Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:114

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
201702001/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:275, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2015 heeft de korpschef van politie de aanvraag van [appellant] voor een jachtakte afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702001/1/A3.

Datum uitspraak: 17 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 januari 2017 in zaak nr. 15/4505 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de minister van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2015 heeft de korpschef van politie de aanvraag van [appellant] voor een jachtakte afgewezen.

Bij besluit van 1 oktober 2015 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 januari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.S. van Zandbergen, advocaat te Drachten, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R. Faasse, zijn verschenen. Voorts is de korpschef van politie, vertegenwoordigd door mr. M. van der Werf, verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft op 7 oktober 2014 een aanvraag ingediend ter verkrijging van een jachtakte voor het jachtseizoen 2014-2015. Bij het besluit van 3 februari 2015 heeft de korpschef de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft hij onder meer een mutatierapport van 19 november 2014 ten grondslag gelegd waarin wordt gerapporteerd dat de indruk is ontstaan dat bij [appellant] veel opgekropte agressie aanwezig is die leidt tot stressvolle omstandigheden. Ten aanzien van [appellant] is volgens de korpschef onvoldoende gebleken dat aan hem wapens en munitie toevertrouwd kunnen worden. Gelet op de uitingen van frustratie en agressie stelt de korpschef zich op het standpunt dat risicofactoren aanwezig zijn. De korpschef heeft voldoende aanleiding aanwezig geacht om aan te nemen dat [appellant] van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben misbruik zal maken of een gevaar vormt voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid. De staatssecretaris heeft het besluit van de korpschef, naar aanleiding van het ingestelde beroep, gehandhaafd en heeft aan de motivering toegevoegd dat [appellant], zoals blijkt uit een mutatierapport van 5 april 2012, op 3 maart 2012 een politieambtenaar heeft aangevallen en geslagen.

De aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris mocht concluderen dat in ieder geval geringe twijfel bestaat aan het kunnen toevertrouwen van het voorhanden hebben van wapens en munitie aan [appellant]. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris in redelijkheid kunnen overgaan tot afwijzing van de aanvraag van een jachtakte. Aan het door [appellant] overgelegde psychiatrische rapport van Van Breugel en Lugtmeijer wordt niet de waarde toegekend die [appellant] graag zou zien, aangezien uit dit rapport niet blijkt dat Van Breugel en Lugtmeijer bekend zijn met de problemen van [appellant]. Dat [appellant] volgens dit rapport geen psychiatrische stoornis heeft, behoefde geen beletsel te vormen voor de afwijzing van de aanvraag. Gelet op de situatie van [appellant], heeft de rechtbank geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat vrees voor misbruik van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben bestaat. De rechtbank is daarom van oordeel dat de staatssecretaris terecht het administratief beroep ongegrond heeft verklaard.

Het hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank onjuist heeft beoordeeld hoe hij tot het gedrag is gekomen dat hij vertoont en dat dit nadere aandacht verdient. Hoewel [appellant] zich verbaal laat horen, neemt hij nooit het heft in eigen handen. Dat hij al jaren een jachtakte heeft en dat nimmer incidenten hebben plaatsgevonden, maken duidelijk dat de vrees van de korpschef volgens [appellant] ongefundeerd is.

    [appellant] stelt zich op het standpunt dat het door de korpschef gebruikte mutatierapport van 19 november 2014 gefundeerd is op onjuiste feiten. [appellant] kende één van de verbalisanten en heeft zich eerder beklaagd over hem waardoor geen objectieve beoordeling heeft kunnen plaatsvinden.

    Het is voor [appellant] voorts onduidelijk waarom de rechtbank hem heeft toegelaten een aanvullende rapportage in het geding te brengen, als op voorhand duidelijk was dat de reeds bekende stukken tot de conclusie leiden dat afgifte van de jachtakte geweigerd zou worden. [appellant] ziet niet in waarom de rechtbank niet een aanvullend, op eigen initiatief geïnstigeerd onderzoek door een deskundige heeft laten plaatsvinden. Mocht de Afdeling van oordeel zijn dat het psychiatrische rapport onvoldoende zou zijn, verzoekt [appellant] om een deskundigenonderzoek te gelasten om de laatste twijfels weg te nemen.

3.1.    De staatssecretaris stelt dat de hoge mate van frustratie van [appellant], die tot uitdrukking komt in agressieve bewoordingen, voldoende is om te spreken van stressvolle omstandigheden. Voldoende vrees voor misbruik van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben is aanwezig. Dat [appellant] nooit het heft in eigen hand heeft genomen, neemt niet weg dat de jachtakte wordt geweigerd om te voorkomen dat dit alsnog in de toekomst zal voorkomen. De staatssecretaris acht geen grond aanwezig om de juistheid van het mutatierapport van 19 november 2014 in twijfel te trekken.

    Het psychiatrisch rapport geeft volgens de staatssecretaris onvoldoende aanleiding om een ander besluit te nemen. Uit het rapport blijkt niet dat de deskundigen op de hoogte waren van de situatie van [appellant], aldus de staatssecretaris. Tevens behoeft volgens de staatssecretaris aan een psychiatrisch rapport geen doorslaggevende betekenis te worden gegeven. Ook de nadere brief van Van Breugel geeft volgens de staatssecretaris onvoldoende aanleiding om alsnog over te gaan tot afgifte van de jachtakte.

Wettelijk kader

4.    Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.

Beoordeling van het hoger beroep

5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4079), bevindt degene aan wie een jachtakte zal worden verleend, zich in een uitzonderingspositie ten opzichte van de overige burgers, voor wie het algemene verbod op het voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie geldt. Deze uitzonderingspositie brengt mee dat in de toekomstige houder van een jachtakte het vertrouwen moet kunnen worden gesteld dat hij zich strikt aan de toepasselijke regels zal houden en dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken uitzondering is reeds voldoende grond om de jachtakte niet te verlenen.

5.1.    Ter zitting heeft [appellant] medegedeeld dat de verbalisant, die het mutatierapport van 19 november 2014 heeft opgesteld, een andere persoon betreft dan dat hij in eerste instantie dacht. De verwarring is inmiddels opgelost en [appellant] heeft medegedeeld dat hij zijn betoog op dit punt intrekt. De Afdeling zal hier dan ook niet inhoudelijk op ingaan.

5.2.    Uit het mutatierapport van 19 november 2014 blijkt dat de politieambtenaren opmerken dat [appellant] veel opgekropte agressie heeft. De uitlatingen die hij heeft gedaan en zijn opgenomen in het mutatierapport, neigden naar bedreigingen. Hoewel uit het psychiatrische rapport blijkt dat [appellant] geen psychologische stoornis heeft, valt hieruit wel af te leiden dat [appellant] dominant aanwezig kan zijn en fel is in zijn reacties die niet altijd doordacht lijken. Het mutatierapport van 5 april 2012, waaruit blijkt dat [appellant] een politieambtenaar heeft aangevallen en geslagen, bevestigt dit beeld. De rechtbank heeft op grond van deze gegevens terecht geoordeeld dat de staatssecretaris de indruk heeft mogen hebben dat [appellant], vanwege langlopende geschillen met diverse lokale overheden, onder psychische druk staat en dat om die reden vrees voor misbruik bestaat. Gezien de mutatierapporten en de indruk dat [appellant] onder psychische druk staat, heeft de staatssecretaris geringe twijfel aanwezig mogen achten aan het verantwoord kunnen omgaan met de te maken uitzondering op het verbod op het voorhanden hebben van wapens en munitie.

5.3.    Voor zover [appellant] verzoekt om een deskundige te benoemen, wijst de Afdeling op artikel 1.2 van de Cwm 2015, waarin staat beschreven dat het aan de aanvrager van een jachtakte is om een onderzoek te laten instellen naar de psychische gemoedstoestand. Uit dat onderzoek moet blijken dat de psychiater bekend is met de problemen van de aanvrager en dat die problemen niet (langer) een belemmering vormen om aan de aanvrager een vergunning te verlenen om wapens en munitie voorhanden te hebben. Ondanks dit onderzoek behoeft de staatssecretaris geen doorslaggevende betekenis te geven aan het onderzoek, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

    Uit het door [appellant] overgelegde psychiatrisch rapport blijkt echter niet dat de psychiater bekend was met de problemen van [appellant], zodat dit niet voldoet aan de in de Cwm 2015 gestelde eisen. De in de Cwm 2015 neergelegde bewijslastverdeling komt de Afdeling niet onredelijk voor. Nu de staatssecretaris, zoals hiervoor overwogen, de indruk mocht hebben dat [appellant] onder psychische druk staat en dat om die reden vrees voor misbruik bestaat, was het aan [appellant] om het tegendeel aannemelijk te maken. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2018

176-857. BIJLAGE

Flora- en Faunawet

Artikel 39

1. Een jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte wordt geweigerd indien:

(…)

e. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben misbruik zal maken of hierdoor een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen;

(…)

Circulaire wapens en munitie 2015 (Cwm 2015)

B 1.2. Invulling van het ‘vrees voor misbruik’ criterium

Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft.

Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.

Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering - ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State - voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).

Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.

Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.

Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:

a.  veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;

b.  andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

(…)

Algemeen

Vrees voor misbruik kan ook worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten.

In zijn algemeenheid geldt dat tegen een aanvrager (houder) bestaande bezwaren, voor zover daarvan niet reeds blijkt uit veroordelingen of opgemaakte processen-verbaal, alsnog in een rapport dienen te worden vastgelegd.

(…)

Psychische gesteldheid

In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die - door oorzaken van zowel interne, als externe aard - onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder - in tegenstelling tot de korpschef - van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd dan dient hij dit aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. Een dergelijke verklaring wordt dan in de beoordeling betrokken, maar daaraan hoeft niet altijd doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo mag van iemand die recent nog onder behandeling was in verband met zijn psychische gesteldheid, worden verwacht dat hij over een langere periode aantoont dat zijn psychische gesteldheid niet meer aan het bezit van wapens en munitie in de weg staat.

Risicofactoren betreffende de psychische gesteldheid van aanvragers of houders van een wapenverlof met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen zijn:

• Klinische factoren (psychische stoornis, verslaving, gedwongen opname, forensische zorg en suïcidale gedachten);

• Stressvolle omstandigheden (problemen in relationele sfeer, problemen in de arbeidssfeer of opleiding, gebrekkig sociaal steunsysteem en stressvolle levensomstandigheden);

• Specifieke kenmerken van de aanvrager (agressie, crimineel gedrag, impulsiviteit en zelfregulatie, zelfstandige handelingsbekwaamheid, fascinatie voor geweld, extreme uitingen en/of uitingen van radicalisering).

(…)

Relatie met de Flora- en Faunawet

Indien er grond is om aan te nemen dat van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben misbruik zal worden gemaakt dan wel dat de aanvrager hierdoor een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen, dan dient een gevraagde jachtakte te worden geweigerd (zie artikel 39, eerste lid, aanhef en onder e, van de Flora- en Faunawet).

(…)