Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1187

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
201608066/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:4984, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2015 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het verwijderen van gebrandschilderde ramen uit het pand aan de [locatie 1] te Deurne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608066/1/A1.

Datum uitspraak: 11 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Deurne,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 september 2016 in zaak nr. 16/1610 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2015 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het verwijderen van gebrandschilderde ramen uit het pand aan de [locatie 1] te Deurne.

Bij besluit van 5 april 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 12 september 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2017, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. R.E.H.G. Paping-Driessen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het pand aan de [locatie 1] te Deurne is een monument. De voorzitter van het bestuur van de parochie Heilige Willibrord Deurne heeft vergunning gevraagd voor het verwijderen van de gebrandschilderde ramen boven de voordeur van het pand. De ramen zijn eigendom van de parochie. Bij het besluit van 15 oktober 2015 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

    Sinds 27 november 2015 is [appellant] geen eigenaar meer van het pand. Hij woont voorts niet in de directe omgeving van het pand.

2.    Het college heeft de bezwaren van [appellant] tegen het besluit van 15 oktober 2015 niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] volgens het college geen belanghebbende is. Het door [appellant] in bezwaar opgegeven correspondentieadres bevindt zich op een afstand van ongeveer 800 m van het pand en vanaf dat adres bestaat geen zicht op het pand. Voorts is het college niet gebleken van andere feiten of omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat [appellant] een eigen, persoonlijk en rechtstreeks bij het besluit betrokken belang heeft.

3.    De rechtbank komt eveneens tot de conclusie dat [appellant] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Zij overweegt daartoe dat, gezien het onderzoek van het college en de nadere toelichting ter zitting, aannemelijk is geworden dat [appellant] weliswaar in de Basis Registratie Personen staat ingeschreven op het adres [locatie 1] te Deurne, maar dat hij daar niet woont en dat het pand leeg staat. Op het correspondentieadres [locatie 2] te Deurne wordt [appellant] op grond van het zicht- en afstandscriterium ook niet rechtstreeks in zijn belang geraakt. Hij heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat desondanks een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt, aldus de rechtbank.

Procedure

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank te laat ingediende stukken van het college heeft meegewogen, terwijl zijn verzoek om meer tijd niet gehonoreerd is.

4.1.    De stukken waar [appellant] op doelt zijn het verweerschrift en een bijlage bij het verweerschrift.

    Bij brief van 24 augustus 2016 heeft [appellant] de rechtbank verzocht om het verweerschrift ter zijde te schuiven en een nieuwe zitting te plannen. Hij vermeldt daarbij dat hij inmiddels een andere afspraak heeft gemaakt, omdat hij een zitting, gelet op de tot dan aanwezige stukken, overbodig achtte.

    De rechtbank heeft dit verzoek niet ingewilligd.

4.2.    Blijkens het dossier van de rechtbank zijn het verweerschrift en de daarbij behorende bijlage tijdig bij de rechtbank ingediend. Dat [appellant] ervoor heeft gekozen om niet bij de behandeling van zijn beroep aanwezig te zijn, komt voor zijn risico. De rechtbank heeft geen bepalingen van afdeling 8.2.5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) of beginselen van een behoorlijke procedure geschonden door de zaak ter zitting te behandelen.

4.3.    Het betoog faalt.

Belanghebbende

5.    [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen persoonlijk belang bij de verleende omgevingsvergunning heeft. Hij is eigenaar geweest van het pand en heeft daar sinds 1988 gewoond en gewerkt. Hij is voorts al ruim 20 jaar gebruiker van de percelen K1651 en 1652, die grenzen aan en direct zicht hebben op het pand. Hij acht het onbegrijpelijk dat hij niet-ontvankelijk is verklaard op grond van een correspondentieadres. Daarnaast wijst hij erop dat het algemene belang in het geding is, omdat het verlenen van de vergunning neerkomt op vernieling van een rijksmonument. Ter zitting heeft [appellant] hieraan toegevoegd dat hij van plan is om het pand weer te kopen.

5.1.    Artikel 8:1 van de Awb bepaalt:

"Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."

    Artikel 7:1, eerste lid, bepaalt:

"Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken […].

    Artikel 1:2, eerste lid, bepaalt:

"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

5.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1546), heeft de wetgever de eis van een rechtstreeks belang gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

5.3.    De Afdeling begrijpt dat [appellant] zich betrokken voelt bij het besluit tot vergunningverlening, nu hij eigenaar van het pand is geweest en daarin vele jaren heeft gewoond en gewerkt. Een gevoel van persoonlijke betrokkenheid bij een besluit is echter onvoldoende objectief om een rechtstreeks bij dat besluit betrokken belang aan te nemen.

    Perceel K1651 ligt achter het perceel van [locatie 1] en is blijkens door het college overgelegde foto’s geheel begroeid. Perceel K1652 is een stukje grond naast de inrit van [locatie 1]. [appellant] is geen eigenaar van deze percelen. Dat hij de percelen van de eigenaar mag gebruiken voor het plaatsen van spullen en het parkeren van zijn auto, zoals hij stelt, maakt niet dat hij een persoonlijk belang heeft dat hem van anderen onderscheidt die zich in de omgeving van het pand begeven. Ook het belang dat [appellant] stelt te hebben bij bescherming van monumenten levert niet een voldoende objectief en actueel belang op dat hem in voldoende mate onderscheidt van vele andere natuurlijke personen. Hij wordt in zoverre derhalve evenmin in een persoonlijk belang geraakt.

    [appellant] heeft in deze procedure niet bekend gemaakt waar hij woont. Het college en de rechtbank hebben daarom uit een oogpunt van zorgvuldigheid beoordeeld of vanaf het door hem opgegeven correspondentieadres zicht op het pand [locatie 1] bestaat. Dat dit niet het geval is, heeft mede bijgedragen aan de conclusie dat [appellant] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

    Ten slotte is de enkele wens om het pand te kopen onvoldoende om aan te nemen dat [appellant] een concreet en actueel belang heeft dat rechtstreeks bij het besluit tot vergunningverlening is betrokken.

5.4.    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Visser

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018

148.