Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1162

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
201609219/5/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 2 maart 2017 heeft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening getroffen dat het besluit van de raad van 13 oktober 2016, kenmerk 2016/9224, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Geluidzone Industrieterrein Oude Rijn", voor zover het betreft het plandeel met de aanduiding "geluidzone - gezoneerd industrieterrein - verwijderd" dat ziet op de gronden die liggen in het plangebied van het op 13 oktober 2016 vastgestelde bestemmingsplan "Omgevingsplan Rijnhaven Oost", wordt geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609219/5/R3.

Datum uitspraak: 6 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:

Steevast Beheermaatschappij B.V. en [verzoeker] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: Steevast), gevestigd en wonend te Alphen aan den Rijn,

verzoekers,

om opheffing of wijziging (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb) van de bij uitspraak van 2 maart 2017, in zaak nr. 201609219/3/R3, getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen:

[bedrijf A] en [bedrijf B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [bedrijf]), gevestigd te Alphen aan den Rijn,

en

de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn,

verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 2 maart 2017 heeft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening getroffen dat het besluit van de raad van 13 oktober 2016, kenmerk 2016/9224, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Geluidzone Industrieterrein Oude Rijn", voor zover het betreft het plandeel met de aanduiding "geluidzone - gezoneerd industrieterrein - verwijderd" dat ziet op de gronden die liggen in het plangebied van het op 13 oktober 2016 vastgestelde bestemmingsplan "Omgevingsplan Rijnhaven Oost", wordt geschorst.

Bij brief van 15 februari 2018, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2018, heeft Steevast de voorzieningenrechter verzocht deze voorlopige voorziening op te heffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 maart 2018, waar Steevast, vertegenwoordigd door [verzoeker], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van der Velden, advocaat te Breda, mr. E.D. Poot en M. Magnin, zijn verschenen. Verder is [bedrijf], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. ing. L.J. Wildeboer, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.

    Ingevolge het tweede lid kan een belanghebbende die door de voorlopige voorziening rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen, een verzoek om opheffing of wijziging doen.

3.    In de uitspraak van 2 maart 2017 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de raad met het plan de status van gezoneerd industrieterrein onder meer heeft laten vervallen ter plaatse van de percelen van [bedrijf] aan de [locaties] te Alphen aan den Rijn en een om die percelen heen gelegen gebied, waardoor het bedrijf van [bedrijf] niet langer op een gezoneerd industrieterrein ligt. De voorzieningenrechter heeft verder overwogen dat [bedrijf] stelt dat haar bedrijfsvoering en uitbreidingsplannen worden belemmerd, wanneer haar bedrijf niet langer op een gezoneerd industrieterrein is gelegen, waarbij zij heeft gewezen op de normen voor geluid waaraan zij zal moeten voldoen, te weten de normen die zijn opgenomen in het bestemmingsplan "Omgevingsplan Rijnhaven Oost", Die zorgen voor een strenger geluidregime, waaraan [bedrijf] volgens haar niet zal kunnen voldoen. Voorts heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de raad bij brief van 26 januari 2017 heeft meegedeeld dat hij onder meer in de door [bedrijf] ingediende stukken aanleiding ziet om één of meer besluiten voor te bereiden om de door de raad geconstateerde gebreken te herstellen. Dit besluit of deze besluiten zullen volgens de raad slechts zien op het plangebied van het plan "Omgevingsplan Rijnhaven Oost". De raad stelt in die brief in te kunnen stemmen met schorsing van het plan "Geluidzone Industrieterrein Oude Rijn", voor zover het het plandeel betreft dat ziet op de gronden die liggen in het plangebied van het plan "Omgevingsplan Rijnhaven Oost".

    Gezien het voorgaande heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de raad zich ten aanzien van het hiervoor genoemde plandeel op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven. De voorzieningenrechter heeft daarom geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het verzoek van [bedrijf] is daarom toegewezen. De voorzieningenrechter heeft bij wijze van voorlopige voorziening het plan geschorst, voor zover het betreft het plandeel met de aanduiding "geluidzone - gezoneerd industrieterrein - verwijderd" dat ziet op de gronden die liggen in het plangebied van het op 13 oktober 2016 vastgestelde bestemmingsplan "Omgevingsplan Rijnhaven Oost".

4.    Steevast voert in haar verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening aan dat zij eigenaar is van de gronden gelegen tussen de Stuyvesantlaan, Prinses Margrietlaan, Van Foreestlaan en het Heempad te Alphen aan den Rijn. Zij wil op deze gronden woningbouw realiseren. Zij wijst er daarbij op dat er een woningtekort is in Alphen aan den Rijn. Omdat zij verder als gevolg van de schorsing niet kan beginnen met deze woningbouw, heeft de schorsing bovendien voor haar financiële implicaties. Volgens Steevast ligt de locatie van de woningbouw op ruime afstand van het diervoederbedrijf van [bedrijf], zodat volgens haar [bedrijf] hiervan geen hinder zal ondervinden in haar bedrijfsvoering. Steevast vindt dan ook dat een redelijke belangenafweging meebrengt dat de schorsing van het plan wordt opgeheven.

5.    De voorzieningenrechter stelt vast dat de kortste afstand tussen de gronden van het diervoederbedrijf van [bedrijf] en de door Steevast genoemde woningbouwlocatie ongeveer 270 m bedraagt. Verder heeft [bedrijf] ten aanzien van het plan "Omgevingsplan Rijnhaven Oost", vastgesteld op 23 november 2017, verzocht een voorlopige voorziening te treffen, waarbij een deel van het plan, namelijk dat deel dat ziet op een zone van ongeveer 200 m rond haar bedrijfslocatie, wordt geschorst. Op dit verzoek is beslist bij uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2018:1158. De voorzieningenrechter heeft een voorlopige voorziening getroffen.

Gelet op hetgeen in die uitspraak is overwogen, de afstand tussen het diervoederbedrijf van [bedrijf] en de woningbouwlocatie van Steevast en de door Steevast genoemde belangen, ziet de voorzieningenrechter, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding om het verzoek van Steevast toe te wijzen. Daarbij acht de voorzieningenrechter ook van belang dat [bedrijf] en de raad ter zitting hebben aangegeven zich daarmee ook te kunnen verenigen.

6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    heft de voorlopige voorziening, getroffen bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 maart 2017, in zaak nr. 201609219/3/R3, op;

II.    gelast dat de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn aan Steevast Beheermaatschappij B.V. en [verzoeker] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) voor de behandeling van het verzoek vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Lap

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2018

288-817.