Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1179

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
201704492/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding Camping Zeeburg - herstel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704492/1/R1.

Datum uitspraak: 11 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Amsterdam,

en

de raad van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding Camping Zeeburg - herstel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Camping Zeeburg B.V. (hierna: Camping Zeeburg) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2018, waar [appellant] en anderen, bij monde van [appellant], vergezeld door [3 appellanten], bijgestaan door mr. M.A. Schricker, advocaat te Amsterdam, en mr. R. Timmers, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman en drs. F. van Vliet, werkzaam bij Bureau Waardenburg B.V., adviesbureau voor ecologie en landschap, zijn verschenen. Voorts is Camping Zeeburg, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 30 september 2015 is het bestemmingsplan "Uitbreiding Camping Zeeburg" vastgesteld, waarmee een uitbreiding aan de zuidoostzijde van Camping Zeeburg mogelijk wordt gemaakt door middel van het aanplempen van land en de realisatie van een eiland. Bij uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2508, heeft de Afdeling dit bestemmingsplan gedeeltelijk vernietigd, omdat aan een deel van de gronden in strijd met artikel 19, eerste lid, onder c, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening, vastgesteld door provinciale staten van Noord-Holland (hierna: PRV), zoals deze destijds luidde, de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" was toegekend, terwijl dit deel van de gronden was aangewezen als ecologische verbindingszone (hierna: EVZ). Inmiddels heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland de PRV bij besluit van 20 december 2016 gewijzigd en de grens van de EVZ verlegd.

2.    Met het onderhavige plan wordt beoogd het gebrek in het besluit van 30 september 2015 te herstellen en wordt de uitbreiding aan de zuidoostzijde van Camping Zeeburg mogelijk gemaakt. Aan het merendeel van de gronden in het plangebied is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend. De buitenste rand van het plangebied heeft grotendeels de bestemming "Water".

3.    [appellant] en anderen wonen in woonboten aan de Diemerzeedijk. Zij kunnen zich niet met onderhavig plan verenigen nu een deel van de uitbreiding van de camping nog steeds is gelegen binnen de EVZ en de EVZ volgens hen nog altijd in gevaar is, ook waar de camping buiten de EVZ ligt. Daarnaast is volgens [appellant] en anderen ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: MER) opgesteld ten behoeve van het plan en is het plan in strijd met de Structuurvisie Amsterdam 2040 (hierna: Structuurvisie).

Toetsingskader

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ontvankelijkheid

5.    Camping Zeeburg stelt dat het beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat [appellant] en anderen geen belanghebbenden zijn bij het plan nu hun woonboten niet als zodanig in een bestemmingsplan zijn bestemd.

5.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

    Artikel 8:1 luidt: "Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."

5.2.    Voor de beantwoording van de vraag of [appellant] en anderen belanghebbenden zijn, is bepalend of zij feitelijke gevolgen kunnen ondervinden van het plan. Nu [appellant] en anderen aan de Diemerzeedijk wonen, direct naast het plangebied, valt op voorhand niet uit te sluiten dat [appellant] en anderen feitelijke gevolgen kunnen ondervinden van de uitbreiding van de camping. Dat de woonboten van [appellant] en anderen niet als zodanig zijn bestemd doet niet af aan dit oordeel.

    Het betoog van Camping Zeeburg inzake de ontvankelijkheid faalt.

Wijziging van de grenzen van de EVZ

6.    [appellant] en anderen voeren aan dat een deel van de uitbreiding van de camping nog steeds is gelegen binnen de EVZ en dat de EVZ nog altijd in gevaar is, ook waar de camping buiten de EVZ ligt. Het aanplempen van land, benodigd voor het uitbreiden van de camping, zal volgens [appellant] en anderen per definitie leiden tot afbreuk van de kenmerken en waarden van de EVZ. [appellant] en anderen stellen hiertoe dat het gebied op grond van artikel 19, eerste lid, onder a, van de PRV moet worden bestemd als "Natuur", nu de natuurfunctie al geruime tijd is gerealiseerd rondom de ligplaatsen van hun woonboten. Daarnaast dient het plan volgens [appellant] en anderen te worden getoetst aan artikel 19, derde lid, aanhef en onder a, van de PRV, hetgeen niet is gebeurd.

    Verder hebben [appellant] en anderen ter zitting gesteld dat artikel 3, lid 3.3.2, en artikel 4, lid 4.3.2, van de planregels niet handhaafbaar zijn en dat daarom niet zeker is of de voorziene natuurvriendelijke oever wel zal worden gerealiseerd.

    [appellant] en anderen stellen voorts dat - ten onrechte - wordt voorzien in de uitbreiding van de camping, terwijl de nabij gelegen ligplaatsen van hun woonboten nu juist vanwege de ligging ten opzichte van de EVZ in de bestemmingsplannen "Het Nieuwe Diep 2012" en "Eerste Herziening Het Nieuwe Diep 2012" niet als zodanig zijn bestemd. Het verzoek van de raad aan de provincie Noord-Holland om de grenzen van de EVZ te verleggen naar aanleiding van de uitspraak van 21 september 2016, laat volgens [appellant] en anderen zien dat de procedures tussen [appellant] en anderen en de raad, door de raad op oneigenlijke wijze zijn gevoerd, nu de EVZ steeds één van de primaire argumenten van de raad was tegen de woonboten. Er is volgens [appellant] en anderen dan ook sprake van détournement de pouvoir en misbruik van het (proces)recht. Nu de grenzen van de EVZ zijn verplaatst mag de raad, volgens [appellant] en anderen, de verplaatsing van hun woonboten niet doorzetten, nu deze ook niet meer als storend element kunnen worden gekwalificeerd in de omgeving. [appellant] en anderen stellen voorts dat de raad in strijd heeft gehandeld met het beginsel van fair play, nu de raad ervoor gekozen heeft om hen niet gelijkwaardig te behandelen.

6.1.    Artikel 19 van de PRV, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan, luidt als volgt:

"1. Voor de gronden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan, als Ecologische Hoofdstructuur en als Ecologische Verbindingszone, geldt dat:

a. dat een bestemmingsplan de gronden als ‘natuur’ bestemt, indien de natuurfunctie reeds is gerealiseerd;

[…]

c. een bestemmingsplan geen bestemmingen en regels bevat die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van de Ecologische Hoofdstructuur en de Ecologische Verbindingszone significant aantasten;

[…]

3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in:

a. nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten voor zover:

1. er sprake is van een groot openbaar belang;

2. er geen reële andere mogelijkheden zijn en;

3. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd of;

[…]."

6.2.    In onderhavig plan is het volgende bepaald:

"Artikel 3 Recreatie - Verblijfsrecreatie

[…]

3.2 Bouwregels

3.2.1 Algemeen

Op en onder de in 3.1 genoemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming.

[…]

3.3 Specifieke gebruiksregels

[…]

3.3.2 Oevers

Het kampeerterrein mag uitsluitend worden gerealiseerd indien minimaal 90% van de lengte van nieuw aan te leggen oevers wordt aangelegd als natuurvriendelijke oever, waarbij de natuurvriendelijke oever een breedte heeft van minimaal 8 meter, waarvan 4 meter te realiseren op gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en 4 meter op gronden met de bestemming "Water".

3.3.3 Verharding

De gronden binnen deze bestemming mogen voor maximaal 5% worden verhard, waartoe het oppervlakte van de bruggen wordt meegeteld.

[…]

3.3.6 Watergang

Het kampeerterrein mag uitsluitend worden gerealiseerd als tussen het gedeelte van het bestemmingsvlak waar voertuigen voor recreatief nachtverblijf wel zijn toegestaan en het gedeelte waar deze voortuigen niet zijn toegestaan, een watergang wordt gerealiseerd met een minimale breedte van 6 meter.

[…]

Artikel 4 Water

[…]

4.2 Bouwregels

4.2.1 Algemeen

op en onder de in 4.1 genoemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming.

[…]

4.3.2 Oevers

Het kampeerterrein mag uitsluitend worden gerealiseerd indien minimaal 90% van de lengte van nieuw aan te leggen oevers wordt aangelegd als natuurvriendelijke oever, waarbij de natuurvriendelijke oever een breedte heeft van minimaal 8 meter, waarvan 4 meter te realiseren op gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en 4 meter op gronden met de bestemming "Water"."

6.3.    Voor zover het betoog van [appellant] en anderen met betrekking tot de ligplaatsen van hun woonboten aldus moet worden begrepen dat deze volgens hen ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, de betreffende ligplaatsen buiten het plangebied liggen en derhalve niet aan de orde zijn in de onderhavige procedure. Hetzelfde geldt ten aanzien van de gevoerde procedures met betrekking tot de betreffende ligplaatsen.

    Het betoog faalt.

6.4.    Voor zover [appellant] en anderen betogen dat artikel 3, lid 3.3.2, en artikel 4, lid 4.3.2, van de planregels niet handhaafbaar zijn, overweegt de Afdeling dat deze planregels voldoende duidelijk zijn. De Afdeling volgt het betoog van [appellant] en anderen dan ook niet. Voor zover de natuurvriendelijke oever niet zou worden gerealiseerd, betreft dat een kwestie van handhaving die niet in deze procedure aan de orde kan komen.

    Het betoog faalt.

6.5.    Voor zover het betoog van [appellant] en anderen ziet op de gronden die niet zijn aangewezen als EVZ of ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) overweegt de Afdeling, zoals zij reeds eerder heeft overwogen in rechtsoverweging 4.5.1 van de uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2508, dat artikel 19 van de PRV niet van toepassing is op gronden die buiten de EHS en de EVZ liggen.

    Dat artikel 19 van de PRV niet van toepassing is op de gronden buiten de EHS en de EVZ, betekent echter niet dat de raad bij de vaststelling van het plan geen rekening behoefde te houden met de ligging van deze gronden ten opzichte van de EHS en de EVZ. De afwegingen die de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te maken brengen immers ook met zich dat de gevolgen van het plan niet onaanvaardbaar voor de omgeving moeten zijn. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd biedt naar het oordeel van de Afdeling echter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan ten aanzien van de gronden die niet zijn aangewezen als EHS of EVZ onvoldoende rekening heeft gehouden met de ligging daarvan ten opzichte van de EVZ en de EHS. Hierbij acht de Afdeling van belang dat in de planregels verschillende vereisten zijn opgenomen met als doel het waarborgen van de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS en de EVZ. Zo mogen de gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" voor slechts 5% worden verhard, dient tussen de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - voertuigen" en het resterende gedeelte van het plangebied een watergang te worden gerealiseerd van minimaal 6 m breed, mogen in het plangebied geen gebouwen worden opgericht en dient minimaal 90% van de lengte van nieuw aan te leggen oevers te worden aangelegd als natuurvriendelijke oever, waarbij de natuurvriendelijke oever een breedte heeft van minimaal 8 m, waarvan 4 m te realiseren op gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en 4 m op gronden met de bestemming "Water".

    Het betoog faalt.

6.6.    Vast staat dat het plangebied niet in de EHS ligt. De Afdeling overweegt dat een strook grond in het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied is aangewezen als EVZ. Hierover overweegt de Afdeling in het kader van artikel 19 van de PRV het volgende. Het doel van de EVZ is de inrichting van een doorgaande verbinding voor land- en oevergebonden dieren zoals kleine zoogdieren, amfibieën en reptielen. De EVZ is primair bedoeld voor diersoorten die gebruik maken van oevers en natte natuur. Om dit doel te realiseren is het gewenst dat over de gehele te overbruggen lengte met riet begroeide en onverstoorde oevers aanwezig zijn. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat ten behoeve van dit doel een aantal rieteilanden is aangelegd waarover de dieren zich kunnen verplaatsen. Volgens de raad was het dan ook de bedoeling dat de EVZ deze rieteilanden zou volgen. Door provinciale staten is echter op de bij de PRV behorende kaart een min of meer rechte lijn getrokken, waardoor één rieteiland er net buiten ligt en een strook van de uitbreiding van de camping er net binnen, aldus de raad. De raad stelt zich op het standpunt dat het feit dat de camping voor een zeer beperkt deel valt binnen gronden die, juridisch gezien, binnen de EVZ vallen, niet leidt tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de EVZ, omdat de dieren ook na uitbreiding van de camping van de reeds daartoe aangelegde rieteilandjes, waarmee feitelijk invulling is gegeven aan de EVZ, gebruik kunnen maken. Dit is ter zitting bevestigd door een medewerker van Bureau Waardenburg B.V. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich niet ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld, omdat - anders dan ten tijde van de vaststelling van het plan "Uitbreiding Camping Zeeburg" - de EVZ niet in zijn geheel wordt onderbroken. Het herstelplan staat er niet aan in de weg dat de dieren gebruik kunnen maken van de rieteilandjes als EVZ zonder over de uitbreiding van de camping heen te hoeven. Voorts wordt een natuurvriendelijke oever van 8 m breed met landriet en waterriet gerealiseerd waarvan de dieren die wel over de camping gaan gebruik kunnen maken bij hun migratie. Weliswaar zal de gebruiksintensiteit van de strook grond door mensen toenemen, maar niet aannemelijk is dat daardoor, gelet op het bovenstaande, het doel van de EVZ niet kan worden gerealiseerd. Verder is van belang dat de provincie met de aanleg van de rieteilanden te kennen heeft gegeven dat het ook voor de provincie de bedoeling is dat de dieren zich verplaatsen van rieteiland naar rieteiland en dat de uitbreiding van de camping dus geen onderbreking oplevert van deze route.

    Naar het oordeel van de Afdeling is er, gelet op het vorenstaande, geen sprake van een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de EVZ.

    Het betoog faalt.  

6.7.    Nu het plan in overeenstemming is met artikel 19, eerste lid, van de PRV, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet hoefde te worden getoetst aan artikel 19, derde lid, aanhef en onder a, van de PRV.

    Het betoog faalt.

Milieu

7.    [appellant] en anderen voeren aan dat ten onrechte geen MER is opgesteld ten behoeve van dit bestemmingsplan, nu een passende beoordeling noodzakelijk is. Verder voeren [appellant] en anderen aan dat de raad zich ten onrechte heeft gebaseerd op de vormvrije m.e.r.-beoordeling die in het kader van het plan "Uitbreiding Camping Zeeburg" is gedaan, nu de EVZ na vaststelling van dat plan verlegd is. De raad had volgens [appellant] en anderen een nieuwe vormvrije m.e.r.-beoordeling moeten uitvoeren, waaruit volgens hen zou volgen dat het plan aanzienlijke gevolgen voor het milieu kan hebben en dat dus een MER moet worden opgesteld.

7.1.    Artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) luidt als volgt:

"Bij algemene maatregel van bestuur worden activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben."

    Artikel 2 van het Besluit milieueffectrapportage luidde ten tijde van belang als volgt:

"1. […].

2. Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de wet worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven […].

3. […].

4. Als categorieën van besluiten als bedoeld in artikel 7.2, derde en vierde lid, van de wet, worden aangewezen de categorieën die in kolom 4 van […] onderdeel D van de bijlage zijn omschreven.

5. […] Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de wet:

a. in zodanige gevallen en

b. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Hiervan zijn uitgezonderd de categorieën D 49.1, D 49.2 en D 49.3 van de bijlage bij dit besluit.

6. Voor de vaststelling of een activiteit valt binnen de in het vijfde lid bedoelde categorieën van gevallen, wordt de totale activiteit beschouwd, inclusief eventuele grensoverschrijdende onderdelen."

    In onderdeel D, categorie 10, is als activiteit zoals hierboven bedoeld vermeld: De aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente kampeer- en caravanterreinen.

    In kolom 4 is bij deze categorie het bestemmingsplan aangewezen als besluit waarvoor de m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.

7.2.    Artikel 7.2a, eerste lid, van de Wm luidt als volgt:

"Een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijk of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt (lees: op grond van) artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming."

    Artikel 2.7, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) luidt als volgt:

"Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid."

    Artikel 2.8 van de Wnb luidt als volgt:

"1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, […], maakt het bestuursorgaan, […], een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

[…]

4. In afwijking van het derde lid, kan ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden vastgesteld, […], indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er zijn geen alternatieve oplossingen;

b. het plan, […], bedoeld in het eerste lid, is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en

c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

[…]."

7.3.    De in het geding zijnde activiteit valt niet onder artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wm. Verder valt de activiteit niet onder artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, nu, zoals de raad terecht stelt, niet wordt voldaan aan de zogenoemde drempelwaarden die zijn vervat in onderdeel D, categorie 10, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. [appellant] en anderen hebben dit ter zitting ook erkend. Camping Zeeburg is, gelet op het voorgaande, niet aan te merken als m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van de Wm.

7.4.    Hoewel de drempelwaarden niet worden overschreden, dient de raad ingevolge artikel 2, vijfde lid, van het Besluit milieueffectrapportage aan de hand van de selectiecriteria zoals bedoeld in bijlage III van de richtlijn 85/337/EEG, thans richtlijn 2011/92/EU, te bezien of kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In hoofdstuk 5 van de plantoelichting wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van de toelichting bij het plan "Uitbreiding Camping Zeeburg". De in dat hoofdstuk opgenomen toelichting op het aspect vormvrije m.e.r.-beoordeling is volgens de toelichting nog actueel, nu de conclusies ten aanzien van de milieuaspecten ongewijzigd en onverminderd valide zijn voor het onderhavige plan. De conclusie van die vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat de uitbreiding van de camping geen nadelige gevolgen voor het milieu heeft. De Afdeling overweegt dat niet is gebleken dat zich zodanige veranderingen hebben voorgedaan, dat bij de vaststelling van het onderhavige plan niet meer kon worden uitgegaan van de conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling die is gedaan in het kader van het plan "Uitbreiding Camping Zeeburg". De enkele stelling dat de EVZ verlegd is, is onvoldoende, nu deze stelling, gelet op hetgeen is overwogen onder 6.6, niet leidt tot het oordeel dat de uitbreiding van de camping aanzienlijke milieugevolgen kan hebben.

    Het betoog faalt.

7.5.    Voor zover [appellant] en anderen betogen dat op grond van artikel 7.2a, eerste lid, van de Wm en artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb, een MER en passende beoordeling moeten worden opgesteld overweegt de Afdeling als volgt.

    Een plan kan zonder passende beoordeling worden vastgesteld als op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan op zichzelf of in combinatie met andere plannen en projecten significante effecten op een Natura 2000-gebied heeft.

    Onder verwijzing naar het rapport "Natuurtoets uitbreiding Camping Zeeburg" van 11 juni 2015 dat in het kader van het bestemmingsplan "Uitbreiding camping Zeeburg" door Bureau Waardenburg B.V., (hierna: het ecologisch rapport) is opgesteld, stelt de raad zich op het standpunt dat negatieve effecten als gevolg van het plan op het Natura 2000-gebied Markermeer en IJmeer zijn uit te sluiten, nu de camping op meer dan 1.300 m ligt van het Natura 2000-gebied Markermeer en IJmeer en tussen de camping en het Natura 2000-gebied de A10 en de wijk IJburg liggen. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen reden de conclusie van het ecologisch rapport dat negatieve effecten op het Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, niet te volgen. Daarbij is van belang dat [appellant] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de verlegging van de EVZ effect heeft op deze conclusie. Gelet hierop behoefde geen passende beoordeling zoals bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb te worden gemaakt.

    De Afdeling overweegt dat de uitbreiding van Camping Zeeburg, gelet op het voorgaande, niet is aan te merken als m.e.r.-plichtige activiteit als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid, van de Wm.

    Het betoog faalt.

Hoofdgroenstructuur

8.    [appellant] en anderen voeren aan dat het plan in de Hoofdgroenstructuur als onderdeel van de Structuurvisie ligt, dat het daarmee in strijd is en dat het plan voorzien had moeten zijn van een advies van de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (hierna: TAC), nu elk plan afzonderlijk moet worden voorgelegd aan de TAC en de EVZ verlegd is na vaststelling van het plan "Uitbreiding Camping Zeeburg". Daarnaast is het plan volgens [appellant] en anderen niet inpasbaar in de Hoofdgroenstructuur, nu het uitgangspunt is behoud van het groene karakter en typologie van het gebied. [appellant] en anderen stellen dat uitbreiding van de camping door het aanplempen van land geen inpasbare voorziening is voor het groentype "corridor", zoals de omgeving van het Nieuwe Diep in de Structuurvisie wordt bestempeld.

8.1.    In bijlage 10 en 11 behorend bij het bestemmingsplan zijn twee positieve adviezen van de TAC opgenomen. Het eerste advies van februari 2014 is gevraagd ten behoeve van het ontwerpbestemmingsplan "Uitbreiding Camping Zeeburg" en het tweede advies van juni 2015 is gevraagd ten behoeve van een aanpassing in het bestemmingsplan "Uitbreiding Camping Zeeburg".

8.2.    Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat volgens de Structuurvisie elk afzonderlijk plan in de Hoofdgroenstructuur dient te worden voorgelegd aan de TAC, overweegt de Afdeling dat de raad onbestreden heeft gesteld dat de ongewijzigde campinguitbreiding ook in het bestemmingsplan "Uitbreiding Camping Zeeburg" was opgenomen en dat de TAC daartegen geen bezwaren heeft geuit. De verlegging van de EVZ heeft geen invloed op de conclusie of de uitgangspunten van het advies van de TAC, nu de verlegde EVZ ter plaatse van de uitbreiding van de camping niet in de Hoofdgroenstructuur ligt. In de enkele stellingen dat het uitgangspunt behoud van het groene karakter en typologie van het gebied is en het aanplempen van land geen inpasbare voorziening is voor het groentype "corridor", ziet de Afdeling eveneens geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het advies van de TAC op verkeerde uitgangspunten berust en de raad zich daarop niet had mogen baseren.

    Het betoog faalt.

Conclusie

9.    Het beroep is ongegrond.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Van Loo

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018

418-849.