Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1136

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
201704048/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:3148, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bedrijfsmatig gebruik van een loods op het perceel [locatie] te Jabeek (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704048/1/A1.

Datum uitspraak: 4 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Jabeek, gemeente Onderbanken,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 april 2017 in zaak nr. 16/2293 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bedrijfsmatig gebruik van een loods op het perceel [locatie] te Jabeek (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 juni 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden] en het college, vertegenwoordigd door mr. N.A.M. Bergmans, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], gehoord.

Overwegingen

1.    Tijdens een controle op 20 oktober 2015 is onder meer geconstateerd dat de loods op het perceel als timmerwerkplaats is ingericht. Voorts is geconstateerd dat op het buitenterrein achter de loods een beperkte hoeveelheid bouwmaterialen- en bouw- en sloopafval wordt opgeslagen. Naar aanleiding van die controle heeft [vergunninghouder] een aanvraag ingediend ter legalisering van het bedrijfsmatige gebruik van de loods. [vergunninghouder] is eigenaar van een bouwbedrijf en gebruikt de loods ten behoeve van houtbewerking. Volgens [vergunninghouder] vinden de werkzaamheden vooral op locatie plaats. De werkzaamheden op het perceel zijn van beperkte omvang geweest.

    Het bedrijfsmatig gebruik van het perceel is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Woonkernen Onderbanken 2013". Dit omdat de oppervlakte voor het bedrijfsmatig gebruik van de loods 68 m² is terwijl maar 40 m² is toegestaan, aldus het college. Om het gebruik niettemin mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) gelezen in verbinding met artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) omgevingsvergunning verleend. Het college heeft een aantal voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden met betrekking tot onder andere de opslag van goederen op het perceel en de toegestane duur van de activiteiten.

    Naast de aanvraag om omgevingsvergunning heeft [vergunninghouder] een melding gedaan bij de Regionale Uitvoeringsdienst Zuid-Limburg (hierna: de RUD) voor de in de loods plaatsvindende werkzaamheden, namelijk het bewerken van hout voor zijn aannemersbedrijf. Op 5 februari 2016 is door de RUD aan hem bekendgemaakt dat de melding compleet is en is deze gepubliceerd.

    [appellante] woont naast het perceel en kan zich niet verenigen met de verleende omgevingsvergunning.

2.    De Afdeling stelt voorop dat de onderhavige zaak slechts betrekking heeft op het besluit van het college om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo te verlenen voor het gebruik van het pand in strijd met het bestemmingsplan zoals neergelegd in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 26 januari 2016. De vraag of voor het in werking hebben van een inrichting kan worden volstaan met een melding dan wel of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e alsmede i, van de Wabo is vereist, is hier niet aan de orde. Hetgeen [appellante] daarover heeft gesteld behoeft derhalve geen bespreking. Voor zover [appellante] heeft beoogd te betogen dat op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo de aanvraag ook hierop betrekking had moeten hebben, overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 2.7 van de Wabo staat toe dat bij onlosmakelijke activiteiten een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo kan worden aangevraagd voorafgaand aan een eventuele omgevingsvergunning voor een andere activiteit als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wabo die onlosmakelijk samenhangt met de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Of het college de verzoeken om handhaving terecht heeft afgewezen is hier evenmin aan de orde, zodat de hiertegen gerichte beroepsgronden niet zullen worden besproken. Tegen die afwijzingen staan dan wel stonden rechtsmiddelen open. Ten aanzien van de opmerking van het college in het besluit van 28 november 2017, waarbij is beslist op de gemaakte bezwaren tegen het besluit tot weigering om handhavend op te treden, over het hier aan de orde zijnde voorschrift over opslag, stelt de Afdeling vast dat zoals ter zitting is gebleken het college daarmee niet heeft beoogd om het in bezwaar gehandhaafde besluit van 26 januari 2016 te wijzigen. Het besluit van 28 november 2017 maakt derhalve geen onderdeel uit van dit geding.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het gebruik niet alleen in strijd is met het bestemmingsplan omdat de maximale oppervlakte als bedoeld in artikel 19.5.2 van de planregels voor bedrijfsmatige gebruik  wordt overschreden. Volgens haar gaat het hier niet om een aan huis gebonden activiteit nu er machinale houtbewerking plaatsvindt. Voorts voert zij aan dat er bedrijfsmatige opslag in de buitenlucht plaatsvindt, hetgeen niet is toegestaan gelet op artikel 19.5.2., aanhef en onder f, van de planregels.

3.1.    Op het perceel rust de bestemming "Wonen". Ingevolge artikel 19.1.1 van de planregels is het perceel onder meer bestemd voor wonen met daaraan ondergeschikt aan huis gebonden activiteiten overeenkomstig artikel 19.5.2 van de planregels.

     Artikel 19.5.2 luidt: "Een aan huis gebonden activiteit, waartoe ook webshops behoren, is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

a. een aan huis gebonden activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend in de woning of in de bijgebouwen;

b. maximaal 40 m2 van het bebouwde oppervlak van de woning en de bijgebouwen wordt gebruikt voor een aan huis gebonden activiteit;

[…]

f. er vindt geen bedrijfsmatige opslag in de buitenlucht plaats;

[…]."

    Artikel 1.3 luidt: " aan huis gebonden activiteit: het beroeps- of bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroeps- of bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten en uitgezonderd webshops."

3.2.    Anders dan [appellante] betoogt, bestaat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat hier geen sprake is van een aan huis gebonden activiteit reeds omdat er machinale houtbewerking plaatsvindt. Voor het antwoord op de vraag of hier sprake is van een aan huis gebonden activiteit is van belang of de activiteit past in de definitie zoals neergelegd in artikel 1.3 van de planregels.

    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen passen de vergunde activiteiten gelet op de beperkte omvang daarvan in de omschrijving van aan huis gebonden (bedrijfsmatige) activiteiten zoals gedefinieerd in artikel 1.3 van de planregels. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat de werkplaats die is gelegen achter de woning van [vergunninghouder] in relatie staat tot de bouwonderneming van [vergunninghouder] en niet voor andere werkzaamheden van de bouwonderneming wordt gebruikt dan het bewerken van hout. De rechtbank heeft voorts terecht van belang geacht dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, gelet op de situering van de loods ten opzichte van de omliggende woningen en de ruimtelijke uitstraling ter plaatse, ook bij vergroting van de te gebruiken oppervlakte van de loods de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft en de bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse. De Afdeling acht bij het voorgaande voorts van belang dat de loods, gelet op de aan het besluit verbonden voorschriften, maximaal 2 dagen per maand voor de bouwonderneming mag worden gebruikt.

3.3.    De rechtbank heeft voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat niet aan de voorwaarden van artikel 19.5.2. is voldaan. In artikel 19.5.2. van de planregels is bepaald onder welke voorwaarden een aan huis gebonden activiteit is toegestaan. Ten aanzien van de bedrijfsmatige opslag overweegt de Afdeling dat geen omgevingsvergunning is aangevraagd dan wel verleend die bedrijfsmatige opslag mogelijk maakt. In dit verband acht de Afdeling, onder verwijzing naar overweging 5.1, van belang dat het college als voorschrift aan de omgevingsvergunning heeft verbonden dat er geen buitenopslag meer mag plaatsvinden. Niet is gebleken dat er niet aan de overige voorwaarden genoemd in artikel 19.5.2. van de planregels wordt voldaan, zodat het bedrijfsmatig gebruik van de loods zoals de rechtbank terecht heeft overwogen slechts in strijd is met het bestemmingsplan omdat de maximale voor dat gebruik toegestane oppervlakte met 28 m² wordt overschreden.

    Het betoog faalt.

4.    [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte het college bevoegd heeft geacht om op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning te verlenen. Voor beantwoording van de vraag of het college bevoegd is om op grond van die artikelen omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, is anders dan [appellante] stelt, niet van belang of een andere omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is vereist. Van belang is dat aan de voorwaarden zoals neergelegd in die artikelen is voldaan. Gesteld noch is gebleken dat niet aan die voorwaarden is voldaan. Voorts is niet gebleken dat zich een uitzondering als bedoeld in artikel 5 van bijlage II van het Bor voordoet.

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning mocht verlenen. Daartoe voert zij aan dat een bedrijf waar machinale houtbewerking plaatsvindt, niet thuishoort in een woonomgeving. Voorts voert zij aan dat de aan het besluit verbonden voorschriften niet handhaafbaar zijn. In dit verband betoogt zij dat niet van haar verwacht mag worden dat zij telkens een handhavingsverzoek indient. Bovendien is niet uitgesloten dat de werkzaamheden meer dan 2 dagen per week plaatsvinden. Zij merkt in dit verband verder op dat tot op heden niet aan het voorschrift is voldaan dat geen opslag mag plaatsvinden.

5.1.    In hetgeen [appellante] heeft gesteld, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Machinale houtbewerking gerelateerd aan de bouwonderneming van [vergunninghouder] zoals hier aan de orde is, zoals eerder is overwogen, een aan huis gebonden activiteit. De afweging of het perceel ten behoeve van een aan huis gebonden activiteit in een omvang van maximaal 40 m² van het bijgebouw mag worden gebruikt, is reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan gemaakt. Het college heeft die omstandigheid bij de belangenafweging als uitgangspunt kunnen nemen en heeft daarom bij de toetsing van de aanvraag voor het bedrijfsmatig gebruik van de loods mogen volstaan met de beoordeling of een grotere vloeroppervlakte voor bedrijfsmatig gebruik dan ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan, te weten 28 m², ruimtelijk aanvaardbaar is. In dit verband acht de Afdeling verder van belang dat het college aan het besluit een aantal voorschriften heeft verbonden om de aard en omvang van het gebruik te beperken. Anders dan [appellante] stelt, is niet gebleken dat het niet mogelijk is om handhavend op te treden indien deze voorschriften niet worden nageleefd. Het college kan al dan niet naar aanleiding van een melding van [appellante] het perceel controleren. Ter zitting heeft het college in dit verband onweersproken gesteld dat het gemeentebestuur voldoende handhavingscapaciteit heeft om dit te doen. Gelet op de beperking van de omvang van het gebruik als gevolg van de voorschriften, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat ter plaatse. Voorts bestaat er evenmin aanleiding voor het oordeel dat het verlenen van omgevingsvergunning zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woonklimaat omdat de inrichting, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, moet voldoen aan het Activiteitenbesluit en er geen aanwijzingen zijn dat daaraan niet wordt voldaan.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. De Koning

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2018

712.