Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1138

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
201703805/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "De Kamp 5-7 te Cothen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703805/1/R2.

Datum uitspraak: 4 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te Cothen, gemeente Wijk bij Duurstede,

en

de raad van de gemeente Wijk bij Duurstede,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "De Kamp 5-7 te Cothen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2018, waar [appellanten], en de raad, vertegenwoordigd door E. Harleman en M.G. Bensmann, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Weveo Holding B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in de mogelijkheid om op de percelen De Kamp 5-7 in Cothen binnen een bestaand kantoorpand vier woningen te realiseren en een nieuwe vrijstaande woning te bouwen. [appellanten] wonen ten noordwesten van het plangebied aan onderscheidenlijk [locatie A] en [locatie B] en kunnen zich niet met het plan verenigen.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beroep

3.    [appellanten] betogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat daarbij in strijd is gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij stellen dat het gemeentebestuur in vergelijkbare situaties heeft besloten geen planologische medewerking te verlenen, maar dat het gemeentebestuur altijd medewerking verleent aan de initiatieven van [gemachtigde] en zijn bedrijven. De gemeente is zodoende niet onpartijdig geweest bij de besluitvorming. Om deze reden heeft de raad bij de vaststelling van dit plan in strijd gehandeld met het beginsel van fair play en het verbod van willekeur, aldus [appellanten]. Zij wijzen ter ondersteuning van hun betoog onder meer op het bestemmingsplan "Zuidwijk" dat door de raad niet is vastgesteld wegens het gebrek aan draagvlak. Ook voor het voorliggende plan ontbreekt draagvlak volgens [appellanten]. Voorts heeft het gemeentebestuur in eerste instantie te kennen gegeven geen voorstander te zijn van de plannen van [gemachtigde] voor de percelen De Kamp 5-7. Door het plan desondanks vast te stellen heeft de raad volgens [appellanten] gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Ook overigens heeft het gemeentebestuur zich volgens hen herhaaldelijk niet onpartijdig opgesteld en niet de noodzakelijke openheid en eerlijkheid in acht genomen.

3.1.    De Afdeling stelt voorop dat voor zover [appellanten] betogen dat beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden in verband met de gehouden zogenoemde ‘ateliersessie’ van 28 oktober 2015, deze ateliersessie plaatsvond in het voortraject. Het traject voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Voor zover de betogen op dit voortraject zien kunnen deze daarom geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

    De Afdeling stelt voorts vast dat in de onderhavige procedure alleen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Kamp 5-7 te Cothen" voorligt. Dit plan heeft de wettelijke procedure doorlopen en belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen en in beroep te gaan. In hetgeen [appellanten] naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in de bestemmingsplanprocedure vanwege onpartijdigheid of oneerlijkheid heeft gehandeld in strijd met het beginsel van fair play dan wel het verbod van willekeur.

    Voor zover [appellanten] onder verwijzing naar het niet vastgestelde bestemmingsplan "Zuidwijk" betogen dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel overweegt de Afdeling dat die situatie zodanig verschilt met de hier aan de orde zijnde situatie dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daarbij is van belang dat het bestemmingsplan "Zuidwijk", anders dan het onderhavige plan, zou voorzien in de bouw van een woonwijk.

    Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel overweegt de Afdeling dat [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat geen bestemmingsplan zou worden vastgesteld dat de ontwikkeling mogelijk maakt waarin het voorliggende plan voorziet. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

    Het betoog faalt.

4.    [appellanten] betogen dat geen behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen. Volgens hen voorziet het plan, anders dan de raad stelt, niet in de bouw van starterswoningen, maar van eengezinswoningen. De vier appartementen in het voormalig kantoorpand zullen een woonoppervlak krijgen van ongeveer 120 m², zodat niet meer van starterswoningen kan worden gesproken, aldus [appellanten]. Zij wijzen daarbij op de nota van zienswijzen waaruit volgens hen volgt dat een overschot bestaat aan eengezinswoningen.

4.1.    De raad stelt dat de vier woningen in het voormalig kantoorpand elk een woonoppervlak van 105 m² zullen krijgen, rekening houdend met het schuine dak. Uit de gemeentelijke "Woonvisie gemeente Wijk bij Duurstede 2016-2021" (hierna: de Woonvisie) volgt volgens de raad dat behoefte bestaat aan gedifferentieerde nieuwbouw. Omdat het aanbod van woningen in dit plan gevarieerd is past het plan volgens de raad binnen deze visie.

4.2.    De raad heeft zich in redelijkheid onder verwijzing naar de  Woonvisie op het standpunt kunnen stellen dat er behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen. In de Woonvisie staat dat voornamelijk een behoefte bestaat aan sociale woningbouw, maar dat een gevarieerd en duurzaam aanbod van nieuwbouwwoningen in verschillende woonmilieus gewenst is. Dit om de doorstroming te bevorderen. In het verlengde hiervan is in paragraaf 3 opgenomen dat Wijk bij Duurstede inzet op de realisatie van 125 nieuwbouwwoningen per jaar, in de categorieën < 60 m², 60-90 m², 90-120 m² en > 120 m². Nu het plan voorziet in een vrijstaande woning, drie woningen met een woonoppervlakte van 105 m² met een tuin van beperkte omvang en een hoekwoning met een ruimere tuin, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in gedifferentieerde nieuwbouw en dat kwalitatieve behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen.

    Het betoog faalt.

5.    [appellanten] vrezen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare schaduwhinder ter plaatse van hun woningen. Zij stellen dat bij de bezonningsstudie is uitgegaan van onjuiste gegevens voor wat betreft de maximale bouwhoogte van de in het plan mogelijk gemaakte vrijstaande woning.

5.1.    Ten behoeve van de vaststelling van het plan is een bezonningsstudie uitgevoerd waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Bezonningsstudie De Kamp - Cothen" van adviesbureau BügelHajema van 12 november 2015 (hierna: de bezonningsstudie).

Niet in geschil is dat de in het plan voorziene vrijstaande woning bepalend is voor de eventueel te ondervinden schaduw ter plaatse van de percelen van [appellanten].

De conclusie van de bezonningsstudie is dat de schaduw van de vrijstaande woning de gevels van de woningen op de aangrenzende percelen niet bereikt. De schaduw valt niet over de achtertuinen van de percelen op momenten dat een achtertuin veel wordt gebruikt, omdat het schaduweffect voornamelijk aanwezig is in de ochtenden in de maanden september tot en met maart. Deze schaduw is nooit langer dan twee uur aanwezig, zo staat in de bezonningsstudie.

    De Afdeling stelt vast dat voor de vrijstaande woning een maximale bouwhoogte van 8 m geldt. De raad heeft er in het verweerschrift op gewezen dat bij de bezonningsstudie is uitgegaan van een hoogte van 8,3 m. Gezien deze geringe afwijking van de toegestane bouwhoogte en het feit dat de schaduwwerking in de bezonningsstudie eerder zal zijn over- dan onderschat heeft de raad de bezonningsstudie naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid aan zijn besluit ten grondslag kunnen leggen.

    Overigens voor zover [appellanten] ter zitting hebben aangevoerd te vrezen voor ophoging van de gronden waarop de woningbouw is voorzien, heeft de initiatiefnemer toegelicht dat de gronden niet ten behoeve van de bouw van de woningen zullen worden opgehoogd.

6.    [appellanten] stellen tot slot dat het plan een onveilige verkeerssituatie tot gevolg zal hebben. Ten opzichte van het huidige aantal verkeersbewegingen zal er volgens de raad geen sprake zijn van een zodanige toename van verkeersbewegingen dat dit zal zorgen voor een onveilige verkeerssituatie. Gezien het aantal in het plan voorziene woningen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verwezenlijking van het plan geen onveilige verkeerssituatie tot gevolg zal hebben.

    Het betoog faalt.

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2018

425-858.