.

[…]

landschappelijke inpassing:

het inpassen van een gebouw of een gebruik in het landschap, waarbij afstemming plaatsvindt op de context van het landschap door middel van de architectuur van het gebouw en/of de aanplant van gebiedseigen beplanting;

[…]

Artikel 3 (Agrarisch - 1)

[…]

3.4 (Specifieke gebruiksregels)

3.4.3

[…]

b. De gronden en gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - 2' mogen overeenkomstig de bestemmingsomschrijving niet eerder worden gebruikt dan nadat 10% van de gronden binnen het bouwvlak landschappelijk zijn ingepast en zolang als deze landschappelijke inpassing in stand wordt gehouden. Deze landschappelijke inpassing dient gehandhaafd te blijven.

3.4.4

Voordat op de gronden ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - 1' en 'specifieke vorm van agrarisch - 2' bebouwing ten behoeve van de huisvesting van dieren wordt opgericht, moet aangetoond zijn dat ter plaatse sprake is van een duurzame locatie.