Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1137

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
201702348/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 31 mei 2016 en 24 november 2016 heeft het college verzoeken afgewezen om handhavend op te treden ten aanzien van overtreding van voorschriften van de ontgrondingsvergunning voor onderscheidenlijk de Noordplas en de Zuidplas.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/125 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
ABkort 174
Milieurecht Totaal 2018/6778
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702348/1/R3.

Datum uitspraak: 4 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Camping De Papaver B.V. en [appellante A], beide gevestigd te Sellingen, gemeente Vlagtwedde, en [appellant B], wonend te Sellingen, gemeente Vlagtwedde, (hierna: tezamen De Papaver en anderen),

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 31 mei 2016 en 24 november 2016 heeft het college verzoeken afgewezen om handhavend op te treden ten aanzien van overtreding van voorschriften van de ontgrondingsvergunning voor onderscheidenlijk de Noordplas en de Zuidplas.

Bij besluit van 7 februari 2017 heeft het college de hiertegen gemaakte bezwaren voor zover deze door De Papaver en [appellante A] zijn ingebracht ongegrond verklaard en voor zover deze door [appellant B] zijn ingebracht niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben De Papaver en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2017, waar De Papaver en anderen, vertegenwoordigd door [appellant B] en mr.  M.A. Jansen, advocaat te Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.E. van ’t Hof, ing. J. Hartman en ing. A.B. Huinder, zijn verschenen. Voorts is [partij], vertegenwoordigd door mr. C.J. Schipperus, advocaat te Wijchen, als partij gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

Er zijn nog stukken ontvangen van De Papaver en anderen, het college en [partij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het geschil heeft betrekking op een ontgronding van een aantal percelen tussen Beetserweg en Beetserwijk te Sellingen (de Zuidplas) en de ontgronding van het perceel tussen Beetserwijk en Zevenmeerseweg te Sellingen (de Noordplas). De vergunninghoudster is [partij]. Op de zuidelijke oever van de Zuidplas wordt sinds 1999 camping De Papaver geëxploiteerd.

Noordplas

2.    De Papaver en anderen voeren aan dat in strijd met de voorschriften sprake is van inbressingen langs de oevers. Zij stellen dat dit door het college is erkend, maar dat volgens het college geen aanleiding bestaat om te handhaven, omdat een nieuwe vergunning is verleend waarbij de inbressingen zijn gelegaliseerd. De Papaver en anderen bestrijden dat een vergunning kan worden verleend voor deze inbressingen, omdat het om instorting van de oevers gaat.

2.1.    Het college stelt dat het ten tijde van het bestreden besluit op 7 februari 2017 mogelijk niet bevoegd was om handhavend op te treden, omdat de vergunning was verlopen. Daartoe voert het college aan dat de vergunning voor de Noordplas is verleend bij besluit van 23 augustus 2005 dat deze vergunning geldig was tot 13 september 2016 en dat bij besluit van 20 september 2016 de geldigheidsduur van de vergunning is verlengd. Tegen dit besluit is beroep ingesteld, maar ten tijde van het bestreden besluit was nog niet bekend of het verlengingsbesluit in stand zou blijven, aldus het college.

    Indien het college wel bevoegd zou zijn tot handhavend optreden bestond volgens het college geen aanleiding tot een dergelijk optreden. Daartoe stelt het college dat de inbressingen zijn gelegaliseerd met de nieuwe vergunning van 28 september 2017, die voorziet in een beperkte herziening van de oeverlijn van de Noordplas. Het college stelt tevens dat aan de vergunning voorschriften zijn verbonden met betrekking tot de te realiseren taluds voor de gehele plas, inclusief de oevers waar de inbressingen zich hebben voorgedaan. Indien de feitelijke situatie niet voldoet aan de voor te schrijven taluds, moeten deze alsnog worden gerealiseerd, aldus het college.

2.2.    Bij besluit van 23 augustus 2005 heeft het college een vergunning verleend voor het ontgronden van een zandplaat op het perceel, kadastraal bekend gemeente Vlagtwedde, sectie S, no. 779, de zogenoemde Noordplas.

    Bij besluit van 20 september 2016 heeft het college de bij besluit van 23 augustus 2005 verleende vergunning voor het ontgronden van de Noordplas gewijzigd. De wijziging houdt in dat de geldigheidstermijn van de op 23 augustus 2005 verleende vergunning voor het ontgronden van de Noordplas wordt verlengd tot uiterlijk 13 september 2026.

    Bij uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1336, heeft de Afdeling het besluit van het college van 20 september 2016 vernietigd.

    Ten tijde van het besluit van 7 februari 2017 gold de vergunning van 23 augustus 2005 derhalve nog. Het college had daarom de bevoegdheid om handhavend op te treden bij niet-naleving van de vergunning.

2.3.    Het college betwist niet dat de oeverlijn afwijkt van de in de vergunning voorgeschreven oeverlijn. De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 13 van de vergunning van 23 augustus 2005, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

    Ten tijde van het bestreden besluit was een vergunningaanvraag ingediend met betrekking tot de Noordplas die een beperkte herziening van de oeverlijn omvatte, waardoor de inbressingen kunnen worden gelegaliseerd. Deze vergunning is nadien verleend. Gelet hierop bestond er ten tijde van het bestreden besluit concreet uitzicht op legalisatie van de betreffende activiteiten. Het college mocht onder deze omstandigheid afzien van handhavend optreden.

    Het betoog faalt.

Zuidplas

Beroepsgronden ten aanzien van de Zuidplas

3.    De Papaver en anderen voeren aan dat de noordoever van de Zuidplas niet volgens de voorschriften is afgewerkt. Ten aanzien van de andere oevers is volgens hen de nazorgplicht niet nagekomen. De Papaver en anderen voeren aan dat op verschillende plaatsen langs de oostelijke en de noordelijke oever zeer steile oevers zijn ontstaan. Het college stelt weliswaar dat de oevers veilig zijn, maar het rapport waarop het college zich baseert heeft volgens De Papaver en anderen betrekking op de macro-stabiliteit en niet op de directe oeverlijn. Ten onrechte ontbreekt een concrete, actuele rapportage van een toezichthouder over de feitelijke situatie, aldus De Papaver en anderen.

3.1.    Het college stelt dat de Zuidplas is afgewerkt in afwijking van het goedgekeurde werk- en zuigplan. Voor een gedeelte van de noordelijke oever is de voorgeschreven plan-draszone immers niet gerealiseerd. Dit heeft er volgens het college niet toe geleid dat het risico van bodembeweging in het oevertalud is vergroot. Daarom heeft het college bij brief van 22 juni 2016 ingestemd met het eindresultaat.

3.2.    Bij besluit van 20 september 2011 heeft het college het bezwaar van [appellant B] en anderen tegen het afwijzen van hun verzoek om handhaving gedeeltelijk gegrond verklaard en een last onder dwangsom opgelegd aan Beetse B.V. voor het niet conform de dwarsprofielen 2, 3 en 4 van de ontgrondingsvergunning van 16 april 2002 en bijbehorende tekening 02-ong-2011.fh7 aanleggen van de taluds van deel B van de zandwinplas.

    Bij besluit van 8 februari 2013 heeft het college de last onder dwangsom opgeheven.

    Bij besluit van 20 december 2013 heeft het college de opheffing van de last onder dwangsom gedeeltelijk ingetrokken.

    Bij uitspraak van 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4249, heeft de Afdeling geoordeeld dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college geheel had moeten afzien van handhavend optreden.

    Het college heeft bij brief van 7 april 2015 laten weten af te zullen zien van invordering van de verbeurde dwangsom, indien de Zuidplas volledig wordt afgewerkt voor 1 januari 2016, waarbij ook het depot wordt verwijderd. Deze brief is ook aan [appellant B] en anderen gestuurd.

    Bij brief van 22 juni 2016 heeft het college laten weten dat het bereikte eindresultaat op het noordoostelijke gedeelte van de noordoever in overeenstemming is met het goedgekeurde werkplan. Ten aanzien van het deel van de ontgronding waar het depot aanwezig was, heeft het college vastgesteld dat de taluds weliswaar flauwer zijn afgewerkt dan in de vergunning was voorzien, maar dat het stabilteits- en veiligheidsrisico daardoor niet zal toenemen. Het college erkent dat onderdelen van de oostelijke oever van de landtong aan de zuidoever van de plas zijn afgewerkt in strijd met de voorschriften. Het college berust echter in de feitelijke situatie omdat deze voldoet aan de noodzakelijke eisen van stabiliteit en veiligheid en een voortgezet herstel van de oever niet tot een verdere verbetering van stabiliteit en veiligheid zal leiden. Het college acht de bereikte eindsituatie in de Zuidplas aanvaardbaar en stelt vast dat is voldaan aan de verplichting tot oplevering van de ontgronding. In hetgeen De Papaver en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt onjuist is. Handhavend optreden is naar het oordeel van de Afdeling onder deze omstandigheden zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat verweerder daarvan in redelijkheid heeft kunnen afzien.

    Het betoog faalt.

4.    Het beroep is ongegrond.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, griffier.

w.g. Pans    w.g. Bijleveld

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2018

433.